De verlichte held De sportman in de film

De verlichte held

Het beeld van de moderne sportheld heeft met de werkelijkheid niets te maken. De sportfilm illustreert dat.

Wanneer de Amerikaanse voetbalfilm Goal! van de Brit Danny Cannon deze week feestelijk in première gaat, zal de voltallige selectie van Ajax van de partij zijn. Zij hoeven niet eens ver te lopen. De festiviteiten en de film vertoning vinden plaats in de bioscoop Pathé Arena, gelegen in de Bijlmermeer vlak naast de Amsterdam Arena.

Hoe problematisch vooral de voetbalfilm kan zijn, zullen de spelers van Ajax daar aan den lijve ondervinden. Goal! is namelijk een uitputtingsslag. Het is een erg slechte film. Het verhaal draait om clichés. De jonge Mexicaan Santiago Munez (Kuno Becker) krijgt de kans te voetballen bij de Engelse club Newcastle United. Het verdere verloop behoeft nauwelijks uitleg: tegenslagen op het trainingsveld, een verpleegster met een laag decolleté, de verlokking van het grote geld, een vaderfiguur langs de lijn en het winnende doelpunt in de alles-of-niets-finale.

Voorspelbaarheid hoeft geen probleem te zijn in de sportfilm. Het spelen met het verwachtingspatroon van de kijker is immers integraal deel van het genre. Dat illustreert Umberto Eco in zijn essay over Michael Curtiz’ meesterwerk Casablanca (1942). Eco’s titel is veelzeggend: Casablanca: Or the Clichés Are Having a Ball. Eco toont aan dat Curtiz’ film een klassieker is, juist omdat de kijker er arche typen in herkent.

Het probleem met realistische, herkenbare sportfilms als Goal! is echter dat de kijker het gevoel krijgt dat hij het verhaal de vorige dag al in de krant heeft gelezen. Dat wil zeggen: het is allemaal oud nieuws. En het wordt ook nog koud opgediend. Munez is bijvoorbeeld een Ron Vlaar die op jonge leeftijd in het eerste van AZ staat en dan wonder boven wonder ook nog voor Oranje mag uitkomen, of een Steven Pienaar die de door misdaad geteisterde, arme wijken van Johannesburg is ontvlucht en zich vervolgens onmisbaar heeft gemaakt in de selectie van Danny Blind. Drama is er genoeg in de arena van het echte leven, en in de echte Arena. Wat is derhalve nog het verschil tussen de verzonnen Santiago en de genoemde echte spelers, tussen de Arena van de film en de Arena van het voetbal?

Het wordt nog ingewikkelder. De legendarische Alan Shearer, een godheid in Newcastle, maakt zijn opwachting in Goal!, net als David Beckham, Zinedine Zidane en Raul. Zij zijn «acteurs» die zichzelf «spelen». Hieruit vloeit overigens het enige moment van inspiratie in de film voort. In het krachthonk traint Santiago met gewichten. Opeens staat Shearer naast hem. Eerbiedig maakt de jongeling plaats voor de grote ster, die zich erover verbaast hoe weinig gewicht Santiago kan tillen met zijn been. Hij glimlacht, en zet het apparaat een aantal tandjes hoger, op de Shearer-stand. Shearer is tijdens dit moment niet Shearer, hij is de personificatie van «Shearer!», de euforische kreet die Engelse voetbalcommentatoren iedere keer uiten wanneer de levende legende een schot op doel waagt. Shearer is met andere woorden een dichterlijke weergave van zichzelf geworden.

Vanwege de grote culturele betekenis van de sportfilm en door de ontwikkeling waarbij sportsterren in toenemende mate beroemdheden zijn, is er een neiging tot het fictionaliseren van sport. Het verzinnen van sporthelden en het instandhouden van de cultus om hen heen zijn niet alleen artistiek gemotiveerd. Politieke en economische motieven spelen ook meer en meer een rol. In de nieuwe commercial van sportschoenenfabrikant Adidas belanden voetbalberoemdheden als Beckham, Michael Ballack en Raul in een futuristische wereld. Hier bestaat het «voetbalveld» uit een stalen constructie die als het ware in de lucht hangt. Op de ijzeren palen van het bouwwerk vindt het spel plaats. Niet helemaal duidelijk is uit wat voor materiaal de zilverkleurige bal is gemaakt. Metaal? De bal is, net als de setting, onwerkelijk. Hij maakt een soort schurend geluid wanneer hij over de palen rolt en de spelers hun balvaardigheid illustreren. Er heerst een sfeer van dreiging en geweld. De spelers moeten allerlei levens gevaarlijke passeerbewegingen maken voordat zij een schot op doel kunnen richten. Wie zijn balans verliest, stort de on bekende diepte in.

De reclamefilm heet Impossible Field en doet qua sfeer en materieel denken aan een ander sportveld van de verbeelding: dat in Norman Jewisons film Rollerball uit 1975. In de wereld van de film maken niet nationale staten maar multinationals de dienst uit. Deze bedrijven beheren het rollerball-spel, een gewelddadige mengeling van ijshockey, rolschaatsen en American football. In de toekomst, waar het verhaal zich afspeelt, is het publiek voor deze sport massaal en internationaal. Sport is geen cultuur of tijdverdrijf meer. Sport vervult tegen die tijd cruciale politieke, religieuze en psy chologische functies. Aan het begin van iedere wedstrijd klinkt niet het nationale volkslied, maar het «corporate» volkslied. En dan begint het. De rollerball-sport biedt een uitlaatklep voor agressie. Er zijn geen regels. Alles mag. In de rollerball-arena’s vallen echte doden. Dit accepteren de spelers gelaten, want zij zijn internationale beroemdheden. De keerzijde is dat hun leven volledig onder controle staat van de eigenaar-ondernemer.

Opkomst: de held, Jonathan E. (James Caan), veteraan van het spel. Wanneer het bedrijf beslist dat hij zijn carrière moet beëindigen, verzet hij zich. Niet langer accepteert hij de regels van bovenaf. Hij eist zijn vrijheid op; hij eist belangrijker te zijn dan het spel. De corporates weigeren. Het spel, dat is alles, het merk rollerball is als spirituele ervaring be langrijker dan de speler. Dan de laatste wedstrijd. Jonathan E. blijft als enige speler staande. Het publiek wordt wild. Jonathan E. is nu de held van de massa. En dat moment is ook het moment van zijn finale ontmenselijking. Hij is ontdaan van enige betekenis, hij is een leeg beeld, hij bestaat nu slechts als het merk Jonathan E.

Het culturele belang van Rollerball is aanzienlijk gebleken. Net als in de film zijn moderne voetballers het eigendom van bedrijven geworden. Maar de meest bizarre overeenkomst is het spelen van het corporate volkslied voor het begin van iedere wedstrijd in de Champions League. Misschien is dat gepast. David Beckham behoort in feite toe aan Pepsi en Adidas en Michael Ballack is als «merk» van Adidas, TCom en Playstation. Overeenkomstig Rollerball zijn Beckham, Ballack en Raul niet alleen reclamemerken, zij zijn ook celebrities over wie miljoenen mensen over de hele wereld dagelijks dromen.

Bij dit alles rijst de vraag: waar is de rauwe sportheld gebleven? De merkloze mens, de bescheiden held van de massa? Hij is verdwenen in de pen van de schrijver, de grap van de reclamemaker, de camera van de cineast en de fantasie van de dichter. In de koortsdroom van bijvoorbeeld Norman Mailer, die in 1975 schrijft over de Rumble in the Jungle, over Ali: «There is always shock in seeing him again… For he is the Prince of Heaven – so says the silence around his body when he is luminous.»

De Ali-cultus illustreert dat sport een religieuze ervaring is. Dat betekent dat er voor realisme geen plaats is. Sterker, realisme is funest in de sportfilm. Exemplarisch is een vergelijking tussen Goal! en een film die op het oog geen traditionele sportfilm is, maar die alle ingrediënten van een goede sportfilm bezit: Shaolin Soccer (2001) van Stephen Chow, het nieuwe wonderkind van de Hongkongse cinema. Net als Munez in Goal! is er ook in Shaolin Soccer een arm en onontdekt talent. Zijn naam: Mighty Steel Leg Sing, gespeeld door Chow zelf. Chow, die een nooddruftig bestaan leidt als schoonmaker, droomt van een leven als sportheld. Als hij zijn kungfukunstjes op het voetbalveld gebruikt, blijkt dat hij fenomenaal goed kan voetballen. Binnen de kortste keren heeft hij een team samengesteld, bestaande uit familieleden die eruitzien als arme sloebers, maar die net als Chow beschikken over onmogelijke voetbaltechnieken.

Anders dan bij Goal! druipt het plezier van Shao lin Soccer af. Chows belangrijkste stijl figuur is de hyperbool. Hiermee slaagt hij erin vorm te geven aan de mythologie van de sportheld, met alle euforie en tragiek die hiermee gepaard gaan. Chow doet bijvoorbeeld zijn bijnaam, Stalen Benen, eer aan door vanaf de middenstip de bal met een paar onmogelijke draaien in het doel te schieten. Door de werkelijkheid uit te vergroten tot de overtreffende trap bevat Chows film op ironische wijze de essentie van de waarheid: de sportheld, een Beckham of een Pierre van Hooijdonk, onderscheidt zich van de gewone speler door zijn magische traptechniek.

Precies het tegenovergestelde gebeurt in Goal! De makers van de film hebben geprobeerd op realistische wijze een voetbal wedstrijd in beeld te brengen, maar daarmee hebben zij alleen maar geïllustreerd dat het, ondanks alle spe cial effects, nog niet mogelijk is de sou plesse van de volmaakte vrije trap na te bootsen.

In de cinematografie bestaat de realistische sportheld slechts als «verlicht» figuur, om met Mailer te spreken, als poëtische constructie, als een Chow of een Jake La Motta, de bokser in Raging Bull, Martin Scorseses beroemdste werk. Als sportfilm is Raging Bull perfect: vervreemdende boksbeelden in zwart-wit, scènes gehuld in rook en lichaamsbeweging die slowmotion in beeld is gebracht. Deze stijl is onlangs effectief nagebootst door Ron Howard, regisseur van de uitstekende boks film Cinderella Man. Met de realiteit hebben Jake La Motta, Jimmy (Russell Crowe) in Cinderella Man en Stephen Chow in Shaolin Soccer niets te maken. In hun voetsporen volgen nu de Beckhams, Rauls en Ballacks.

Goal! is te zien vanaf 20 oktober

Shaolin Soccer is uit op dvd