Opgewonden standjes

De Verlichting en De Winter

Over Rijklof Michael van Goens en Leon de Winter

Een van de meest in het oog springende overeenkomsten tussen het Nederland van de afgelopen vijf jaar en het Nederland van de achttiende eeuw is de opkomst van de persoon die ik voor het gemak even aanduid als «het opgewonden standje». In ons vocabulaire heeft deze uitdrukking een negatieve bijklank, want Nederlanders hebben het niet zo op opgewonden standjes en ook dat lijkt een verworvenheid van de achttiende eeuw: de eeuw die evengoed als de eeuw van de opgewonden standjes als als de eeuw van de Verlichting de geschiedenis in had kunnen gaan. Want, wellicht ten overvloede, de eeuw van de Verlichting was vooral een eeuw die verlicht probeerde te zijn, maar dat in werkelijkheid nog lang niet was, zodat de opgewonden standjes er lange tijd in de meerderheid waren, de media domineerden en uiteindelijk een revolutie ontketenden. Nederlanders in de achttiende eeuw werden, zo lijkt het soms, door dezelfde problemen in beslag genomen als hun nazaten uit de eenentwintigste eeuw. Natuurlijk is dat schijn; wij mogen onszelf gelukkig prijzen dat we slechts te maken hebben met luxeproblemen. En dan heb ik het niet over de zegeningen van de medische zorg, het sociale stelsel of internet. Ook zoiets ideologisch als de veelgeprezen vrijheid van meningsuiting die wij vandaag de dag genieten en al dan niet verdedigen, is grenzeloos in vergelijking tot wat de achttiende-eeuwse intellectueel zich kon permitteren. Niettemin. Als het gaat om kwesties als integratie, het moderniseren van de politiek en de heethoofdigheid die daar kennelijk bij hoort, dan lijken u en ik soms verdacht veel op die achttiende-eeuwer, in woorden en daden, in hartstochtelijk idealisme en vilein gescheld, alsof er geen negentiende eeuw tussen heeft gezeten.

Zo zorgde het mediacircus dat tijdens de laatste, revolutionaire decennia van de achttiende eeuw losbarstte, voor minstens evenveel verwarring en opwinding als de debatten in de hedendaagse pers. Je moest van goeden huize komen wilde je je niet in de publieke opinie mengen. Politici in de dop als schrijver Gerrit Paape, de Utrechtse journalist Pieter ’t Hoen of de Delftse uitgever, drukker en redacteur van de Hollandsche Historische Courant, Wybo Fijnje, schreven en publiceerden hartstochtelijk voor patriotse zijde. Zij wilden een democratischer bestel, een volksvertegenwoordiging, een nieuwe grondwet. En weg met de stadhouder! Tegenover hen stonden de Orangisten, die bij monde van onder anderen de Leidse uitgever Elie Luzac, de dichter Willem Bilderdijk en de arts, dichter en lector Johannes Le Francq van Berkhey de politiek van de stadhouder bleven verdedigen.

Op Bilderdijk na zijn de meeste andere achttiende-eeuwse intellectuelen uit die woelige politieke periode weinig bekend bij het grote publiek. Geen canon waarin ze te vinden zijn. Alleen in wetenschappelijke kringen worden ze nog bestudeerd en gewaardeerd. Dat geldt ook voor hoogleraar, schrijver, politicus, boekenverzamelaar en beroepsprovocateur Rijklof Michael van Goens (1748-1810). Ook hij wist behoorlijk stemming te maken in de achttiende eeuw – voor orangistische zijde. In het licht van idealistische heethoofderij in verlichte doch verwarrende tijden kent hij een hedendaagse partner in crime in de schrijver, opiniemaker en filmmaker Leon de Winter. Beide mannen passen uitstekend in het profiel van het opgewonden standje, zijn bedreven in de kunst van het irriteren en in het formuleren van tegengeluiden en afwijkende opinies. Desnoods gaan ze de politiek in, als het echt niet anders kan. De Winters standpunten behoeven weinig nadere introductie. Kort samengevat: de Arabieren leven nog in de Middeleeuwen, Israël moet door- en terugvechten en radicale moslims in Nederland vormen een tijdbom onder Neêrlands traditie van tolerantie. Van Goens heeft meer toelichting nodig, hoewel hij in de achttiende eeuw minstens zo bekend was als De Winter nu, even bewonderd, even verguisd. Steeds wist hij met zijn pen de verhoudingen op scherp te zetten en steeds werd hij daar zelf de dupe van.

Van Goens – razend intelligent – werd op zijn achttiende benoemd tot hoogleraar Grieks, welsprekendheid en geschiedenis. Tien jaar en enige polemieken later verruilde hij de academische wereld voor het echte leven en dook hij de Utrechtse gemeentepolitiek in. Daar hield hij meer tijd en geld over dan in het academische circuit en deed de kersverse regent zijn best om zo veel mogelijk te verbeteren in de stad. Zoals vroedvrouwen verplichten een nascholingscursus bevallingen te doen, opdat er minder vrouwen in het kraambed zouden sterven. Vanaf 1780 ging Van Goens volop gebruik maken van zijn polemische schrijftalent en wierp hij zich in de politieke strijd.

Een paar jaar later echter was zowel de Utrechtse bevolking als de stadhouder van mening dat hij vanwege zijn heethoofdigheid beter even van het toneel kon verdwijnen. Hij joeg te veel mensen tegen zich in het harnas. In 1786 had Van Goens zó ontzettend zijn buik vol van het revolutionaire Nederland – dat volgens hem afstevende op een waar politiek bankroet – en lag zijn reputatie zó aan diggelen dat hij het land voorgoed verliet. Iets wat hij per advertentie in de krant aankondigde.

Wat had Van Goens fout gedaan? Niets, naar hedendaagse maatstaven. Hij had zich alleen wat hartstochtelijk gemengd in de publieke opinie en een paar satirische politieke pamfletten gepubliceerd waar half (patriots) Nederland schande van sprak. En hoewel anoniem gepubliceerd – want, zoals gemeld, Nederland was nog niet zo verlicht ten tijde van de Verlichting en onder eigen naam publiceren was ondenkbaar – raadde iedereen dat Van Goens achter de pamfletten zat. Het gevolg: er werden zo’n vier- à vijfhonderd pamfletten tegen hem geschreven, hij werd achtervolgd, met de dood bedreigd, men zou hem zijn keel doorsnijden en Van Goens ging niet meer de straat op zonder twee geladen pistolen op zak.

Het was niet zijn talent voor satire waarover de pers viel, maar het feit dat Van Goens – aldus diezelfde pers, die overwegend «links» was – aan de verkeerde kant stond, aan die van de stadhouder namelijk en dat was verwarrend. Want Van Goens leek zo modern – hij was geheel en al op de hoogte van de nieuwste filosofische, religieuze en politieke ontwikkelingen, verspreidde die ook zo veel mogelijk in het Nederlands of Frans – maar bleek op politiek gebied eerder behoudend en wenste de bestaande structuren in stand te houden, zowel op godsdienstig als op politiek vlak. In de praktijk betekende dat dat hij de normen en waarden van het ancien régime steunde en dus zowel de gereformeerde godsdienst verdedigde als de pro-Engelse politiek van de stadhouder.

Mocht dit enigszins verheven klinken, juist Van Goens slaagde er uitstekend in zijn standpunten in duidelijke, volkse taal te verwoorden. Met zichtbaar plezier buitte hij zijn literaire talent uit in, bijvoorbeeld, Het retour der Matrosen van de vloot van de Schout-by-Nacht, kamerspel in één bedrijf uit 1782. De daarin belachelijk gemaakte patriot Candidus, die het matrozenvolk opruit door ze uit te leggen dat ze recht op vrijheid en vrijheid van meningsuiting hebben en dat ze tegen het prinselijke gezag in opstand mogen, nee moeten komen, wordt door de matrozen op hardhandige wijze een Texelse herberg uitgesmeten. Als de gemolesteerde patriot zegt dat hij zich bij de burgemeester zal gaan beklagen, bijt matroos KEES hem de volgende woorden toe:

«Hoor Maatje, dat komt niet uit met jou, die Burgemeester, die ken ik zoo wel als jy, en die zal jou niet uitstuuren om hier onze Prins te komen affrontieren. Onze Burgemeesters zyn braave lui, en goede Prinslui, dat weet ik vast, en dat is ook maar haar zaak, begrypje.

Want als’t daar toe kwam, dan zouden wy de Prins maintineeren. En daarom ga jy na je Burgemeester, en zeg dat Zwarte Kees jou ezeid heeft, dat hy je tot materie drukken zou, en als je op onze Prins