Tussen nuffigheid en krijtdamp

De Verlichting

Over de veelbetekenende Verlichting van Johann Pezzl, Cyrille Offermans en Gerrit Paape

Johann Pezzl (1756-1823) is de schrijver van een nauwelijks nog bekende roman die in 1791 een Nederlandse vertaling beleefde. De oorspronkelijke uitgave kwam uit in 1783, in Zürich. Het boek kende ook buiten het Duitse taalgebied succes; het werd behalve in het Nederlands ook in het Frans vertaald. In vertaling draagt de roman de titel Faustin, of de philosoofsche eeuw. Het is een roman over de achttiende eeuw. Het einde van de eeuw was in zicht en het werd tijd voor een terugblik. Pezzl, die kan bogen op een biografie die in wonderlijkheid niet wijkt voor die van een romanpersonage, was bijna benedictijn geworden. Na zijn vertrek uit het klooster maakte hij zich uit de voeten, enkele van zijn boeken werden verboden. Zijn roman zou een Duitstalige Candide zijn en dat klinkt niet verkeerd. In het boek reist een zekere Faustin door Europa. Hij neemt daarbij zijn lelijke voorkomen mee: hij is niet «bevallig» en op bladzijde twee lijkt zijn neus «meer het eigendom van eenen Afrikaanschen Neger». Min of meer overgeërfd ongerief, want zijn vader was in zijn jaren als soldaat op zekere plaats zo bevroren dat hij de kans op nageslacht verspeeld leek te hebben, maar als bij toverslag droeg een echtverbintenis vrucht. Er was in Beieren een romanpersonage geboren, Faustin, een jongen.

In het klooster, waar zijn vader als kamerdienaar van de abt werkt, houdt de zoon het niet lang uit. Als hij verbannen wordt, begint zijn reis door Europa, op zoek naar de waarheid, naar de Verlichting. In Spanje deugt er niet veel van: de inquisitie laat de Verlichting branden. In Italië is het ook niet best, maar dan Frankrijk. Aan de Franse grens deelt de opwinding zich aan Faustin mede. Het is het land «van MONTESQUIEU, van DIDEROT, van D’ALEMBERT, van HELVETIUS, en van de grootste aller Philosophen, de onsterflijke AROUET!» Frankrijk is «wieg en bakermat der Encyclopedie, dat meesterstuk, dat non plus ultra van alle menschlijke kennis!» Wat later reist Faustin ook Rousseau nog achterna. Hij kent zijn canon van de Verlichting. Die canon is Frans en filosofisch: Montesquieu, Diderot, D’Alembert, Helvetius, Voltaire en Rousseau. Bij nader toezien neemt Faustin echter afstand van de beschouwelijke en nauwelijks op het echte leven toegesneden Verlichting van Voltaire. Faustin steekt over naar Engeland, maar de extase blijft uit.

Engeland is hier niet het land van Locke, van het wetenschappelijk experiment, van Hume. De Verlichting is elders. En de Republiek, daar komt Faustin voorlopig niet. Voor hem was de ware Verlichting in Wenen te vinden; «de philosoofsche eeuw» werd beleefd onder de regering van Joseph II. Ook anderen elders, zoals de «vrolijke wijsgeer» Gerrit Paape (1752-1803) hadden een zwak voor de Oostenrijkse monarch.

Zo de Verlichting echter eeuwenlang iets was, dan wel Frans en filosofisch. Aan dat misverstand lijdt ook de bloemlezing over de Verlichting uit «brieven, essays en verhalen» die Cyrille Offermans in het wonderjaar 2000 onder de titel Het Licht der Rede samenstelde en inleidde. Het is een prachtig boek, het zijn belangwekkende teksten die Offermans in de bloemlezing aanreikt. Offermans is een ernstig mens en meer dan eens heeft hij het grootste gelijk van de wereld Met veel flair schetst hij een beeld van de Verlichting. Imposant is daarbij zijn stelligheid: Frankrijk is ook hier, net als in de hysterie van Faustin, de bakermat van de Verlichting. Engeland is dat enkel «in zekere zin», Duitsland is het volgens Offermans niet en de Republiek zelfs zo erg niet dat die in de inleiding langdurig ongenoemd blijft.

Volgens Offermans is de Verlichting «ten nauwste» verbonden met de opkomst van de stedelijke burgerij, «die zich wil bevrijden van overgeleverde, vrijheidsbeperkende politieke en religieuze instituties». Dit is zo geleerd en algemeen gezegd dat het nergens meer over gaat en Offermans lijkt zich dat te realiseren, waar hij zijn lezers waarschuwt dat «wij» «ons» moeten hoeden voor generaliseringen. Wij, ons!?

Met de opkomst van de burgerij is het als met de misdaad: die neemt voortdurend toe. Kwam die burgerij ook al niet in de Middeleeuwen op? Die burgerij maakte er de voorbije eeuwen een potje van, die kwam voortdurend op.

De Verlichting die Offermans ons presenteert is ouderwets en nuffig. Hij zegt dat hij «de Verlichting, conform de traditie, beperkt tot ruwweg de achttiende eeuw». Ook ruimtelijk legt hij zich een beperking op: «Onomstreden lijkt namelijk de opvatting dat de Verlichting vooral een Britse (in het bijzonder een Schotse), een Franse, en in iets mindere mate een Duitse aangelegenheid is.» Nog steeds geen plaats voor Locke en Hume. Voor een zo kritische geest als Offermans is dit hardnekkige beroep op de traditie en ongenoemde autoriteiten opmerkelijk. Bijna alles wat Offermans over de Verlichting beweert, is Frans en filosofisch en diep en hoog en ernstig.

Wel zijn er op de valreep wat Duitsers – Kant bijvoorbeeld – bij gekomen. Omineus heet bij Offermans de Verlichting in Duitsland «een verhaal apart», ook een manier om te zeggen dat je er geen raad mee weet. Kenmerkend voor zijn afkeer van de Duitse Verlichting is de zin: «Dat het woord Aufklärung in het Duits ook voorlichting betekent en de voormalige ddr zelfs als equivalent voor propaganda werd gebruikt, is veelbetekenend.» Je moet op de Frankfurter Schule een zomercursus gevolgd hebben om een zo kwalijke suggestie voor je rekening te durven nemen. De relatie die Offermans’ goeroes Horkheimer en Adorno legden tussen Verlichting en Auschwitz legt hij niet, maar plots is die relatie er in een geactualiseerde editie: Kant leidt tot Honnecker. Ze spraken beiden Duits!

Maar dan is er plots tijd voor nuancering, we moeten ons immers hoeden voor generaliseringen: Offermans laat weten dat ook andere landen, zoals Nederland en Italië, hun verlichte geesten kenden. Aan ons land gingen beschaving en vooruitgang gelukkig niet geheel voorbij. Offermans ziet het licht in «de renaissancistische, primair op herleving van de klassieken gerichte zeventiende eeuw»: «achttiende-eeuwse Nederlandse schrijvers zijn, zeker in vergelijking met de grote Fransen en Schotten, te weinig origineel en te weinig filosofisch», zo meent hij. Dat gold «ook voor Gerrit Paape, de radicale burger-patriot, wiens verhalen zich de laatste tijd overigens terecht in een hernieuwde belangstelling mogen verheugen».

Dat hij de belangstelling voor Paape «overigens terecht» acht, is mooi. Wie de Verlichting in de Republiek echter reduceert tot de Renaissance en in één pennenstreek de Nederlandse schrijvers van de achttiende eeuw terzijde schuift met het verdict «te weinig origineel en te weinig filosofisch», die heeft niet opgelet. Die is een vreemdeling in Jeruzalem en Israël.

De Verlichting is niet het domein van wijsgeren alleen, ook schoolmeesters tellen mee, ook schrijvers en wetenschappers, ondernemende burgers en nieuwsgierige burgeressen. In de pamfletten die in de achttiende eeuw verschenen, schuilt de ware Verlichting. De Verlichting die wil overtuigen en werven in het echte leven. In romans en tijdschriften, in verhandelingen en verzen, dáár wordt de Verlichting zichtbaar die de kleine kring verlaat en anderen wil verlichten. Eenvoudige lectuur is dat zelden meer.

In het weekblad Heraclyt en Democryt bijvoorbeeld, dat in 1796 en 1797 verschijnt, richt de arts Reinier Dibbetz zich tot zijn lezers om de radicale patriotten die het dan in Leeuwarden voor het zeggen hebben uit het domein van de Verlichting te verjagen. De door Offermans in genade aanvaarde Gerrit Paape was die jaren een van de ingehuurde radicale vuurvreters.

Dibbetz heeft begin 1797 nieuws uit dat Friesland, waarbij hij het leven van de vertrouwde Faustin plotseling verlengt. Het weekblad bevat een brief «uit het Land van Wet en Orde», waarin Faustin aan de oude Democritus verslag doet van zijn omzwervingen. In Frankrijk was hij ternauwernood ontsnapt aan de guillotine, nadien kwam hij naar het gewest «het welk zich thans het land van wet en orde noemt». Dat gewest, waarin Friesland herkend mag worden, viel Faustin niet mee: de inwoners waren dwazen «die aapen waren van de Ingezeetenen eener groote Republicq en de voornaamste acteurs op die beruchte toneelen nabootsten». In dat maffe land van zotten en naäpers waren de schurken van weleer aan de macht, de vrijheid van drukpers was er een voorwendsel voor «schelden».

De implicaties van dit optreden van Faustin in Friesland zijn duidelijk: de Verlichting was er even niet, de waanzin regeerde. Toen later ook nog het rechtscollege, waarvan Paape lid was, een haastig doodvonnis streek, klonk de beschuldiging van moord. De tijden van Robespierre herleefden, als Dibbetz en andere vijanden van de Friese radicalen geloofd mogen worden. Dit optreden van Paape en de Friese radicalen werd in de media niet als verlicht gezien, het was misdadig en van alle beschaving los. Zoals ook het optreden van Robespierre beschouwd werd als misdadig en niet als logische implicatie van de Verlichting. De Verlichting was nabij het schavot niet langer verlicht.

Juist in deze barre tijden, waarin wordt afgedongen op de vrijheid van denken en schrijven, is het debat over de Verlichting liefst niet verheven, niet wijsgerig, maar wel hevig en spannend. In zijn voorbericht bij Faustin, of de philosoofsche eeuw evalueert de anonieme vertaler de stand van die Verlichting in 1791. De «alöm opluikende verlichting» komt naar voren in de vele boeken die «licht en kennis, waarheid en deugd» op deze aarde willen. Successen boekt de Verlichting waar «het bijgeloof, de haatelijke gewetensdwang en het menschbedervend despotismus» slagen worden toegebracht. Om die reden werd de achttiende eeuw wel als «philosoofsche» eeuw gezien, maar, zo vervolgde de vertaler vragenderwijs, «is de wezendlijke verlichting wel reeds zoo algemeen?» Durfde men de waarheid ongestraft te zeggen en had de «waare wijsbegeerte» het bijgeloof en de «verjaarde vooroordeelen» weten te verdrijven? «En worden de rechten van den mensch, ook bij deze, in diervoegen erkend en geëerbiedigd, dat gewetensdwang en het despotismus van onder dezelven zijn verbannen?»

Bange vragen, waar de vertaler veelbetekenend het antwoord op schuldig bleef.

Ook voor Paape, die zich in zijn Friese maanden vooral door ambitie, vrees en revolutionaire bloeddorst had laten leiden, was het nog maar de vraag of de Verlichting aan de winnende hand was. Het was een vraag die hij onophoudelijk stelde, als «vrolijke wijsgeer» en «radicale journalist», en meer dan eens ontkennend beantwoordde.

Mét alle twijfels en mét alle persoonlijke tekortkomingen werd de Verlichting in deze laatste decennia van de achttiende eeuw hartstochtelijk nagestreefd. Juist in de kritiek en in de sombere wegingen komt de verlichte ambitie, de passie voor de Verlichting tot uitdrukking. Uiteindelijk vond de Nederlandse Verlichting haar bekroning in de scheiding van kerk en staat, in de radicale Grondwet van 1798 en in de Schoolwet van 1806.

Voor de eigen public relations heeft de Verlichting in Nederland niet goed gezorgd, dat is misschien een gebrek, maar wie naar de bronnen gaat en zijn neus niet ophaalt voor echte pamfletten, echte romans, echte kranten, echte tijdschriften, die zal kruitdamp ruiken en krijtdamp zien, die zal echte mensen ontmoeten en die zal zien dat de Nederlandse revoluties van 1787 en 1795, dat de staatsgrepen van 1798 misschien niet filosofisch zijn, maar wel heel erg origineel. * Peter Altena is neerlandicus en docent Nederlands