De verloren verontwaardiging

De jongeman die me enkele weken geleden over de Thames voer droeg een mat tot ver in zijn nek, en praatte plat Londens. Het was twee weken na de grote rellen en, hoewel het vuur geluwd was, hield het gonzen nog aan: de stad was in verwarring.

Een verwarring die werd uitgedrukt in essays en commentaren, doorgaans geschreven door mensen die sociaalgeografisch gezien niet verder van de relschoppers af konden staan. Verwarring over de destructie en, in menig artikel benadrukt, het morele verval dat eraan ten grondslag had gelegen. De veerman voorzag de reis van commentaar. Dit deed hij met een champagne-emmer aan zijn voeten voor eventuele fooien. Door zijn ogen zag ik hoe de stad veranderd was. Hoe oude pubs waar Dickens nog in had geschreven waren omgebouwd tot quasi-authentieke en vooral dure hotels, en hoe scheepswerven waren veranderd in luxeappartementen voor de rijke bovenlaag, het vlies dat de stad tegenwoordig omsluit. Zijn stille protest bestond uit bijzinnen als: ‘Now, inevitably, luxurious appartments.’

Weinig woorden laten zich zo makkelijk vallen als de typeringen van een generatie. Waar in nationaal opzicht nog wordt gesproken van een grenzeloze generatie, zuchtend onder een teveel aan opties, heten wij (grofweg geboren na 1985) in Europees verband een verloren generatie te zijn. Weinig toekomstperspectieven, deprimerende werkloosheidcijfers, studieschulden die ons dwingen tot het aannemen van de eerste de beste baan, die meestal ver onder het opleidingsniveau ligt. Nederland is in zoverre een uitzondering dat de werkloosheid in vergelijking met meer zuidelijke Europese landen laag is: dubbel zo laag als het Europese gemiddelde, met alleen Duitsland en Oostenrijk die even goede cijfers halen. Ter vergelijk: in Spanje ligt de jeugdwerkloosheid op 46 procent, in Griekenland op 39. Na vergelijkbare crises in de jaren tachtig, is de situatie wederom zorgwekkend. Alleen: in plaats van een no future-generatie, zijn we nu verloren, net als de generatie van Hemingway en F. Scott Fitzgerald in de jaren twintig van de vorige eeuw. En wij hebben er niet eens een oorlog voor nodig gehad.

De Nederlandse economie heeft de eerste klappen van de crisis goed doorstaan, mede doordat we de rekening hebben doorgeschoven naar andere Europese landen. Toch is het een illusie te denken dat dit een blijvende situatie is: in een Europa waarin de landen economisch zo nauw met elkaar in verbinding staan, kan het niet anders dan dat harde tegenspoed uiteindelijk iedereen hard treft. Iedereen wordt geraakt door de crisis, zeker, maar de jongste generatie Europese studenten komt er relatief slecht vanaf: juist de door hen geambieerde banen zullen tegelijk met het afzwaaien van de babyboomers die deze banen bekleedden, grotendeels verdwijnen. Terwijl het vooralsnog de vraag blijft hoezeer de Nederlandse student getroffen zal worden, is een vergelijkbaar georganiseerd studentenprotest als in de meer zuidelijke Europese landen niet langer ondenkbeeldig. Het onrecht waartegen men daar protesteert, zal in beginsel datzelfde zijn als waar de Nederlandse student mee te maken zal krijgen: er zijn geen banen die aan onze verwachtingen voldoen.

Waar het studentenverzet in Nederland vooralsnog kleinschalig en ondergronds is, is men elders in Europa mondiger. Niet alleen in Londen, ook in Frankrijk, Israël en vooral Spanje roeren mensen zich. Tienduizenden mensen op het Puerta del Sol-plein in Madrid, talrijke demonstraties in Griekenland en Portugal, overal klinkt dezelfde legitieme, zij het wat ongerichte boodschap: wij zijn niet verloren. Wij zijn vergeten. En jullie, ouderen, zijn het die ons zijn vergeten.

Wie precies zijn vergeten verschilt overigens in hoge mate. Waar de Londense protesten draaien om de arbeidersklassen, of in sommige analyses juist om het wegvallen van de houvast die de Engelse klassenmaatschappij bood, is het protest in landen als Frankrijk en Spanje eerder intellectueel van aard. Geleid door jonge studenten, die hun kracht putten uit woorden en niet uit de meer primaire woede zoals die op Londen werd gebotvierd. De wij is aldus verschillend; het idee achtergesteld te zijn, het te verliezen van een soms obsceen rijke bovenlaag, is dat niet. Het is daarom logisch dat de universitaire elites van Frankrijk en Spanje, immers min of meer in hetzelfde schuitje, nauw met elkaar in contact staan. Internet, zo moge duidelijk zijn, is als geen ander medium in staat om een kleine gebeurtenis te maken tot een groot gebeuren. Een van de grootste hypes in de wereld van de studentprotesten van de afgelopen maanden is het pamflet Indignez-vous!, van Stéphane Hessel, in het Nederlands vertaald met Neem het niet!. Het succes van het boekje is ongeëvenaard; in Europa gingen miljoenen exemplaren over de toonbank. Het kost zo rond de drie euro. Men zou het kunnen zien als het sleuteldocument van het recente studentenverzet.

Tragisch genoeg is het geschreven door een drieënnegentigjarige man die al in de eerste zinnen van zijn essay zijn einde aankondigt: ‘93 ans! C'est un peu la toute dernière page. La fin n'est plus bien loin’. Hessel, die Buchenwald heeft overleefd en heeft meegeschreven aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, komt met een advies voor onze generatie: pik het niet, wees verontwaardigd, maak u kwaad.

Begrijpelijke woorden van iemand die zijn leven en loopbaan heeft geënt op het bestrijden van onrecht, sterk leunend op het ultieme onrecht: De Tweede Wereldoorlog. Op pagina 11: ‘Ik wens u allen, gezamenlijk en individueel, toe dat u een eigen motief hebt om verontwaardigd te zijn. Dat is een kostbaar iets. Als u verontwaardigd bent over iets, zoals ik verontwaardigd was over het nazisme, dan wordt u strijdvaardig, sterk en geëngageerd.’ Even later, alsof tegen zijn discipelen: ‘Zoek en u zult vinden.’ Verder staat het dertig pagina’s tellende boekje vol abstracties, vage noties van rechtvaardigheid en algemene klachten over zaken variërend van de kloof tussen arm en rijk, de uitputting der grondstoffen en de situatie in Palestina.

Dat iemand van drieënnegentig zich bedient van platitudes of idealistische rêverie is tot daar aan toe, maar dat de Europese opstandeling zijn boodschap, de introspectie van een man bezig aan la toute dernière page, heeft omgedoopt tot strijdmiddel is verwarrend, zo niet lachwekkend. De morele ijkpunten die voor Hessel van essentieel belang zijn, zijn voor ons aanzienlijk minder beladen en richtinggevend, aangezien we zijn directe ervaringen niet delen. De Tweede Wereldoorlog, het existentialisme van Sartre (Hessel citeert: ‘een mens is pas echt als hij zich engageert’): het zijn beelden en ideeën die in de loop der jaren sterk aan lading hebben ingeboet. De jonge Europeaan leest over indignation, neemt de woorden over, zonder na te denken over waar de klacht op steunt. In Spanje wordt deze lacune opgevuld door een ander monument van een generatie die de onze niet is: Marx. De boodschap van enkele studenten op het Puerta del Sol-plein: niets minder dan ‘de omverwerping van het kapitalisme’.

Kortom, onze generatie, wij, strijden voor rechtvaardigheid, zonder te weten waarop deze gestoeld zou moeten zijn, en wat we eronder verstaan. Dezelfde rechten als de generaties voor ons, klinkt het dan, maar dat is eveneens een zwaktebod, een argument uit de verdediging. Dan komt neem het niet neer op we willen meer, even veel nemen als onze ouders. Het op de straat gaan zitten, alsof om te zeggen, ik loop niet verder, ondertussen roepend dat het allemaal niet eerlijk is: het is het verlangen van een klein kind dat het spel verloren heeft, en zeker weet dat er is valsgespeeld. Wolfgang Gründiger, auteur van Die Aufstand der Jungen, schrijft over een op handen zijnde ‘oorlog tussen generaties’.

Nu, wij, jonge Europese studenten, gaan de strijd in met gedateerde wapens, ideeën die onze ouders meer zeggen dan onszelf, we spreken in een idioom dat zijn waarde verloren heeft. Als we demonstreren, en we iets te melden willen hebben naast een gerechtvaardigde weeklacht, moeten we duidelijk maken waarom wij nodig zijn, wat we te bieden hebben naast een diploma. Eerder dan voor een strijd zou ik daarom willen pleiten voor de metafoor van onderhandelingen. Wij hoeven geen rechtvaardigheid meer en de morele ijkpunten waardoor eerdere generaties zijn voortgestuwd zijn op, de wapens verroest. Wij zijn niet allemaal verloren, we zijn niet allemaal onverschillig, we roepen alleen in een taal die de onze niet is. In plaats van Hessel te citeren moeten we de onbeweeglijkheid van oudere generaties bevechten met de waarheid van de Londense veerman. Dat is de les die in Londen besloten ligt, en die niet te vinden is in pamfletten en debatclubs. ‘Voor deze rondleiding krijg ik niets betaald, u bent niet verplicht om geld te geven. Maar bedenk wel: uiteindelijk ben ik het die u van de boot helpt.’


Deze column verscheen op 6 oktober 2011 in verkorte versie in nrcnext.