Polderislam Hoe kweek je polderimams?

De verlichte voorganger

Een moderne, in Nederland opgeleide imam kan een sleutelrol spelen bij integratie. Maar het kweken van de ideale polderimam blijkt niet eenvoudig te zijn. De eerste opleidingen staan wankel in de kinderschoenen. En wat is een imam eigenlijk?

NIET MEER IMAMS laten invliegen uit Turkije, Marokko of het Midden-Oosten, maar opleiden op eigen bodem. Zo creëer je in de circa vierhonderd moskeeën voorgangers die op den duur wél Nederlands spreken, die de leefwereld van opgroeiende moslims begrijpen en de westerse waarden kennen en onderkennen.
Met dit strategische doel vatte de overheid na 11 september 2001 het plan op om een Nederlandse imamopleiding op te richten. Een logisch idee, want polderimams kunnen met hun gezag binnen de moslimgemeenschappen een cruciale rol spelen bij integratie en emancipatie. Zij zijn bovendien inzetbaar als geestelijk verzorger in ziekenhuizen, in het leger of als hulpverlener bij ontspoorde allochtone jongeren.
Maar de uitvoering van deze wens bleek niet zo eenvoudig. De rol van de overheid in een seculiere staat is zeer beperkt als het om religie gaat. De staat mag zich grondwettelijk niet bemoeien met de belijdenis of inhoudelijke boodschap, de interne organisatie, de opleiding en het aanstellen van geestelijk leiders. De overheid kan slechts financiële voorwaarden scheppen en initiatieven van moslims faciliteren.
Bij moslims bleek weinig enthousiasme te bestaan voor het Hollandse model waarmee dominees en pastoors sinds de negentiende eeuw worden opgeleid. Bovendien is het competentieprofiel van de imam niet scherp omlijnd en is binnen de islam geen sprake van één duidelijk opleidingstraject. Er zijn vele varianten die worden bepaald door de verschillende stromingen en moskeebesturen in het thuisland.

IN HET IN 2003 verschenen rapport Imams in Nederland: Wie leidt ze op? van de Adviescommissie Imamopleidingen werd na een inventarisatie geconcludeerd dat ‘een voor de hele moslimgemeenschap aanvaardbare imamopleiding op universitair of hbo-niveau wegens onderlinge diversiteit een onhaalbare zaak is’. Voorzichtig werd gesteld dat het belangrijk is om samenwerking aan te gaan met bestaande islamitische vertegenwoordigende organen. Maar dan nog: bij wie zoek je aansluiting? In het rapport worden alleen al vier Turkse, een Marokkaanse, een Surinaams-Pakistaanse en diverse kleinere organisaties genoemd. Het gebrek aan duidelijkheid over wie namens welke moslims spreekt, maakte het plan van een brede, meer uniforme imamopleiding knap lastig.
Toch zijn er op drie plaatsen in Nederland studies gestart die studenten opleiden tot imam en islamitisch geestelijk leider. Aan de Universiteit Leiden geldt voor de studie islamitische theologie de duplex ordo-procedure: in het wetenschappelijke deel wordt iemand opgeleid tot islamoloog en de levensbeschouwelijke ambtsopleiding wordt, net als bij predikanten, strikt gescheiden gevolgd bij een religieuze instelling. Aan de Vrije Universiteit in Amsterdam geldt de simplex ordo, waarbij de wetenschappelijke en religieuze opleiding wél binnen één traject mogelijk zijn. Bij InHolland in Diemen bestaat sinds 2006 de opleiding imam en islamitisch geestelijk werker op hbo-niveau.

HOE GAAT HET met deze opleidingen? Werpen ze al vruchten af? Johan Meuleman, docent bij InHolland, is vanaf het begin betrokken geweest bij de ontwikkeling van het leerprogramma. Meuleman, historicus én moslim, noemt het initiatief een ‘relatief succes’.
Het probleem begint volgens hem al bij de definitie van een imam: ‘In principe kan iedereen die de basisregels en een paar Koranverzen kent als imam optreden. De term dient ook voor personen die als vast geestelijk leider van een bepaalde moskeegemeenschap optreden. Zij hebben meestal een bepaalde opleiding in de islamitische godsdienstwetenschappen genoten, en kennen de Koran (deels) uit hun hoofd. Dan is er nog de imam op hoger niveau, die lang heeft gestudeerd en groot aanzien heeft. Veel moslims hier verwachten van hun imam vooral dat hij op vrijdag een stemmige preek houdt, hun volgens de klassieke islamitische jurisprudentie adviseert bij familieaangelegenheden en zorgt voor de rituelen bij zaken als huwelijk en dood. Bij de jongere generatie leven echter andere verwachtingen. Zij wensen een imam die hen – letterlijk en figuurlijk – in hun eigen taal toespreekt en hun spirituele en sociale raad en leiding geeft bij concrete kwesties waarmee zij binnen de moderne Nederlandse samenleving worden geconfronteerd. De Nederlandse imamopleiding moet aansluiten bij die behoefte.’

VOLGENS MEULEMAN is het achterliggende idee dat Nederlandse imamopleidingen bijdragen aan de sociale integratie op zichzelf juist. ‘Maar het was indertijd ook een politieke manoeuvre van minister Rita Verdonk en Mark Rutte, ondersteund door het CDA, om aan de Kamer te laten zien dat ze concreet aan integratie bouwen. Het is dubbelhartig. Enerzijds wordt telkens gezegd dat de inhoud van de opleiding een zaak is van de islamitische gemeenschap. Anderzijds bestaat er altijd wantrouwen tegenover initiatieven van moslims. Als puntje bij paaltje komt, ligt de beslissing bij niet-moslims omdat er relatief weinig hoogopgeleide moslims zijn. Moslims wantrouwen dan op hun beurt het initiatief tot een nieuwe opleiding. Het gaat er bij de samenwerking bovendien niet over of iemand competent is, maar welke groep of stroming hij vertegenwoordigt. In Leiden wordt bijvoorbeeld contact gelegd met de Nederlandse Islamitische Federatie, vooral met de dicht bij de traditie van de Moslimbroeders staande groep daarbinnen en met een complex van Marokkaanse moskeeën rondom Yahya Bouyafa. Binnen de Vrije Universiteit wordt voortdurend geprobeerd contact te krijgen met de Turkse gemeenschap en de Turkse overheid en aanvullend met de Marokkaanse gemeenschap en overheid. Al die clubs worden tegen elkaar uitgespeeld en spelen onderling ook spelletjes.’
Bij InHolland wordt samengewerkt met vijf koepelorganisaties die zijn aangesloten bij het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO), dat in 2004 door de overheid is erkend als officiële gesprekspartner. Naast theologische vakken en Arabisch zijn er competenties op maatschappelijk gebied, zoals pedagogiek. De studenten zijn allemaal moslims. Volgend jaar studeert de eerste lichting af. Meuleman: ‘Maar niemand daarvan heeft de ambitie om imam te worden. De meesten willen geestelijk of pedagogisch werker worden, of doen deze opleiding naast een andere studie. Het punt is ook dat een imam geen hoge status heeft. Imams krijgen een mager salaris. Wat ik hoor van studenten is dat ze een goed moslim willen zijn en de rituelen en de uiterlijke zaken willen kennen. Ze willen de Koran en de hadith leren en daarnaast een écht vak leren. Een kleine groep wil wel een maatschappelijke rol spelen, maar het slaat nog niet echt aan. Een andere, westerse invulling van de functie imam is een langdurig en pedagogisch proces.’
Meuleman stelt dat de opleidingen nog ver afstaan van de gemeenschap. ‘De moskeebesturen bestaan uit laagopgeleide, conservatieve mannen. Tegelijk neemt het aantal goed opgeleide jongeren die méér willen wel toe. Die groep moet je kanaliseren, terwijl je goed naar de gemeenschap moet blijven luisteren. Ook merk ik dat jongeren zich sterk laten leiden door geestelijk leiders op het internet. En daar wordt heel wat onzin uitgekraamd. Als de overheid een rol wil spelen, dan moet ze niet dirigeren maar de goede mensen die de gemeenschap naar voren schuift faciliteren.’
Ook theologe Nelly van Doorn-Harder, docent contemporaine islamitische theologie aan de Vrije Universiteit, zegt dat je ervoor moet waken dat je te Hollands denkt: ‘Polderimam is ook niet het juiste woord. Je wilt iemand die de post-Verlichtingsgeest begrijpt. De nieuwe imamopleiding is uniek in de westerse wereld en we zijn nog aan het experimenteren. De overheid heeft een belangrijke stap gezet. Er is startgeld gegeven en de accreditatie is geregeld. Op de VU wordt samengewerkt met moslimorganisaties die voornamelijk traditioneel zijn, want anders schrik je hen af dat het te westers is. We hebben moderne denkers als gastdocent. Maar er is enorme beweging binnen de islamitische gemeenschap in de westerse wereld. Dat levert bijvoorbeeld in Amerika vrome moslims op die ook punk zijn. Het reflecteren op het geloof is in arme landen een luxe, hier is daar wel tijd en ruimte voor. De interpretatiestrijd is nu volop bezig. Daar komt onvermijdelijk een ander type imam uit voort.’