De verlossing van de politieke achterban

Met de politiek gaat het al net zo als met de kerk: steeds minder mensen zien de noodzaak om zich als lid aan te melden. Het gevolg is dat de ledenadministraties hoofdzakelijk overlijdensberichten verwerken en het ledental systematisch terugloopt. Ook vorig jaar was dat weer het geval, zo blijkt uit cijfers van het Documentatiecentrum Politieke Partijen die onlangs bekend werden. Het CDA (93.400 leden) en de PvdA (52.350) raakten in 1996 meer dan vijf procent van hun leden kwijt en ook de VVD (52.350) ging met ruim twee procent in de min. Het hardst kelderde D66: met een ledenverlies van ruim zes procent komt de partij nog maar net boven de dertienduizend leden uit. Nooit eerder heeft een partij met zo weinig leden zo veel zetels gehad. Aangenomen kan worden dat deze trend zich alleen maar verder zal voortzetten. De lotgevallen van D66 zijn dan ook exemplarisch voor de toekomstige problemen van de hele Nederlandse politiek.

Wat zich bij D66 het meeste wreekt, is dat met een niet bestaand politiek verenigingsleven er ook geen partijspecifieke politieke cultuur en politieke tradities kunnen worden overgedragen. Partijen worden afhankelijk van een paar kopstukken, een paar ideeën en vooral van de wijze waarop ze in de media worden gerepresenteerd.
Verder wordt het steeds moeilijker om uit eigen gelederen kwalitatief goede bestuurders te recruteren. Mensen die in de partij hun sporen verdienen en dan tot het publieke ambt worden geroepen, zullen er in de komende eeuw niet meer zijn. D66 laat nu al zien wat daar het gevolg van kan zijn. Of er worden in gemeenten partijleden als wethouder naar voren geschoven die van toeten noch blazen weten, zoals sinds de stevige groei van D66 bij de laatste twee gemeenteraadsverkiezingen in menig stadhuis in het land is vastgesteld. Of er worden van buiten de politiek vakbekwame mensen ingehuurd die veel van een speciaal terrein weten, maar weinig van de politiek. Kijk naar Sorgdrager, naar Borst, naar Wijers, stuk voor stuk aardige vakministers voor wie het in principe eigenlijk niet eens zo veel uitmaakt van welke partij ze zijn. Er komt in dit soort moderne partijen vanzelf een modieus ogend technocratisch opportunisme bovendrijven.
Zonder zo'n vervelende achterban bestaat er voor politieke partijen eigenlijk niets meer dat de zuiverheid van het politieke denken en handelen bewaakt. Nu al zie je dat partijen niet meer talen naar een beginselprogramma, dat was het laatste speeltje van de achterban. Politici kijken niet naar principes, maar naar de media, dat is hun achterban geworden. Met uitzondering van Enneüs Heerma lijkt het erop dat de meeste politici daar in hun hart niet erg rouwig om zijn. De grote partijen hebben hun partijvoorzitters al op pad gestuurd om bij het ministerie van Binnenlandse Zaken voor het wegvallen van de lidmaatschapsgelden extra geld te regelen. Terwijl iedereen aan het einde van het millennium geacht wordt voor zichzelf te kunnen zorgen, gaat de democratie zichzelf ruimhartiger subsidiëren om te kunnen overleven.