Het tweede leven

De verloren onschuld van het liberalisme

Iedere maand beginnen honderden boeken een tweede leven als pocket, vijfentwintig-guldenboek of goedkope herdruk. Ger Groot maakt maandelijks een selectie van de meest opvallende titels en schrijft een essay naar aanleiding van één of enkele daarvan.
Het liberalisme heeft getriomfeerd, maar is die zege zelf nauwelijks te boven gekomen. De staat wordt steeds belangrijker en de deugd van het egoïsme krijgt een almaar slechtere pers. Hoe overleeft het liberalisme de pyrrusoverwinning van zijn vanzelfsprekende gelijk

Een boek over economie zonder één grafiek of statistiek moet wel tegendraads zijn. Of juist niet? Het wereldsucces van Viviane Forresters De terreur van de globalisering, dat in 24 talen verscheen, maakt in elk geval duidelijk dat haar schotschrift een open zenuw raakte. Toen het boek uitkwam, moest de boosheid van Seattle en Genua nog komen. Inmiddels is het de bijbel geworden van een wereldwijde beweging tegen wereldwijde bewegingen, althans wanneer ze economisch van aard zijn en ruim baan gemaakt willen zien voor een liberale markteconomie.

«De woede spat van de pagina's», staat op de kaft van de Nederlandse pocketeditie, maar het is de vraag of woede een goede raadgever is bij complexe vraagstukken als dat van de wereldwijde economie. «Globalisering» is nu eenmaal een glibberig gegeven, dat niet alleen economisch van aard is, maar ook cultureel, politiek en juridisch. En zo heftig als het verzet tegen de economische mondialisering is, zo schaars is het op al die andere gebieden. Hardcore cultuurrelativisten zijn al jarenlang uitgestorven, en daarmee is vrijwel iedereen in meer of mindere mate een cultureel universalist (of «globalist») geworden. Dat mensen onderling verbonden zijn door een minimumbestel aan rechten en plichten wordt door vrijwel niemand meer bestreden.

Zo «terroristisch» als de globalisering volgens de Nederlandse titel van Forresters boekje lijkt te zijn, is ze dus niet. Haar bezwaren hebben dan ook alleen betrekking op het economische gezicht ervan (de Franse pocketeditie van haar boek heet La dictature du profit) en op de voetstoots aangenomen gedachte dat de samenleving het beste af is wanneer de markt zo weinig mogelijk in de weg wordt gelegd. «Het liberalisme», zo schrijft ze, «laat een specifiek ideologisch stelsel en de opzettelijke praktijken die er inherent aan zijn met succes doorgaan voor natuurverschijnselen, even onomkeerbaar en onveranderlijk als de oerknal.»

Ongetwijfeld heeft het liberalisme het de afgelopen decennia niet al te moeilijk gehad om zichzelf als de enige succesvolle poli tieke visie naar voren te schuiven. Zijn laatste concurrent stortte in de tweede helft van de jaren tachtig ineen, waarna Francis Fukuyama de liberale overwinningskreet kon aanheffen.

Intussen klinkt dat triomfalisme wat zwakker. Niet alleen bleek de geschiedenis zich ruim tien jaar later zo spectaculair te hernemen dat de doodgewaande staat haastig moest worden gereanimeerd om daarop te antwoorden, maar ook de organisatie van de burgerlijke maatschappij op basis van louter privaat ondernemerschap werd zo'n gigantisch fiasco dat de staat de touwtjes opnieuw in handen moest nemen.

De liberale overtuiging dat het economische leven de belangrijkste factor is in de vormgeving van de maatschappij verschilt niet van de marxistische. Maar terwijl het marxisme daarin de sleutel zag om de maatschappij te kunnen opbouwen op grond van een centraal rationeel project was het liberalisme veel sceptischer. Het eerste had een grenzeloos vertrouwen in het vermogen van de rede, en faalde. Het tweede was bijna postmodern avant la lettre. Het heeft altijd geloofd in een verbrokkelde rationaliteit, waarin het individu de rede op zijn eigen, lokale niveau trachtte te verzoenen met zijn behoeften en verlangens. Op mysterieuze wijze — dankzij een «onzichtbare hand», schreef Adam Smith — zouden die private economische initiatieven (die niet eens allemaal deugdzaam hoefden te zijn) vanzelf uitmonden in het hoogste algemene goed. Private vices, public virtue.

Met die gedachte stond het liberalisme van het begin af aan ijzersterk. Het had voldoende aan private vices en hoefde niet uit te gaan van enige menselijke deugdzaamheid. Dat gaf het een bijna onverslaanbaar retorisch overwicht. Naast dit cynisch realisme leek iedere theorie die zich op de goedheid of het sociale karakter van de mens beriep hopeloos naïef.

De tweede troef van het liberalisme was dat het de maatschappijvorm die het voorstond modelleerde op een veronderstelde «oertoestand» die geen verdere rechtvaardiging behoefde. Veel verschil was er niet tussen de strijd om het bestaan van de oermens vóór de vorming van een primitieve maatschappij, en van de burger die streefde naar zijn eigen gewin. Net zo gemakkelijk liet de bloedige oerstrijd van allen tegen allen zich vertalen naar de onbloedige strijd op de markt, die de basis van de samenleving werd.

De zeventiende en vooral de achttiende eeuw, schrijft Roy Porter in zijn studie over de Engelse Verlichting, Enlightenment, was bezeten van een radicale wil tot zuivering. Alle dogmatische opvattingen uit het verleden moesten worden weggeruimd. Een nieuwe, naakte blik was nodig om de mens te zien zoals hij was en de maatschappij zoals zij functioneerde — om op basis daarvan beide de kans te geven beter te worden dan zij in het verleden waren geweest.

Uit die wil tot debunking kwam het liberalisme voort en daaraan ontleende het zowel zijn illusieloze blik als zijn pretentie zich te baseren op datgene wat mensen eigenlijk bewoog. Het beriep zich op een realiteit jenseits von Gut und Böse, die aan iedere morele en argumentatieve rechtvaardiging voorafging. We kunnen de mens maar beter accepteren zoals hij nu eenmaal is (een zelfzuchtig individu) en feitelijk handelt (als in een strijd van allen tegen allen), zo meende het liberalisme. Op dit oergegeven moet ook de feitelijke samenleving zoveel mogelijk worden afgestemd.

Wat Viviane Forrester drie eeuwen later irriteert, is de onaanraakbaarheid van dit standpunt, terwijl Smith’ «onzichtbare hand» op mondiale schaal nauwelijks lijkt te werken. De private vices van de grote ondernemingen hebben nauwelijks geleid tot wereldwijde public virtues van grotere vrijheid, welvaart en gerechtigheid. Er zijn weliswaar uitzonderingen waar dat wél is gelukt, maar vanzelfsprekend is dat allerminst. Een vrije markt is misschien wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor het ontstaan van een vrije en rechtvaardige maatschappij.

Daarvan waren de Engelse grondleggers van het liberalisme in de achttiende eeuw zich al bewust. De markt mag dan een beschaafde vorm zijn van de strijd van allen tegen allen, ze blijft alleen maar beschaafd wanneer er bepaalde regels in acht worden genomen die desnoods moeten kunnen worden afgedwongen. Alleen de staat, meende David Hume, kan aan een ál te enthousiast nastreven van private vices grenzen stellen, zodat het economische verkeer niet uitliep op een werkelijke oorlog waarin alles was geoorloofd: van contractbreuk en bedrog tot handel met voorkennis.

Dat wierp echter een schaduw over het vanzelfsprekende gelijk van het liberalisme als de meest realistische acceptatie van de menselijke oertoestand. Hume geloofde dan ook niet in de state of nature, waarvan John Locke in de voorafgaande eeuw nog was uitgegaan. De «onschuld» van het natuurlijke menselijke verkeer veronderstelde volgens hem altijd al de kunstmatige bemoeienis van de staat, die daarin een elementair beginsel van recht moest garanderen.

Het liberalisme is er echter nooit goed in geslaagd de staat harmonieus te verzoenen met zijn overtuiging dat de maatschappij de handelsversie van de state of nature is. Het is de staat altijd blijven zien als een vreemde macht die bruut binnenviel in het ongerepte en «onschuldige» maatschappelijke (handels) verkeer. Aan de andere kant wilde het hem ook weer niet te scherp tegenover de maatschappij plaatsen, omdat hij daarmee van de weeromstuit een veel te groot eigen gewicht zou krijgen. Daarom lijkt de staat in het liberalisme nog het meest op een private onderneming waarvan alle burgers aandeelhouder zijn, met het censuskiesrecht als beste voorbeeld.

Hoe meer de staat als noodzaak werd erkend, des te problematischer werd de liberale pretentie haar maatschappijvisie te modelleren op een oorspronkelijk en onbetwijfelbaar oergegeven. Maar juist de noodzaak van de staat werd in de loop van de negentiende en twintigste eeuw steeds groter. Anders dan het liberalisme pretendeerde bleek de markt zich helemaal niet te kunnen handhaven als de plaats waar, zoals Hume meende, een vrij leven hand in hand gaat met vrije handel. Zij dreigde zichzelf integendeel juist telkens te willen opheffen.

De vrijheid van onderneming en van concurrentie waarvan het liberalisme zowel het politieke als het maatschappelijke heil verwachtte, dreigde gaandeweg steeds meer ten offer te vallen aan de dynamiek van kapitaalsconcentratie en kartelvorming. Het liberale bestel mocht dan belang hebben bij wedijver en een verbrokkeling, de kapitalistischer spelers hadden veeleer belang bij de uitschakeling van de concurrentie en de bundeling van ideeën en talent binnen één commercieel project. Als toppunt van ironie dreigde datgene wat het marxisme op het niveau van de staat trachtte te bereiken zodoende werkelijkheid te worden op het niveau van de particuliere megaondernemingen.

Dat was fnuikend voor de liberale idee van de samenleving en daarom moest de ene ironie de andere pareren. De staat moest de vrije markt nog verder aan banden leggen dan zij vanaf het begin al had gedaan. Datgene wat Hume de «kunstmatige» invoering van de staatsjustitie had genoemd, werd uitgebreid met een nog veel kunstmatiger verbod op de economische concentratie waartoe de markt vanuit haar eigen dynamiek tendeerde.

Sinds de invoering van de antitrustwetten in de negentiende eeuw is de noodzaak daarvan alleen maar toegenomen en dat heeft paradoxale gevolgen voor de liberale visie. Tegen zijn zin heeft het liberalisme de staat steeds meer macht moeten verlenen om de «onschuld» van de markt te bewaren — ook al betekende dit dat diezelfde onschuld werd aangerand door een «schuldige» staatsinmenging. Parallel daaraan is de glans en vooral de levensvatbaarheid van een zo zuiver mogelijke imitatie van de «natuurstaat» — die de ideologische rechtvaardiging en de retorische troefkaart van het liberalisme was — danig verbleekt.

In de verhouding tussen maatschappij en staat heeft het liberalisme dus flink wat veren moeten laten. De triomfantelijkheid waarmee het tien jaar geleden zijn overwinning begroette, kan niet verhullen dat de economische liberalisering die het sindsdien als prijs heeft trachten binnen te slepen een kasplantje is gebleken. Ze is naar twee kanten toe onmachtig gebleken om zonder de staat te overleven.

Aan de ene kant moet de staat ervoor waken dat de geliberaliseerde markt zichzelf niet bij een té groot succes om zeep helpt, omdat economische concentraties elke wedijver dreigen te smoren. Aan de andere kant dient hij het vangnet te zijn dat een totale maatschappelijke ontreddering moet voorkomen, wanneer de marktwerking te weinig succesvol blijkt. Bij de recente privatiseringen is de eerste mogelijkheid zelf niet in zicht gekomen, behalve waar een staatsmonopolie eenvoudigweg als monopolie werd geprivatiseerd. De tweede is dat des te meer, en over hernationalisatie wordt inmiddels alweer gefluisterd.

Voor het echte liberalisme is er binnen de consensus samenlevingen van West-Europa, en tot op zekere hoogte zelfs Noord-Amerika, weinig eer meer te behalen. Dat ligt anders in het wild west van de internationale economische relaties. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de scherpste vormen van neoliberalisme juist in de globalisering hun kans zien. Evenmin als dat op nationaal vlak het geval was, zal het zich hier echter nog kunnen beroepen op de illusie dat economische vrijheid vanzelf maatschappelijke vrijheid, recht en emancipatie met zich meebrengt. Ook daarvoor blijven een politieke orde en wil noodzakelijk.

Meer dan het liberalisme tot nu toe voor mogelijk hield, is de staat dus onmisbaar gebleken. Niet de minimalisering daarvan ligt in het verschiet, maar een herwaar dering waaraan het liberalisme niet kan ontkomen, wil het niet in zijn eigen contradicties verstrikt raken. Aan de andere kant zal het zich ook moeten bezinnen op de mensvisie waarvan het uitgaat. Daarbij kan het te rade gaan bij zijn eigen geschiedenis. Want het zelfzuchtige individu waarvan het in zijn maatschappijvisie uitgaat, was bij de meeste liberale founding fathers maar de helft van het verhaal. Naast eigenbelang, merkte Adam Smith op, bezit het individu ook moral sentiments, waardoor het niet alleen op zoek was naar aanzien in de wereld, maar dat aanzien ook waardig wilde laten zijn. En David Hume stelde vast dat eigenbelang weliswaar het oorspron kelijke motief voor de instelling van de rechtvaardigheid (justice) was, maar dat «sympathie met het publieke belang de bron is van de morele instemming daarmee».

Die behoefte aan morele waardigheid en de erkenning van de publieke sfeer zijn gaandeweg uit het populaire verhaal van het liberalisme verdwenen, en daarmee is het verworden tot een politieke vorm van egoïsme. Electoraal valt daar zonder enige twijfel garen bij te spinnen, maar als maatschappijvisie komt zo'n «vulgair liberalisme» niet vreselijk ver. Het leidt tot een ontbinding van de burgerlijke samen leving in een optelsom van individuele egoïsmen. In plaats van waardering op te brengen voor de public virtue die de liberale aartsvaders nog in het sociale verkeer zagen ontstaan, weet zo'n samen leving nog slechts de private vices te bejubelen («Greed is good!») die door geen staat meer in toom worden gehouden.

Tegenover die dubbele impasse moet het liberalisme zijn gedachten over de staat en het individu opnieuw zien te ordenen. Voor triomfalis me is bitter weinig aanleiding. Veel eerder zou het zich zorgen moeten maken om de verloren onschuld van zijn fundamentele ideeën, die de basis vormde van zijn vanzelfsprekende gelijk en die niet simpelweg hersteld kan worden. Het debat over het liberalisme is nog maar net begonnen.

Viviane Forrester

De terreur van de globalisering, Rainbow pocket nr. 581, 222 blz., € 8,00

La dictature du profit, Livre de poche nr. 15130, 221 blz., € 9,35

Roy Porter

Enlightenment, Penguin pocket, 728 blz., € 19,05