Horkheimer en Adorno revisited

De Verlichting denkt niet meer

Horkheimer en Adorno schreven hun meesterwerk Dialektik der Aufklärung tegen de achtergrond van de shoah. De hernieuwde Nederlandse vertaling verschijnt tegen de achtergrond van het islamitisch fundamentalisme. Eerste conclusie: met vrienden als Wilders heeft de Verlichting geen Bin Laden meer nodig.

Nederlandse soldaten in Uruzgan opgepast: de vijand staat in eigen land. Vergeet de retoriek over een strijd tussen goed en kwaad of de westerse beschaving versus de islamitische horden. De Verlichting vecht in de steden van Irak en de gebergten van Afghanistan tegen haar eigen schaduw.

Wartaal? Het is de onheilspellende conclusie die de onlangs opnieuw in het Nederlands verschenen klassieker Dialectiek van de Verlichting de lezer opdringt. Max Horkheimer en Theodor Adorno, respectievelijk oprichter en prominent medewerker van de Frankfurter Schule, schreven het meesterwerk in de Tweede Wereldoorlog in Amerikaanse ballingschap. De achterliggende ideeën groeiden tijdens dagelijkse huiskamersessies. Adorno (bijnaam ‘nijlpaard’, bedacht door hemzelf en zijn vrouw) discussieerde met Horkheimer (bijnaam ‘mammoet’). Aan Adorno’s echtgenote Gretel Karplus (‘giraf’) viel de ondankbare taak toe voor de notulen te zorgen.

Wat voor de marxist Horkheimer aanvankelijk een theorie over de uitgebleven revolutie moest worden, ging uiteindelijk over de uitgebleven beschaving. Waarom, zo vroegen Horkheimer en Adorno zich vertwijfeld af, verzinkt de mensheid in een nieuw soort barbarij, juist nu het aardse paradijs door de technologische vooruitgang binnen handbereik ligt? En hoe had de shoah kunnen plaatsvinden, uitgerekend in één van de verst ontwikkelde landen, de verlichte thuishaven van dichters en denkers? Van een terugval van de beschaving in de primitiviteit wilden de filosofen niet weten. Het nationaal-socialisme was bij uitstek een moderne beweging. De nazi’s maakten gebruik van de nieuwste technieken en (communicatie)middelen. De joden werden op industriële wijze vernietigd.

In 1947 verscheen het resultaat van Horkheimers en Adorno’s geestelijke inspanningen bij migrantenuitgeverij Querido in Amsterdam. In lastige, intense zinnen werd de pikzwarte boodschap uiteengezet: de oorzaak van de crisis van de Verlichting lag niet bij de ‘speciaal ten behoeve van die terugval verzonnen nationalistische, heidense en andere moderne mythologieën (…), maar bij de in vrees voor de waarheid verstarrende Verlichting zelf.’

Verlichting, dat is in de door Horkheimer en Adorno aangehaalde woorden van Kant ‘het uittreden van de mens uit zijn aan zichzelf te wijten onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand zonder de leiding van een ander te bedienen.’ Wat zich in de twintigste eeuw bijvoorbeeld onder Hitler heeft voltrokken, aldus de schrijvers, is het omslaan van Verlichting in mythe. Maar omgekeerd was de mythe reeds Verlichting. De Griekse en andere mythologieën probeerden de wereld immers al te benoemen, te verklaren en te categoriseren. De natuur moest onttoverd worden. Het doel was de menselijke vrees voor het onbekende en het onverklaarbare – het ‘buiten’ – weg te nemen. Alleen zo zou de mens zich heer en meester kunnen maken van het eigen leven.

De mythen maakten plaats voor de rede en de rationaliteit. Maar ergens in dit ontwikkelingsproces zijn de mensen iets kwijt geraakt. We hebben onderweg wat verloren, schrijven Horkheimer en Adorno: ‘De veelheid aan vormen wordt tot positie en ordening teruggebracht, de geschiedenis tot feiten, de dingen tot materie. (…) het getal werd de canon van de Verlichting.’ De Verlichting abstraheert, homogeniseert en liquideert daarmee ook een deel van de vele, rijk geschakeerde menselijke ervaringen. ‘De Verlichting verhoudt zich tot de dingen als de dictator tot de mensen. Hij kent ze, voor zover hij ze kan manipuleren.’ Het afgewogen oordeel maakt plaats voor het etiket of ‘het hokje’. ‘Ieder wordt vriend of vijand’, schrijven Horkheimer en Adorno met vooruitziende blik.

Die drang tot categoriseren gaat zo ver, dat tegenwoordig alle metafysica, ja zelfs de filosofie an sich, als verdacht te boek staat. De Verlichting wordt gegijzeld door het positivisme. Dat doet iedere poging tot buiten-gewoon denken af als onproductief gebrabbel. De dingen kunnen alleen nog maar in hun onmiddellijke verschijningsvorm bezien worden, niet meer gedacht in hun maatschappelijke en historische betekenis. Zo pleegt de Verlichting verraad aan zichzelf. Ze breekt haar belofte alles, zelfs het denken zelf, kritisch te overdenken. ‘Het denken wordt kortademig. (…) Het intellectuele doordringen van samenhangen wordt als hinderlijke en nutteloze inspanning van de hand gewezen.’ Onze verlichte maatschappij lijdt aan intellectuele astma.

De oorzaak hiervan is juist de moderniteit. Horkheimer en Adorno dichten de door hen gehekelde cultuurindustrie een cruciale rol toe – overigens ook het stokpaardje van andere Frankfurter Schule-hotshots, zoals Herbert Marcuse in zijn Eendimensionale mens. In de consumptiemaatschappij verwordt alles tot marketing en branding. Zelfs de politiek. Iedereen weet dat het verschil tussen de carrosserie van een Volkswagen en een Ford te verwaarlozen is, stellen de twee filosofen. Hetzelfde geldt voor partij A en partij B. De uiteenlopende accenten zijn bedoeld om iedereen, van jong tot oud, van progressief tot conservatief, in te kapselen.

De klaagzang van Horkheimer en Adorno gaat nog verder. Films zijn volgens hen een uitgekiende aaneenschakeling van clichés en voorgekookte grappen. Ze laten ondertussen niets meer over aan de fantasie en het denken van de toeschouwers. Van de radio valt evenmin veel goeds te verwachten. Die nivelleert mensen tot passieve luisteraars. Samengevat: ‘Amusement is de verlenging van de arbeid onder het laatkapitalisme. Het wordt gezocht door diegene, die aan het gemechaniseerde arbeidsproces wil ontsnappen om er opnieuw tegen opgewassen te zijn.’

Je kunt het de moderne mens amper kwalijk nemen dat hij in zo’n wereld aan platvloersheid ten onder gaat of gek wordt. Terwijl de arbeidsdeling verder verfijnt en de technologische kennis groeit, wordt de burger dommer gemaakt. Onder invloed van de cultuurindustrie maakt individualiteit plaats voor ‘pseudo-individualiteit’.

Van het ideaal van de verlichte, mondige mens blijft weinig over. Integendeel. Zelfs de primitieve angst voor het vreemde, voor het ‘onbekende buiten’ is terug van (misschien wel nooit) weggeweest. We waren nog nooit zo bang als nu. De moderne mens is paranoïde. Vroeger bood religie enige houvast, maar God is dood. Voor hem is niets in de plaats gekomen, zeker niet zoiets verlichts als zelfbezinning. Wat rest is louter half-beschaafdheid. Het gevolg: ‘Omdat de reële emancipatie van de mensen zich niet gelijk op met de Verlichting en de geest voltrok, verziekte de beschaving zelf.’

Daarmee is iedere verdedigingswal tegen de barbarij weggevallen. Van de Verlichting als moreel ideaal hoeven we al helemaal niets te verwachten. Het ontbreekt haar aan inhoud, principes – aan een hart. Goed, de Verlichting bracht de rede. Maar die systematiseert alleen maar. Zij is inhoudelijk ‘leeg’. Iedere mogelijke inhoud, affectie of principe – denk aan rechtvaardigheid of menselijke geluk – is voor de Verlichting in strenge zin immers waan. Krampachtig houdt de rede vast aan haar neutraliteit. Zij kan daarom net zo goed misbruikt worden door de vijanden van de menselijke mondigheid. Door de nationaal-socialisten bijvoorbeeld. De burgerlijke rede ‘is doelloze doelmatigheid geworden, die zich juist daardoor voor elk doel voor het karretje laat spannen’, aldus Horkheimer en Adorno.

De gevolgen zijn desastreus, zo laat de shoah zien. Antisemitisme ontstaat wanneer ‘verblinde, van hun subjectiviteit beroofde mensen als subjecten worden losgelaten’. Het treft de joden omdat zij in hun stereotype vorm dat verbeelden, waar de overheersten stiekem naar verlangen: geld verdienen zonder te werken bijvoorbeeld, of geluk zonder macht. Het bizarre is dat de nationaal-socialistische politiek hierbij mag teruggrijpen op de verachte, primitieve natuur – denk aan de doodskoppen, trommels en andere magische praktijken bij hun bijeenkomsten – juist met een beroep op de ratio. ‘Men mag zijn verboden driften botvieren als boven alle twijfel verheven is dat het om de uitroeiing van die driften gaat.’

Zestig jaar geleden filosofeerden Horkheimer en Adorno vanuit hun kersverse ervaringen met de Amerikaanse cultuurindustrie en de shoah. Aan beide kanten van de oceaan had de Verlichting haar belofte van autonomie niet ingelost. Wie de geheel nieuwe Nederlandse uitgave leest – in 1987 verscheen een eerste vertaling bij uitgeverij SUN – kan moeilijk om de vergelijking met het islamitisch fundamentalisme heen. Volgens mensen als Geert Wilders en Leon de Winter is de war on terror een oorlog van de Verlichting tegen haar vijanden. Of worstelt de Verlichting met zichzelf, zoals Horkheimer en Adorno suggereren?

Eén op één vergelijkingen doen geen recht aan de specifieke historische achtergrond waartegen de Dialektik der Aufklärung tot stand kwam. Maar de invloed van de cultuurindustrie op het dagelijks leven is niet afgenomen. De völkische paranoia tiert ook in Nederland welig in de gedaante van het islamitisch fundamentalisme en het nationaal-liberalisme. En we praten nog steeds over dezelfde Verlichting als toen. Die kampt met dezelfde zwaktes. Waar zij bijvoorbeeld niets mee kan, schrijven Horkheimer en Adorno, is het probleem dat ‘de dragers van een en dezelfde rede, in reële tegenstelling tot elkaar staan’. Denk aan de slavendrijver tegenover de slaaf, of de baas tegenover zijn werknemers. Als beide partijen redelijk zijn, hoe kunnen zij dan met elkaar in botsing komen? De Verlichting weet er geen antwoord op. Dus moet de Ander altijd irrationeel zijn. Vandaar dat Osama bin Laden zelden wordt neergezet als de moderne Arabische miljonair die zijn concurrerende wereldvisie uitdraagt met behulp van radio, video en internet. Voor de westerse publieke opinie is hij een halve wilde die zich verschuilt in grotten in het Afghaans-Pakistaanse grensgebied. Zijn volgelingen zijn geen moderne studenten uit de middenklasse die zich bewust hebben afgekeerd van McWorld, maar achterlijke gelovigen.

De religieuze hocus pocus-taal die de leiders van de fundamentalistische islam in hun propaganda uitkramen, draagt verder bij aan dat beeld. Maar is dit gebrabbel werkelijk zoveel mystieker dan de uitgewogen formuleringen van de spindoctors van Bush? Horkheimer en Adorno zouden het waarschijnlijk betwisten. ‘Hoe meer de taal in de mededeling opgaat, hoe meer de woorden van substantiële betekenisdragers in kwaliteitsloze tekens veranderen’, schrijven zij in een pittige passage, ‘hoe zuiverder en ondoorzichtiger ze het bedoelde overdragen, des te ondoordringbaarder worden ze tegelijkertijd. De ontmythologisering van de taal, als element van het gehele proces van Verlichting, slaat weer in magie om.’

In die taal schuilt trouwens tevens de zwakte van de Dialectiek van de Verlichting. Als onderdeel van een totalitaire, kapitalistische samenleving is taal volgens Horkheimer en Adorno automatisch ook totalitair. Kritiek kan daarom niet geformuleerd worden in gangbare bewoordingen. Of zoals ze het zelf uitdrukken: ‘De poging om een dergelijke verwording op het spoor te komen [moet] ervoor bedanken aan de geldende verplichtingen van de taal en het denken te voldoen.’ Vandaar ook het moeilijk doordringbare, abstracte taalgebruik in de Dialectiek en in andere werken van de Frankfurter Schule.

Dat klinkt niet alleen intuïtief als je reinste onzin, het is het ook, zelfs vanuit het marxistische oogpunt van Horkheimer en Adorno bezien. De heersende macht is immers geen monoliet. Er zijn kritische stromingen in de maatschappij die haar betwisten, die kritiek uitoefenen en die een zekere mate van politieke invloed hebben. Het pessimisme van de twee filosofen kan de lezer daarom van tijd tot tijd too much worden. Neem de emancipatie, die volgens hen erin is uitgemond dat nu ook de vrouw ‘als goed getrainde gewapende soort kan optreden’ in dienst van het systeem.

Niet voor niets zagen zij hun boek als ‘flessenpost’. Het bevat geen enkel aanknopingspunt voor verzet. Alle mensen – hier en daar wat freischwebende Intelligenz daargelaten – zijn immers gecorrumpeerd. Het enige alternatief dat Horkheimer en Adorno te bieden hebben, is twijfel, reflectie in plaats van ‘door geen denken aangevreten zekerheid’.

Zo’n wereldvisie moest wel zijn weerslag hebben op het gemoed van de denkers. Adorno schakelde begin ‘69 de politie in toen rebellerende studenten zijn instituut in Frankfurt bezetten. Zijn lezingen werden diverse malen verstoord, met als hoogtepunt de keer dat bloemenstrooiende studentes met blote borsten het podium beklommen: een heuse Busenattentat. Horkheimer gruwde op latere leeftijd van de anticonceptiepil, de protestbeweging tegen de Vietnamoorlog en de Algerijnse bevrijdingsstrijd, zo lezen we in het informatieve nawoord van vertaler Michel van Nieuwstadt. Horkheimer had zelf nog opgemerkt aan het slot van Dialektik der Aufkläring: ‘Het is alsof de mensen als straf voor het feit dat ze aan de hoopvolle verwachtingen uit hun jeugd verraad pleegden en zich met de wereld identificeerden, met voortijdig verval werden geslagen.’

Het maakt de denkprestatie van Adorno en Horkheimer er niet minder op. En dat geldt ook zestig jaar na dato. Anders dan opnieuw modieuze, conservatieve cultuurcritici als Oswald Spengler of Ortega y Gasset, hadden zij het wél goed voor met de Verlichting. Als die haar belofte van vrijheid, gelijkheid en broederschap nu maar eens zou inlossen. De verlichte mens moet ten volle ‘zijn’ in plaats van louter zelfhandhaving na te jagen, offers te brengen en zichzelf te verloochenen.

Horkheimer en Adorno stelden zich op als goede vrienden van de Verlichting die hun drinkende kameraad voor diens eigen bestwil behoedden voor destructieve neigingen. Dat is de dialectiek van de Verlichting: zij maakt de mens mondig en roept tegelijkertijd de krachten op die hem opnieuw willen ketenen. ‘Als verlichting de reflectie op dit regressieve moment niet in zich opneemt, dan bezegelt zij haar eigen lot’, schreven zij. Die bezinning moet niet aan de vijanden van de Verlichting worden overgelaten. Wat dat betreft hebben Horkheimer en Adorno met succes voor één keer de daad bij het woord gevoerd.

Max Horkheimer en Theodor W. Adorno, Dialectiek van de Verlichting, uit het Duits vertaald en van een nieuw nawoord voorzien door Michel van Nieuwstadt, Boom, 287 blz., € 37,90 nu met 5 euro korting in webshop te bestellen.