Middeleeuwse wittebroodskinderen

De verloren generatie van 1450

Sommige middeleeuwse aristocratenzonen en -dochters deden niets anders dan het vermogen van hun ouders er doorheen jagen, inclusief de erfenissen. Deze wittebroodskinderen peinsden er niet over dit gebruik te beëindigen.

De grote steden van de Bourgondische Nederlanden hebben aan het eind van de Middeleeuwen een luxeprobleem dat steeds meer de trekken van een generatieconflict aanneemt. De rijke burgerzonen van Gent, Brussel en Antwerpen willen niet werken, sterker nog, ze steken al hun energie in stelselmatig zuipen, slempen en hoerenlopen. De middelen daarvoor zijn ruim voorhanden, want ze kunnen beschikken over de ruime erfschatten die hun ouders hebben opgebouwd. Rond 1450 durft men deze doordraaiers een naam te geven: wittebroodskinderen — en ze dreigen de hele samenleving te ondermijnen.

Daarbij gaat het de gezeten burgers vooral aan het hart dat die lapzwansen het geërfde kapitaal niet verder laten werken door te investeren in (on)roerend goed en de eerste ondernemingen. Ze vreten gewoon geld op, naar het model van de Verloren Zoon uit de bijbel. Daarin ligt immers elke verklaring opgesloten voor eigentijds ongerief. En daarom kan er ook worden gesproken van Verloren Kinderen.

Ze blijken moeilijk in te tomen. De meeste steden zoeken het eerst in repressieve tolerantie, want deze vermogende jongeren azen ook op aanzien en respect. Volgens eeuwenoude plattelandstradities mogen ze vrijuit een soort alternatieve rechtspraak uitoefenen op bepaalde feestdagen. Met hun charivari (ketelmuziek) treden ze op tegen allen die hen dwarsbomen bij de zucht naar liefde, seks en het juiste huwelijk. Oude mannen, vreemdelingen en overspeligen moeten met hun poten afblijven van de plaatselijke teeltkeus aan jonge meisjes. Ook pantoffelhelden die de gewenste orde in het gezin niet weten te handhaven, krijgen ervan langs. Voor hun deuren worden stinkende bonenstruiken verbrand, onder een hemeltergende herrie van potdeksels en pannen. En de Jan Hennen belanden achterstevoren op een ezel of worden met een touw om hun geslacht door de straten voortgetrokken.

De notabelen van de stad, meestal hun vaders, proberen zwijgend toe te kijken. Maar natuurlijk loopt alles voortdurend uit de hand. De gewelddadigheid neemt toe terwijl het potverteren niet beperkt blijft tot die paar dagen. Daarom gaat men het tevens proberen met permanentere institutionaliseringen van de jeugdige manifestatiedrang zoals schutterijen en toneelverenigingen. Maar ook daarmee wordt het probleem slechts ten dele opgelost. Te velen willen voor eeuwig wittebroodskind blijven, een ambitie die door het tijdig overlijden van de ouders goed te verwezenlijken valt.

Dan rest alleen nog maar de harde hand om de dood van zoveel stedelijk kapitaal tegen te gaan. Verschillende steden, Brussel voorop, richten speciale rechtbanken in voor de losgeslagen jongeren. Maar ook die durven niet echt doortastend op te treden. Rechters en vervolgden komen uit dezelfde stedelijke aristocratieën, waardoor de processen meer doen denken aan een familieberaad. Zo lijkt niemand zijn vingers te willen branden aan een agressieve zuipschuit als Goswin Thienpont. In 1441 is hij zottenbisschop in Brussel. Met zijn volgelingen belaagt hij voorname dames tijdens de carnavalsvieringen, kennelijk op zo'n manier dat de rechtbank ingrijpt. Hij wordt gestraft met een verplichte bedevaart die hij echter met een boete afkoopt: geld genoeg. Zes jaar later zien we hem terug, nu als een ezelskardinaal (hij maakt duidelijk carrière) die zelf rechtspreekt over zaken van huwelijk en liefde die hem en zijn makkers niet zinnen. En weer krijgen ze boetes opgelegd die, nogmaals, voor deze vermogende knapen weinig problematisch zijn. Pas dan realiseert men zich ten volle dat het om een structureel probleem van een generatie gaat.

Ook in later eeuwen duikt telkens de vrees op voor zo'n brede laag van wittebroodskinderen, die de ouderlijke erfenissen simpel wegconsumeren. Nog onlangs werd een komende generatie van nietsnutten voorspeld, die als indolente profiteurs de thans vergaarde schatten aan huizenbezit en aandelen zouden gaan weggrazen. Maar dat slaat nergens op.

De huidige en komende erfgenamen van al die weelde kunnen pas incasseren als ze zelf aan hun pensioen zitten. Want is het niet zo dat het bezittende volk van nu in grote menigte en zeer blij van zinnen de tachtig passeert? Dat haalden die rijke kooplieden van toen gemiddeld bij lange na niet, zodat hun zonen op een gevaarlijke leeftijd in weelde konden baden. Daarentegen moeten de jongelieden van nu maar afwachten wat de ouders tijdens hun lange pensioen met al dat bezit gaan doen. Komt er niet eerder een generatie aan van sterk bejaarde uitvreters van het eigen kapitaal? Daarmee zullen de wittebroodskinderen van zes eeuwen terug eindelijk het juiste antwoord krijgen.