De verklikker verklikt

Wolfgang Hilbig, ‘Ik’. Uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink. Uitgeverij Goossens/ Manteau, 333 blz., f47,50
‘ “Ik” ben degene die niets gelooft, behalve dat alle figuren in dit verhaal achter een schrijftafel zijn bedacht…’ Tot deze bevinding komt de verteller ergens aan het eind van het boek, wanneer deze figuren weigeren het spel mee te spelen, ook ‘ik’, de schrijver in spe die zich door de Stasi heeft laten inschakelen om rapporten te schrijven over personen uit het alternatieve literaire circuit.

In Berlijn volgt W. eerst de schrijver Reader; als deze later zelf een verklikker blijkt te zijn, betreft de opdracht niet langer ‘het geval Reader’ maar 'het geval informant Reader’. In een systeem dat een staat van informanten nastreeft, dient ook de controleur gecontroleerd; uitzonderingen zijn niet toegestaan, door een lek kan immers het hele systeem leeglopen. 'Wij zijn er om het systeem overeind te houden, en wat is dat voor systeem dat geen tegenstander meer heeft’, merkt majoor Feuerbach, W.’s directe opdrachtgever, op. De veiligheidsdienst is desnoods bereid zelf gedichten te (laten) schrijven. Wanneer de onofficiele schrijvers niet meer het land uit willen en zich onverschillig betonen ten aanzien van de geheime dienst, is dat gevaarlijker voor de staat dan welke subversieve actie ook. De veiligheidsdienst weet meer van kunst dan de schrijvers zelf. De roman zou je een studie in reeel bestaand cynisme kunnen noemen.
Wolfgang Hilbig (1941) werd bekend door zijn gedichten en verhalen. In zijn eerste roman, 'Ik’, concentreert hij zich op het duo verklikker- opdrachtgever, op de wederzijdse afhankelijkheid en besmetting van beiden. Het 'ik’ van de verteller staat tussen aanhalingstekens omdat het een persoon is die de veiligheidsdienst in hem wakker roept, iemand die hij in aanleg ook is en die het wint van zijn andere ik.
Hilbig laat zien hoe een paranoide blik ontstaat en hoe de dichter vertrouwd raakt met een andere taal, een zichzelf genererende taal van door genitieven aaneengeschakelde abstracta. Op zijn schrijftafel liggen links de gedichten en kladjes, rechts de rapporten; op een gegeven moment blijken fragmenten uit die fictieve wereld van de argwaan alleszins geschikt voor de literatuur. Als 'ik’ de schaduwzijde van de hoofdpersoon is, waardoor hij wordt bezeten, dan vertegenwoordigt diezelfde 'ik’ op collectieve schaal de haat in de totalitaire samenleving.
Dat is het antwoord op de vraag van de verteller hoe de staat, die hij betrekkelijk onschuldig vond, alom zo'n haat kon opwekken. De voornaamste reden voor die haat is die schaduwwereld van verklikkers. De hoofdpersoon is zelfs zijn eigen schaduw en in de concrete samenleving waarop Hilbig doelt, is het geen literair spelletje wanneer de rollen van achtervolger en achtervolgde elk ogenblik kunnen worden omgekeerd.
Hoe zou Paul Auster met dezelfde stof zijn omgesprongen, vraag je je onwillekeurig af, denkend aan zijn New York Trilogy, waarin ieder die de gangen van een ander nagaat, zelf weer in de gaten wordt gehouden. Hilbig is minder geraffineerd en gestileerd dan Auster, maar bij vlagen maakt zijn worsteling met de stof meer indruk. Hij komt er soms ook gewoon niet uit omdat de schaduwwereld van de waan zich niet zomaar laat beschrijven. Hij abstraheert genoeg om niet aan het realisme van een documentaire over de Stasi en haar literaire handlangers te hoeven voldoen; anderzijds beschikt hij over genoeg sprekende details om er meer dan een literaire puzzel van te maken. De omslachtigheid in stijl en constructie neem je dan op de koop toe.
Hoe begint iemand zijn carriere als informant van de 'firma’? Iemand moet iets hebben gedaan waarover hij maar het beste kan zwijgen. Als de gevolgen van zo'n fout in geen verhouding staan tot de oorzaak ervan, is de betrokkene een ideale kandidaat - zoals in dit boek de jonge ambitueuze dichter, stoker in een provinciestadje. Als hij in Berlijn terechtkomt, is in hem een ander mens ontwaakt en is het vroegere ik een literaire figuur geworden met een gesimuleerd leven. Maar, de veiligheidsdienst erkent hem in elk geval als dichter, 'en soms kreeg ik de indruk dat mijn werk eruit bestond om als een missionaris te infiltreren in de onofficiele cultuur teneinde haar de liefde van mijn firma voor de literatuur te schenken’.