De verloren Europese generatie

Je kunt als journalist soms verrast zijn over het effect van een artikel. Mogelijk is het u ontgaan, vorige week, in de berg nieuws over bedrijfspoedels en dagkoersen op de beurs, maar tien dagen na mijn artikel over ‘Generatie overbodig’ in De Groene Amsterdammer kwam de Europese Commissie in de hoofdstad van ons continent in actie tegen jeugdwerkloosheid.

‘_Being able to find a good first job is what worries young people most in Europe today’, s_chreef de Commissie bij de aftrap van de European Jobs Day. Er waren initiatieven met hippe namen, zoals ‘Youth@Work’ en ‘Youth on the Move’. Hoogtepunten op de agenda waren een bezoek van de Belgische prinses Mathilde en een foto-op met Eurocommissaris László Andor en de Waalse minister van Financiën, Budget, Werkgelegenheid, Training en Sport.

Er zijn nog geen Eurostat-cijfers beschikbaar over deze herfst, maar onafhankelijke waarnemers zoals ik zijn vooralsnog sceptisch over de resultaten van dit initiatief. Eurostat houdt namelijk wel vrij precies bij wat het probleem precies is waar we het hier over hebben en dat is toch van een wat andere orde van grootte. Om een snelle samenvatting te geven: de jeugdwerkloosheid in Europa, dus onder mensen tussen de 16 en 24 die ook daadwerkelijk werk zoeken, is 21 procent. En dat gaat richting het niveau van de jaren tachtig, toen er gesproken werd van een ‘Lost Generation’.

Die jaren tachtig zijn in een aantal landen al aangebroken. Want waar Nederland zijn economische problemen naar het zuiden heeft geëxporteerd, is daar werkelijk een verloren generatie aan het ontstaan. In Spanje, met een jeugdwerkloosheid van bijna vijftig procent en bijna veertig procent in Griekenland en bijna dertig in Italië. Maar jeugdwerkloosheid is niet alleen een zuidelijk probleem: ook Ierland zit bijna op de dertig procent en het eeuwige voorbeeld voor de rest, Zweden, op een kwart. En dan gaat het alleen over de groep 16 tot 24 jaar - we tellen de groep 24 tot 30 niet eens mee, die even hard moet knokken voor een plek in de maatschappij. Over andere landen van de wereld spraken wij van de media dan van een ‘jongerentijdbom’ en andere omineuze metaforen.

Wie in zulke landen rondloopt en rondvraagt, ik heb dat zelf in het afgelopen jaar gedaan in Griekenland en Italië, merkt meteen dat dit niet een papieren probleem is, maar iets dat de blik van jonge mensen op hun eigen toekomst en die van hun samenleving in hun greep houdt. Want jeugdwerkloosheid raakt niet alleen de jongeren die thuiszitten: het raakt talloze anderen die onder hun niveau moeten werken, een te laag salaris moeten accepteren, die eindeloos stages lopen, zich in de schulden steken om nieuwe opleidingen te gaan volgen, die noordwaarts emigreren om werk te zoeken, die niet verder kunnen kijken dan van contract naar contract, die moeite hebben om zich een plek te veroveren in samenlevingen waar werk en inkomen de belangrijkste voorwaarden zijn voor een volwaardig burgerschap. Het raakt een hele generatie, en daarmee de hele maatschappij.

In Brussel is dan ook wel bekend dat er meer nodig zal zijn om dit probleem op te lossen dan foto-ops met Eurocommissarissen. De Europese economieën moeten weer op de rails, natuurlijk, maar de arbeidsmarkten, die in vrolijke samenspraak door overheden, werkgevers en de vakbonden zijn gericht op het beschermen van insiders en hun belangen, die arbeidsmarkten moet anders worden ingericht. Er moet een eerlijker verdeling komen van werk, inkomen en kansen over de generaties. Maar dat gaat niet gebeuren.

De eerste reden daarvoor is dat teveel mensen het hele probleem eigenlijk niet zo erg vinden. Het raakt hun politieke carrière niet, omdat jongeren nu eenmaal politiek impotent zijn: ze stemmen niet en zijn geen lid van een politieke partij. Je hoeft dus ook niet iets voor ze te doen. En daarbij hebben jongeren al heel veel in hun voordeel - voornamelijk dat ze jong zijn.

Een tweede reden is dat de solidariteit waar Europa op gebouwd is, een van de zes kernideeën van ons continent volgens Timothy Garton Ash, in werkelijkheid niet bestaat. We doen wel alsof, maar het is niet zo. Niet van West- naar Oost-Europa, niet van Noord- naar Zuid-Europa. Het hoogst haalbare voor een politicus is de lijn-De Jager: we moeten ze helpen omdat het een buitenkansje is om aan te verdienen en/of omdat het anders méér kost. En die solidariteit bestaat ook niet binnen de generaties. Ik citeerde in mijn artikel de voormalige premier van Italië, Amato, die ‘de algemene situatie’ betreurt ‘waarin de oudere generaties de toekomst van de jongere hebben opgegeten’. Dat is natuurlijk wat melodramatisch, maar feit is wel dat in Europa een generatie afscheid neemt van hun royale baan en intrede doet in een verzorgingsstaat die alleen nog voor hen bestaat. En die niet de indruk wekt ook maar iets verkeerd aan die situatie te vinden.

Dat is misschien wel de grootste reden waarom jonge mensen de straat opgaan in landen als Spanje, Portugal of Israël: de vanzelfsprekendheid waarmee ze moeten aanvaarden dat hun kansen slinken en er geen verzorgingsstaat voor ze klaarstaat, terwijl zij het heel erg moeten vinden als ouderen een paar jaar langer moeten werken in banen die steeds meer buiten hun eigen bereik lijken te liggen. Er wordt vaak als verwijt gemaakt dat veel demonstranten geen ideeën hebben over hoe het anders moet. Maar misschien is het al genoeg om te laten zien dat je boos bent dat politici wel voortdurend in touw zijn om onrust op de beurs te bezweren, maar geen plan lijken te hebben voor de mensen en de jaargangen binnen hun maatschappij die de zwaarste prijs voor de economische tegenspoed van hun land betalen. En misschien is het nogal cru om te eisen dat zij daar ook zelf de oplossing voor moeten aandragen. In ieder geval presenteren deze jonge mensen een feit waar we iets mee aan zullen moeten: deze jongeren zijn er, hun problemen zijn er. En ze gaan niet zomaar weg.


Ruger van der Hoeven sprak deze column gisteravond uit tijdens het debat over de verloren generatie dat De Groene Amsterdammer samen met SPUI25 organiseerde.