Essay: De intellectuele elite heeft een blinde vlek

De verkwanseling van het gelijkheidsideaal

Nederlands publieke intellectuelen overschatten de stabiliteit van de beschaving. Jarenlang waren ze druk met de veroordeling van het politiek correcte, maar vergaten dat juist het eeuwenoude streven naar gelijkwaardigheid moet worden beschermd tegen aanvallen van buitenaf, en van binnenuit.

Verschillen in inkomen mogen bestaan, zo schreef wijlen Pieter Roscam Abbing in 1973, maar alleen naargelang een mens zich meer inspant of onaangenamer werk verricht. In een boek met de titel De eerlijke inkomensverdeling opperde hij, destijds hoogleraar christelijke ethiek, de spreiding van inkomen te koppelen aan het plezier en ongenoegen dat men beleeft aan het beroep dat men uitoefent. Mensen die hun werk als plezierig ervaren, behoeven ook geen grote compensatie, werklieden daarentegen wier arbeid uitgesproken vervelend is, verdienen een aanzienlijke vergoeding.

In een reactie op het boek wees Willem Frederik Hermans op het stipendium dat de Nederlandse organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek de Groningse theoloog verstrekte om het boek over de eerlijke inkomensverdeling te voltooien en om zowel een wetenschappelijke als een verkorte handelseditie op de markt te brengen. «Het is mogelijk», zo schreef W.F. Hermans, dat «prof. dr. Roscam Abbing het schrijven van dat boek vol hoogstpersoonlijke prietpraat (want dat is het) een onaangenamer werkje heeft gevonden, dan het andere werk dat hij gewoon is te doen en dat hij dus een extraatje had verdiend».

Hermans had gelijk: de voorstellen die Roscam Abbing de samenleving doet, zijn onuitvoerbaar — pogingen ertoe vereisen onaanvaardbare dwang en zouden merkwaardige neven effecten opleveren. Toch illustreren ze tegelijk hoe frank en vrij er nog niet eens zo lang geleden werd gedacht over kwesties van economische aard. De nu wanhopig uit de mode geraakte, maar destijds vermaarde Groningse hoogleraar Jan Pen reageerde zelfs enthousiast op Roscam Abbings boek. Dat is nu niet meer voor te stellen. Geen econoom, uit welk kamp ook, prijst tegenwoordig een economieboek waarin elk concept van schaarste ontbreekt. Sinds de lofzang op de vrije markt elk ander geluid overstemt, is de discussie gesloten. Voor de meest efficiënte verdeling van geld en goederen en voor het vaststellen van de prijs der dingen, ook van arbeid, zijn vraag en aanbod bepalend. Als geleerden uit andere disciplines zich met economische aangelegenheden inlaten, zullen ze allereerst deze grondgedachten moeten onderschrijven, anders tellen ze niet mee.

Destijds was dat anders. Roscam Abbings boek was populair, alhoewel hij niet werkte vanuit een geloof in efficiëntie, noch in schaarste, maar vanuit de christelijke geloofsovertuiging dat mensen, hoe ongelijk ook geschapen, door de Heer gelijk worden behandeld, ongeacht hun maatschappelijke of economische positie. Het boek De eerlijke inkomensverdeling vormt daarom ook slechts het economische deel van een veel grotere, in zijn eigen ogen christelijke, opgave, of roeping, mee te helpen aan een meer gelijke verdeling van kennis, kansen, rechten, plichten, mogelijkheden, et cetera. Daar zijn geen studiepunten meer mee te verdienen. Sterker, inmiddels is zo goed als vergeten vanuit welke traditie de rode dominee zijn pogingen ondernam. Zijn werk vormt slechts één trede van een schier eindeloze trap, die al vóór de Franse Revolutie werd beklommen.

In de Augustijnse, vroeg-christelijke ethiek werd de strijd aangebonden met «klassiek» of «classicistisch» hiërarchisch denken, waarin het hoge en het lage, op elk gebied, onwrikbaar vastlagen in stevig verankerde posities. Sinds Augustinus is het streven naar gelijkwaardigheid tot rode draad gemaakt van bijna al het denken over staatsinrichting, cultuur en politiek. In weerwil van de gruwelijke eruptie van het fascisme is het principe dat burgers in gelijke gevallen een gelijke behandeling verdienen zelfs tot het eerste artikel van onze en vele andere westerse grondwetten gemaakt. Behalve de diskwalificatie ervan als «mallotig» door de bijna-premier Pim For tuyn lijkt dit artikel ook niet meer op noemenswaardige weerstand te stuiten in de Nederlandse samenleving. Het is deel geworden van onze cultuur. In het onlangs verschenen boek De onweerstaanbare gelijkheid stelt de inmiddels gepensioneerde politicoloog Andries Hoogerwerf stellig: een begrip van menselijke gelijkwaardigheid staat aan de basis van alle plausibele politieke filosofieën van deze tijd: liberalisme, socialisme, christen-democratie, communautair gemeen schaps denken, anarchisme en andere libertaire denkrichtingen.

Toch zie je daarvan de afgelopen maanden — en jaren — weinig terug in het publieke debat; noch op de opiniepagina’s en in de columns van de vaderlandse dagbladen, noch in populaire uitspraken van huidige politici. Tegenwoordig heeft het een ongekend grotere aantrekkingskracht een appèl te doen op hetgeen ons onderscheidt dan op hetgeen ons verbindt. Veel vaderlandse publieke intellectuelen slaakten de verzuchting dat de betreurenswaardige tekenen des tijds juist zijn veroorzaakt door een te ver doorgeschoten nivellering van talent, inkomen en cultuuropvattingen. Een grote meerderheid onder hen, en zeker de meest invloedrijken, zien een voortschrijdende debilisering en «plebejisering» van de wereld als direct gevolg van die doorgeslagen nivellering. In navolging van de verschillen in salaris smolten voor hun ogen alle belangrijke en waardevolle verschillen tussen mensen in talent, rang en stand als sneeuw voor de zon. Het aloude verlichtingsideaal heeft tot een grote, matte, ongeïnspireerde middelmaat geleid. «De samenleving is ten prooi gevallen aan een strikt egalitarisme», klaagde Volkskrant-criticus en essayist Michaël Zeeman, onlangs in een interview in deze krant.

In de eeuwenoude traditie van de onheilsprofetie en in navolging van Allan Blooms Closing of the American Mind, zoeken de nieuwe Huizinga’s en Spenglers de oorzaken van het verval vooral in de geestelijke nivellering die het onderwijs teistert en in een lamzakkige houding van de huidige elite, die schroomt zichzelf een vooraanstaande positie in de samenleving toe te dichten en daardoor de verantwoordelijk heden uit de weg gaat die bij die positie behoren. Het hoeft geen betoog dat het onderwijs kan worden gehekeld. Maar het gaat de nieuwe doemdenkers niet om meer geld voor het aantrekken van leraren en onderwijzers die zelf kunnen rekenen en schrijven, ze concentreren zich op «een mentaliteit» en «een verziekte cultuur».

De leraar moet het gezag terugkrijgen waardoor hij weer meester wordt, en zijn leerlingen behoeven discipline en gezags getrouwheid waardoor ze weer werkelijk leerlingen zijn; ieder moet zijn plaats kennen en daarvoor zijn geen budgettaire wijzigingen nodig, maar een «cultuur omslag». En dus moet er flink worden geschreven en georeerd. In een door velen geroemde acceptatiespeech bij de uitreiking van de Gouden Ganzenveer hekelt de eerder genoemde Zeeman de drie instituten waar hij zelf werkzaam is, of was: de krant, de universiteit en de televisie. Zeeman zegt hetzelfde als de Spaanse denker Ortega y Gasset zeventig jaar eerder in De opstand der horden: maatschappelijke nivellering heeft de elite een gevoel van verantwoordelijkheid ontnomen.

Een andere publieke intellectueel, Bastiaan Bommeljé, schreef afgelopen maand in het door hem geleide Hollands Maandblad dat Nederland «geen plek» is «om gerust naar de toekomst te kijken», omdat «de elite van nu» haar «usurpatoren» geen «goede burgerlijke vorming» heeft meegegeven. «Vooral dat is hun kwalijk te nemen», want daardoor is «hun erfenis een verkruimeld zandkasteel van politiek correcte gemeenplaatsen midden in een intellectuele woestijn waar SBS6 en Yorin de belangrijkste culturele horizon vormen».

En daar is-ie dan: de veroordeling van het zogenaamd «politiek correcte». Het vormt de kern van het hedendaags Hollands cultuurpessimisme. «Lange tijd», zo schrijft Jaffe Vink, chef van het katern Letter & Geest van Trouw, in een bijna honderd pagina’s tellende brief aan zijn dochter, «zorgde een verstikkende en bedreigende atmosfeer» ervoor «dat veel mensen niet durven vertellen wat ze weten en niet durven zeggen wat ze denken». Nu die dreigende sfeer is verdwenen (sic!), struikelt Vink over zijn eigen woorden in zijn zucht de walgelijke tekenen des tijds te schetsen. Met de ondertitel: «Een tocht door het pandemonium van seks en geweld» en in een merkwaardige mengeling van goedkope demagogie en ongepaste popularisering («abdicatie van ons zedelijk beoordelingsvermogen — dat is heavy metal, mijn dochter») doet Vink verslag van de «moleculaire oorlog», een begrip dat hij ontleent aan Enzensberger. De veldslagen van deze oorlog ziet hij dagelijks in kranten berichten en voor zijn deur. De vijanden zijn criminele asielzoekers, de Turkse buurman, voetbalvandalen, wildplassers (echt waar) en linkse criminologen die tezamen «dat permanente feest van drugs, drank, seks & geweld» vieren. Vinks ergernis richt zich op «socialistische theemutsen», een enkele Chinees die «nog niet helemaal bijgekomen lijkt van de koelwagen» (ja, heus) en halfzachte christenen «met hun soeppannetjes» en belachelijke solidariteit, die «ieder besef van de boom der kennis van goed en kwaad hebben verloren». Conclusie: «We weten niet meer wie we zijn, verstijfd en zo bang als de dood, we leven in een permanente leugen. Het gif zit in onze eigen borst.» En: «We zijn blind van barmhartigheid.»

Maar behalve op politieke correctheid, zo ziet de goede verstaander (in dit geval vooral de doorzetter), richt Vinks woede zich ook op het doorgeslagen egalitarisme van de Nederlandse samenleving. Het is volgens Vink de angst om onderscheid te maken die Nederlanders verlamt. «Een walm van naastenliefde en solidariteit heeft decennialang over ons land gelegen en ons het zicht op de realiteit benomen […] Het lijkt soms dat we zo in de ban zijn van ideeën over integratie en gelijkheid dat we de verschillen niet meer zien, laat staan dat we er een oordeel over durven uitspreken.»

Hiermee vat Vink de klacht van al die nijvere commentatoren samen. Dit is geen tegenstem, maar de gevestigde opinie van vandaag. Daarom is ook nergens te zien dat we in de ban zijn van ideeën over gelijkheid, zoals Vink beweert. Zo zou Vink zelf in zijn krantenkatern nooit een artikel plaatsen dat blijktgeeft van die ban, of collectieve verdwazing. Ook in de verkiezingscampagne, toch het podium bij uitstek voor de viering van politieke wanen en publieke hallucinaties, was niets te merken van enig verlangen naar nivellering. Het was geen thema, op welk terrein ook. Niet voor niets verschijnt een helder boek als dat van Hoo gerwerf bij een marginale uitgeverij als Damon en blijft het zonder enige reactie. Hoogerwerf zegt zelf voorzichtig: «Door de invloed van het politieke marktdenken waarin de financiële doelmatigheid voorop staat, en door postmoderne manieren van denken waarin de nadruk ligt op de verscheidenheid van mensen en culturen, is het gelijkheidsstreven in het laatste kwart van de twintigste eeuw enigszins op de achtergrond geraakt.»

Dat kun je wel zeggen. Toch is het streven naar verdergaande gelijkheid geen frats van de babyboomers, zoals Michaël Zeeman beweert. Net als zijn cultuurpessimisme is het van alle tijden en zeker ook van deze. Op een interessanter niveau van politiek denken dan op de Nederlandse opiniepagina’s is te vinden, komt het idee van gelijkwaardigheid als basis van de belangrijkste ideologieën ook geenszins in gevaar. Wat Hoogerwerf beweert, is onderbouwd in het werk van de filosoof en rechts geleerde Ronald Dworkin. Hij toonde dat juist in de laatste tien à twintig jaar alle grote politieke theorieën zijn gebaseerd op een idee van «treating people as equals». Noties van rechtvaardigheid, vrijheid en gemeenschap baseren zich alle, op hun eigen specifieke manier, op een idee van gelijkwaardigheid — juist in de erkenning dat mensen verschillend zijn. Zowel in het meest rabiate marxisme als in het libertarisch denken van Nozick of het conservatieve gedachtegoed van iemand als Margret Thatcher draait alles om een idee van gelijkwaardigheid. De bekendste manier om iemands politieke principes te beschrijven, is hem ergens te positioneren op een links-rechts-schaal. Uiterst links staat een blinde verdediging van gelijkheid, en uiterst rechts een even blinde verdediging van vrijheid en eigendomsrechten. Dworkin laat zien dat dit een onjuist beeld is. Juist liberalen eisen dat de regering haar burgers in gelijke gevallen gelijk behandelt. Alleen fascisten en enkele laatste premodern denkende aristocraten eisen de ideologische herbevestiging van verschillen tussen mensen, vooral in rang, ras en stand. Natuurlijk kan het abstracte idee van gelijkheid verschillend worden geïnterpreteerd, zo toont Dworkin. Maar het debat gaat daarbij slechts om welke specifieke soort van gelijkheid uit het abstracte idee moet worden gedestilleerd: of dit inkomen betreft, welvaart, mogelijkheden, rechten, vrijheden of privileges.

Op plaatsen waar het denken er werkelijk toe doet, gaat alle aandacht nog altijd uit naar het bevorderen van gelijkheidwaardigheid: in het Europese Hof, bij de Verenigde Naties, in de kantoren van de Wereldbank, et cetera. Dat komt niet in de laatste plaats omdat de wereld zeker in materiaal opzicht ook helemaal niet is genivelleerd. Integendeel. Hoe voortreffelijk func tioneel en doelmatig de markt ook is, na decennia van neo liberaal monetair en economisch beleid bezitten de drie allerrijkste mensen van de wereld, volgens het Human Development Report van twee jaar terug, meer dan het bruto nationaal product van de 48 armste landen bij elkaar opgeteld. Bovendien hebben vierhonderd multimiljonairs (de beroemde Fortune-lijst) samen méér te besteden dan de helft van de wereldbevolking.

Maar waarom hoor je onze «publieke intellectuelen» daar nooit over? Is de kwaliteit omlaag gegaan van de Heijnes, Zeemannen, Pepers, Cliteurs, Plasterken, et cetera? Nee. De aanklagers van de tekenen des tijds zijn doorgaans begenadigde denkers. Ter verklaring en wellicht troost schreef David Hume al meer dan twee eeuwen geleden: «De neiging het heden te hekelen en het verleden te bewonderen, is diep geworteld in de menselijke natuur. Zelfs de meest diepzinnige en erudiete mensen, met de beste beoordelingsvermogens, hebben er last van.»

Nieuw lijkt wel dat deze erudiete personen «met de beste beoordelingsvermogens» momenteel niet meer geïnteresseerd blijken in de geleidelijke maar onmiskenbare expansie van het oude verlichtingsideaal gelijke gevallen gelijk te behandelen. Dat bleek heel nadrukkelijk uit de lauwe reacties van columnisten en intellectuelen toen Pim Fortuyn, uit naam van de vrijheid van meningsuiting, een aanval deed op artikel 1 van de grondwet. «Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.» Niemand heroverwoog de klassieke verdediging, die berust op het argument dat alle mensen nu eenmaal mens zijn en dus in één bepaald, zeer belangrijk opzicht gelijk zijn en daardoor gelijkwaardig.

Humanisten legden niet uit waarom dit voor hen een «redelijk» argument is, christenen benadrukten niet dat het beginsel voor hen geen intellectuele verdediging behoeft, omdat de Schrift ieder mens gelijkheid heeft gegeven door schepping, zonde en genade. Ook verklaarde niemand dat het gelijkheidsbeginsel — en dit was een heel populaire — van zo’n hoge orde is dat het niet kan worden bewezen. Voor sommigen spreekt het beginsel vanzelf, omdat het in zichzelf ligt besloten. Om partijpolitieke redenen had men wel aandacht voor de uitspraken van Fortuyn. Maar in het publieke debat ging het over een «opzetje» van de Volkskrant, of over vermeende en zeker oneerbare banden van journalisten met de PvdA, of over de toekomst van Leefbaar Nederland zonder Pim Fortuyn, of gewoon weer over Fortuyns dassen en pakken. Verder maakten Neerlands publieke intellectuelen zich in die dagen druk over de slechte resultaten die werden gescoord in een landelijke geschiedenisquiz. Opnieuw was er sprake van een «verwoestende nivellering die in het onderwijs heeft plaatsgehad».

Misschien is door het progressieve streven naar gelijkheid inderdaad af en toe een uitzonderlijk talent tussen de raderen van de machine geraakt. O hemeltergend beeld: een jongen van dertien die Shakespeare had willen vertalen, maar van de leraar moest voetballen, «gewoon net als de rest». Gelijke monniken, gelijke kappen. Maar om daar het centrale punt van je intellectuele arbeid van te maken… Bolkestein zei tijdens de eerste paarse kabinetsperiode: «Gezegend zij het land dat zich politieke verveling kan veroorloven.» Daar is weinig tegen in te brengen. Maar we kunnen ons afvragen of het denkend deel der natie zich in die verveling kan permitteren zijn energie volledig te wijden aan een (her)bevestiging van het onderscheid der mensen. Met sneren naar «humanitaire zoetsappigheid» (Vink) en met het bij voortduring willen slechten van «politieke taboes en een ideologisch esprit de corps» (Cliteur) concentreert de culturele en intellectuele elite zich op een uitwas van de beschaving, die slechts in hun eigen omgeving een zogenaamd «vernietigende werking» heeft. Terwijl zij zich richt op het slechten van de «verstikkende linkse politieke correctheid» ziet ze de werkelijke monsters niet meer. Daarmee overschat ze de stabiliteit van de beschaving. Niet alleen de moord op Fortuyn, maar ook de uitspraken van LPF-oprichter Langendam en de doodsbedreigingen die daarop volgden, tonen hoe flinterdun de beschaving is. Eenmaal gevestigde regels van omgang betekenden plotseling niets meer. Inmiddels is in kranten en op radio en tv al zo vaak gezegd «waar het op staat» dat de politieke correctheid de facto allang is omgedraaid. Het is nu juist volstrekt correct om, net als Jaffe Vink en Paul Scheffer, bij elke gelegenheid je woede te uiten over de onverstaanbaarheid van de politicus, over poep op de stoep en troep in de straat.

De intellectuele elite is vergeten wat de betekenis is van de verlichtingsidealen vrijheid en gelijkheid. Ze dacht er ook weinig meer over na. Het denkende deel der natie was te druk met het uitweiden over de keerzijde van het propageren van de mensenrechten (een «verstikkende sfeer») en het benadrukken van de nadelen van internationale solidariteit (mislukte vredesmissies en verspilde ontwikkelingsgelden), weet zich geen raad met de vox populi, en heeft geen idee meer wat de argumenten ook alweer zijn tegen de opmerkingen van het advocatenduo Spong en Hammerstein. Om antwoorden te vinden, kan het boek van Hoogerwerf dienen, of wellicht dat van Pieter Roscam Abbing. De belangrijkste waarde van dat boek is dat er opnieuw duidelijk in wordt dat het gelijkheidsstreven voortkomt uit de christelijke normen en waarden die Balkenende, Hirsch Ballin en ook Jaffe Vink in ere willen herstellen en die zij samen met Paul Cliteur, de voorzitter van het Humanistisch Verbond, terecht willen verdedigen tegen de opvattingen in «inferieure culturen». Het gelijkheidsideaal is een belangrijk deel van de westerse cultuur, die inderdaad moet worden beschermd tegen aanvallen van buitenaf, of die nu van Nederlandse imams komen, uit bergspleten in Jemen of vanaf de stranden van Benidorm.

Terecht herhaalt de Amerikaanse filosoof Richard Rorty al jaren dat een burger sommige overtuigingen moet koesteren alsof het om een universeel geldende natuurwet gaat, zoals artikel 1 van de grondwet, al weet die burger na enig doordenken dat het hier een cultureel gebonden geloofsartikel betreft. Het gelijkheidsideaal leidt niet direct tot cultuurrelativisme, zoals Jaffe Vink beweert, maar kan juist inzet zijn van de strijd.

Met zijn analyse van «gelijkheid» als basisbegrip van alle, schijnbaar tegengestelde hedendaagse politieke manieren van denken, geeft Ronald Dworkin voor een belangrijk deel antwoord op de vraag wie we zijn. Anders dan voor Vink geldt voor hem dat de identiteit van een natie of volk wordt gevormd door hetgeen men deelt, niet door wat men onderscheidt. En het door een nieuw leger modieuze onheilsprofeten gehekelde gelijkheidsideaal is daar deel van, net als solidariteit en «humanitaire zoetsappigheid».