De verloren oorlog

Tobias Wolff, In het leger van de farao. Vertaling Aad van der Mijn, uitgeverij Prometheus, 218 blz., f34,50. Thom Jones, De vuistvechter. Vertaling Anneke Goddijn, uitgeverij Anthos, 229 blz., f36, 50.
Ze hebben er allemaal over geschreven: Tim O'Brien, Richard Currey, Michael Herr, Barry Hannah, Norman Mailer. Er zijn films over gemaakt: Apocalypse Now, Platoon. Maar het is nooit genoeg, het houdt nooit op, die oorlog. Tobias Wolff en Thom Jones zijn twee schrijvers die in In het leger van de farao en De vuistvechter wel moesten terugkeren naar Vietnam. Wolff omdat hij begin 1968 als luitenant in de Mokong- delta het inrijpende Tet-offensief van de Vietcong meemaakte, en Jones omdat hij als marinier niet werd uitgezonden naar de heilige oorlog tegen het communisme.

De verhalen van Wolff en Jones stijgen uit boven goedkope goedpraterij of rituele veroordelingen. Goed en kwaad blijken illusies te zijn (Thom Jones), evenals vijand en vriend en waarheid en leugen. Er is eerder sprake van een collectieve wanhoop van Amerikanen in Vietnam die haaks staat op de nationale mythe van de hardwerkende individualist met een goede inborst - het Bonanza-syndroom.
Wolff schrijft om knagende beelden en woekerende herinneringen uit zijn gedachten te bannen: een hond die boven een kampvuur geroosterd dreigt te worden, dezelfde hond die hij later als laatste afscheidsmaal krijgt; het kapotmaken van een antieke Vietnamese rijstkom; een stuk geschut dat, met verwoestende gevolgen voor de nabijgelegen hutten, door een helikopter wordt opgetild. Het zijn allemaal beelden die eerder te maken hebben met verbazing dan met spijt. Waarom heeft soldaat Wolff - ‘dat scherpsnijdend zwaard’ en 'die verschrikking uit de lucht’ - een schoolgebouw vol kinderen beschoten? Waarom staat er in Jones’ schitterende verhaal 'De vuistrechter in ruste’ deze zin: 'Ik beging onbeschrijflijke wandaden en kreeg er onderscheidingen voor’?
De antwoorden in de verhalen van Wolff en Jones hebben niets te maken met zwart-witschema’s. De een gaat dood en de ander blijft leven, zonder dat moed of lafheid - bijna betekenisloze begrippen in de twee boeken - er invloed op uitoefenen. Er heerst een andere logica: 'Als je bang bent dood je alles wat jou zou kunnen doden. Nu de vijand de stad in handen had, was de stad de vijand.’
Wolffs 'herinneringen aan een verloren oorlog’ zijn a-chronologisch. Hij wisselt oorlogsfragmenten af met prachtige verhalen over de vader, die afgezakt is van vliegtuigbouwer tot oplichter en bajesklant. Hij springt van Vietnam naar de Verenigde Staten, waardoor de Vietnam- herinneringen niet exclusief blijven maar verweven raken met de langzaam veranderende visie op de liefde en de vader. Ontroerend is het fragment waarin de vader aan zijn zoon voorleest uit De wind in de wilgen. Plotseling ziet Wolffs soldaat in dat zijn vader Pad is: 'Maar Pad redde het niet. De jachthonden van het fatsoen zaten achter hem aan en brachten hem uiteindelijk ten val.’
De verhalen in De vuistvechter van Thom Jones zijn misschien harder, pessimistischer, filosofischer. Geobsedeerd als zijn personages (soldaat, bokser, chirurg, concierge, reclametekstschrijver) zijn door ziekten, dood en oorlog op grote en kleine schaal, lijken ze eerder op acteurs in een Shakespeare-achtig oorlogstheater of op 'neurochemische voorvallen’ dan dat zij zich gedragen volgens een moraal. Hemingway, Dostojewski’s epilepsie, het begin van Apocalypse Now met de oprukkende helikopters en het aanzwellende 'The End’ van The Doors, ze zijn nooit veraf in Jones’ wereld.
Het beeld van 'het zwarte licht’ in Jones’ gelijknamige verhaal vat de wereld van Wolff en Jones raak samen. Een bokser ziet na een knock out soms het zwarte licht, een visoen. Epilepsie en drank kunnen ook, in een flits, een nietzscheaans inzicht opleveren, namelijk dat alle tegenstrijdigheid - pijn versus genot, recht versus onrecht - 'geharmoniseerd’ is. Een verademing, deze twee boeken waarin geen simpele loopgravenoorlog tussen goed en kwaad woedt.