De verkoop van de premier ‘ik voetbalde graag, op klompen, want schoenen hadden we niet, tot m'n twaalfde jaar heb ik op klompen gelopen’

DIRECTEUR MAI Spijkers van uitgeverij Prometheus had een aardig idee. Zo tegen het tijdstip van de kamerverkiezingen van mei volgend jaar moest er maar eens een biografie liggen van de architect van het poldermodel, de onbetwiste vader des vaderlands van de jaren negentig, onze rots in de postmoderne branding van het fin de siècle, Wim Kok. Er werd contact opgenomen met de premier, en die was niet eens zo afhoudend. Kok wilde best meewerken aan het boek.

Alleen de hoeveelheid beschikbare uren die de minister-president over had, kon nog wel eens een probleem worden. De potentiële auteurs waren snel gevonden: John Jansen van Galen, die uiteindelijk al een keertje een boek over Drees had gedaan, en Willem Breedveld, parlementair commentator van dagblad Trouw.
Jansen van Galen en Breedveld zetten zich eerst aan een verkenning van de mogelijkheden. In dat stadium zitten ze nu nog steeds, zo vertelt Breedveld. ‘Een boek over Kok schrijven is nu niet bepaald een buitensporig opwindende bezigheid, dat zal iedereen kunnen beamen’, aldus de Trouw-veteraan, wiens beste herinneringen aan het parlementair bedrijf stammen uit de gouden era van de jaren zeventig, aan de zijde van de flamboyante Den Uyl.
'Zo'n boek heeft alleen maar bestaansrecht als je iets wezenlijks kan toevoegen aan datgene wat we al over Wim Kok weten. Dat zou op twee manieren kunnen gebeuren. Kok zou zelf zijn levensverhaal aan ons kunnen vertellen. Maar dan kun je je weer afvragen of dit het juiste tijdstip is. De geplande publikatiedatum is uiteindelijk verkiezingstijd, en dat is wellicht niet het meest aangewezen tijdstip voor allerlei particuliere confessies.
Het zal in ieder geval een biografische schets moeten worden. Voor een echte biografie is het rijkelijk laat. Dan hoef ik alleen maar te verwijzen naar professor Daalder, die ook al weer een jaar of tien bezig is aan zijn Drees-boek, of de heer Fasseur, die al zijn hele leven schijnt te hebben geïnvesteerd in Wilhelmina. Een andere mogelijkheid is dat er gebruik wordt gemaakt van informatie vanuit de omgeving van de premier, waaruit een nieuw beeld zou kunnen ontstaan. We zijn nog steeds bezig om te onderzoeken hoe het allemaal zou moeten. Kortom, erg zeker is het allemaal nog niet. Dat boek zal er heus wel komen, maar of dat met deze twee auteurs zal zijn, is nog maar de vraag.’
WAT HIERUIT in ieder geval kan worden opgemaakt, is dat Wim Kok niet afkerig is van enige nadere verdieping in zijn particuliere levensloop. Waarschijnlijk achten hij en zijn uitgebreide pr-staf het wel een opportuun moment om even voor de stembusgang van 8 mei 1998 te komen met een boek waarin zijn meer persoonlijke kant tot uiting komt. Bij de vorige kamerverkiezingen legde dat de PvdA uiteindelijk ook geen windeieren. Het wat bleke, afstandelijke imago van de toenmalige minister van Financiën werd met succes opgekrikt door in het partijblad Pro te komen met een wel heel particulier getoonzet fotoalbum over de jeugd van Kok. Aan de hand van foto’s van Bergambacht, het dorpje aan de Lek waar Kok zijn armlastige jeugd als zoon van een arme timmerman doorbracht, vertelde Kok heel gevoelig over zijn vormende jaren.
Dat ging zo: 'Ik voetbalde graag, op klompen, want schoenen hadden we niet, tot m'n twaalfde jaar heb ik op klompen gelopen. Die kwamen uit Lekkerkerk, de klompenmakers daar maakten van die hele zware klompen van wilgehout. Zware blokken waren het, wel duurder maar onverslijtbaar. Kon je absoluut niet mee voetballen. Maar ik moest die klompen dragen voor de zuinigheid. Ik had wel een paar lichtere, dus daar voetbalde ik mee. Maar het duurde nooit lang of die kap vloog eraf. Kon je naar de hoefsmid om er zo'n metalen bandje omheen te laten maken, kostte een dubbeltje. Dat was echt een rib uit het lijf. Ik weet nog goed dat mijn moeder bij zoiets weliswaar niet echt boos was, maar boos van verdriet. Verdorie, jongen, dat kost geld, dat zit er niet aan.’
Het Pro-verhaal genereerde een lawine aan publiciteit voor 'de mens Kok’. Kort daarop werd deze sensitieve aanpak met succes herhaald bij Sonja Barend op tv, waarbij Kok ook opvallend onbevangen in het zakje van het particuliere sentiment greep. De afloop is bekend. Hoewel de PvdA weliswaar een gevoelige nederlaag leed bij de verkiezingen, rolde Kok toch als winnaar uit de stembus. Pr-technisch bleef het natuurlijk een kwestie van piskijken, maar wellicht had het in stelling brengen van Koks persoonlijke Dutch dream - van klompenjongen tot minister-president - daarbij toch een rol gespeeld.
GEDURENDE ZIJN jaren als oppositieleider in de Kamer en als minister onder Lubbers koos Kok voor een zo technisch mogelijke presentatie, bijna low profile, hetgeen gezien de taken die hij verrichtte waarschijnlijk ook maar het beste was. Voor die tijd, als angry young man van de vakbeweging, sleepte hij in interviews juist weer opvallend vaak zijn jeugdjaren erbij. Maar toen diende de herinnering aan het eeuwige sappelen in Bergambacht en vervolgens de pijnlijke confrontatie met de welgestelden tijdens Koks studiejaren aan het Nederlands Instituut voor het Buitenland in Breukelen - beter bekend als Nijenrode - vooral als strijdmiddel.
Koks vader werd door zijn patronen wekelijks op stang gejaagd met de publikatie van de persoonlijke prestatiecijfers - zogenaamde 'weekstaten’ - en die techniek van het systematisch afbeulen in ruil voor niet meer dan een hongerloontje had een onuitwisbare indruk gemaakt op de zoon. De Wim Kok van de jaren zeventig sprak als een man met een particulier sociaal-economisch trauma, een gedrevene, voor wie begrippen als klassenstrijd geen mistige slogans waren om de stemming in de bondszalen er een beetje in te brengen, maar bittere realiteit.
Vaak werd hem voor de voeten geworpen dat hij met zijn studie in Nijenrode toch maar mooi de sprong naar gene zijde van de maatschappelijke kloof van de Hollandse standenmaatschappij had gemaakt, maar daar wilde Kok nooit iets van weten: 'Ik krijg er de balen van om almaar met mijn managersopleiding op Nijenrode te worden geconfronteerd’, viel hij uit in een interview met het Nieuwsblad van het Noorden in 1977. 'Er is een groot aantal journalisten dat daarop maar steeds de nadruk blijft leggen. Iemand die Nijenrode heeft gedaan en nu de vakbond zit te besturen, dat kan blijkbaar niet samengaan. Altijd dat “Nijenrode”. Ik vind het een irriterend item.’
Wie niettemin over Nijenrode doorvroeg, stuitte op uiterst gevoelige materie. Kok maakte er geen geheim van dat hij als jongeman van nederige komaf de nodige shockervaringen had opgedaan. Nijenrode was 'weliswaar niet vergelijkbaar met de echte studentenwereld’, maar 'je werd er wel op de proef gesteld, getreiterd door ouderejaars, erg kinderachtige dingen waarvan je je later afvraagt: hoe heb ik het in godsnaam over mijn kant kunnen laten gaan? Maar een van mijn eigenschappen is in elk geval dat ik niet zo gauw ergens voor wegloop. Ik zou het als gezichtsverlies voor mezelf en voor het milieu waaruit ik voortkwam hebben beschouwd als ik dat wèl had gedaan.’ (Kok in het Vrije Volk, 5 maart 1977)
'POLARISATIE, DAAR is men tegen’, aldus Kok in 1975 tegen VN’s Bibeb. 'Maar de harde onverzettelijkheid van hen die het voor het zeggen hebben, wordt niet veroordeeld. Zij, en ik praat uit ondervinding, die zeggen: “Blijven overleggen, blijven praten”, terwijl je door hen in de zak genaaid wordt.’
Deze Kok was een man voor wie 'de spreiding van macht, kennis en inkomen’ die Den Uyl beloofde, niet snel genoeg kon gaan. Uit het diepst van zijn hart klaagde hij erover dat veranderingen in Nederland even traag gingen 'als stroop op de winterdag’. Kok was een cultuurcriticus pur sang. Met nauwelijks verholen walging sprak hij van de elite. 'De tweehonderd van Mertens spelen elkaar het balletje toe’, vertelde hij Bibeb. 'Hele feesten, complete orgieën worden (fiscaal - rz) afgetrokken in bepaalde cirkels. Dat jagen op geld is een ziekteverschijnsel.’
De Kok van de jaren zeventig kon zich dood ergeren aan rolbevestigende tafereeltjes op de nationale treurbuis. 'Ik erger me blauw aan alles waardoor de traditionele mentaliteit levend wordt gehouden. Films waaruit blijkt: wie geld heeft, zit bovenaan. Zo'n onderdanige dienstbode in Swiebertje.’
En er moest als de donder een linkse Telegraaf worden opgericht. 'Als er nu geen uiterste poging wordt gedaan, is het te laat.’
Bij zijn aantreden als voorzitter van de NVV in 1973, 35 jaar oud, sprak hij van 'de noodzaak tot een wezenlijke verandering van de ondernemersstructuur, zodanig dat je kunt spreken van een aantasting van het kapitalistisch stelsel’. Als hij zich op straat begaf, vertelde Kok, begonnen mensen hem uit te schelden voor 'rooie hond’, of 'de grootste boef die Nederland ooit gekend heeft’. Maar hij bleef onvermurwbaar: 'Iemand die ons pakt, pakken we terug.’
In de roerige vakbond van de jaren zeventig was hij de juiste man op de juiste plek. 'In een vakbeweging die de tegenstelling tussen de machtigen en de machtelozen blootlegt, voel ik mij als een vis in het water’, sprak hij.
Telkens was het weer de Bergambacht-blues, de herinnering aan die kale, troosteloze jeugd in de Zuidhollandse polder, die opdook als vakbondsleider Kok in interviews extra druk probeerde te zetten op Den Uyl en zijn eigen solidariteit met de onderliggende klassen nog eens wilde onderstrepen. Door proefondervindelijke ervaring van armoede had hij een streepje voor op de anderen.
Zeker op het rijkeluiszoontje Lubbers, zijn eeuwige concurrent, 'de wolf in schaapskleren’, zoals Kok hem meer dan eens noemde. 'Waar ik bij Lubbers op afknap, is dat geslijm over de derde wereld, arme zwartjes en dan wij in superjets en vijfsterrenhotels. Laten zulke politici die de machtsverhoudingen niet willen aantasten voor zichzelf spreken’, zo reageerde Kok getergd toen Lubbers in een rede had gewezen op mondiaal onrecht.
'A poor youth is a politician’s goldmine’, zoals Amerikaanse campagnestrategen al sinds jaar en dag weten. Kok beriep zich er keer op keer op. In 1977 tegenover Het Vrije Volk: 'Ik ben misschien wel een geweldig burgerlijke figuur, dat heeft mogelijk met mijn arme afkomst te maken, maar ik kan me niet voorstellen, ook al ben ik twintig keer voorzitter van de FNV, dat ik een chauffeur zou hebben die mij naar Den Haag zou rijden, daar een hele dag zou rondhangen en mij dan terug zou rijden naar Amsterdam. Ik zou me bijna schuldig gaan voelen. Dat heb ik al als iemand de deur voor me opendoet. Ik kan zelf de deur wel openhouden.’
DE KOK VAN de jaren tachtig, naarstig op zoek naar het leiderschap van de PvdA en later van het gehele land, kon zich dergelijke retoriek niet meer veroorloven. Kok specialiseerde zich in 'een stijl van politiek handelen die zoekt naar maatschappelijke consensus en samenhang’, zoals hij het in een befaamde (voor menigeen beruchte) rede in Nijmegen in juni 1989 formuleerde.
Voor bittere klachten over schaarste en leed was toen geen plek meer. Het trauma van Bergambacht werd bewerkt tot een soort persoonlijk louteringsproces. De herinnering aan de schaarste van toen werd nu gebracht met een steelgitaar in de stembanden, een dreesiaans getoonzet jaren-vijftigsentiment, toen geluk nog heel gewoon was, en men tevreden was met bijna niets. 'Die smaak van cola met brood, die vergeet je nooit meer’, aldus Kok in Pro in 1994, in een proustiaanse herinnering aan dat enkele uitje dat de familie Kok jaarlijks maakte (naar Rotterdam). De sociaal-democratische liturgie werd verrijkt met een eigen evangelie over een arme timmermanszoon, en kon zo beter op tegen het CDA, hetgeen bij de stembusgang dan ook bleek.
Ongetwijfeld denkt Koks campagneteam dat Koks persoonlijke relaas ook komend jaar kan helpen bij electorale voortgang. Vandaar dat Prometheus’ wens tot een biografie daar goed is gevallen. Kok genereert van zichzelf weinig emotie, maar zodra de Bergambacht-blues erbij wordt gesleept, wint zijn zorgvuldig gekoesterde imago als strenge doch rechtvaardige papa aller Nederlanders aan glans. Het zou het electoraat er alleen al aan kunnen herinneren dat men hier echt te maken heeft met een man uit het volk.
Het zou Koks normaalheid kunnen versterken, hetgeen hem duidelijk een streepje voor zou geven op de directe opponenten Bolkestein en De Hoop Scheffer. Bolkestein begint steeds excentrieker te worden, zoals onlangs weer eens bevestigd werd in De Telegraaf, alwaar de kopstukken van de Hollandse Hell’s Angels een ware lofzang hielden op de VVD-leider als hun ideologische leidsman (In zijn society-rubriek wijst Stan Huygens erop dat de liberale leider uit kennelijk enthousiasme voor zoveel steun gelijk een huis heeft gekocht dat pal uitkijkt op het Angels-hoofdkwartier in Amsterdam). Ook De Hoop Scheffer is een tikkeltje decadent, zoals bleek toen hij onlangs in Nieuwe Revu omstandig zat op te scheppen over zijn naar eigen zeggen formidabele tongzoentechniek.
Tegenover zoveel verendemollisering van het politieke bedrijf zou Kok in al zijn soberheid kunnen schitteren als nooit tevoren. De vraag is echter hoe lang het kiezerspubliek een dergelijk beroep op lang vervlogen tijden zal blijven slikken. Wim Kok is al zo lang succesvol dat de herinnering aan Bergambacht inmiddels niet meer te detecteren is op zijn gelaat. Hij troont over een natie die met particulier beleggen twee keer zo veel verdient als met werken, een decadent beleggersparadijs met een steeds Amerikaanser getoonzette win or lose-mentaliteit, waar het immer uitdijende leger verliezers zich tevreden moet stellen met bijna niets. Zo zet het Amsterdamse Arbeidsbureau zich momenteel aan een project waar jonge werklozen aan de arbeidsmarkt worden aangeboden voor een salaris van welgeteld vijf gulden per uur. Dat gaat al beangstigend veel lijken op de salarissen die vader Kok indertijd met zijn hamer binnenhaalde.
Alles waar Kok in de jaren zeventig tegen heeft gevochten, is nu aan de orde van de dag. Koks aanhoudende pleidooi voor het behoud van maatschappelijke rust en harmonie, legt een steeds groter beslag op het geduld van zijn natuuurlijke achterban. Het poldermodel is niets meer dan het succes van een politiek die erop is gericht om de toch al breed verspreide nederigheid onder de Nederlanders te conserveren en daar waar mogelijk te versterken. Zo'n politiek moet zijn grenzen kennen. De paarse succes-story over de klompenjongen die het schopte tot minister-president, zou zich dan ook wel eens tegen Kok kunnen keren. Het beste is als Kok zich wat meer herinnert van de woede die hij in de jaren zeventig zo ongeremd verwoordde.