Klara zegt nee, Uit het Frans (Le non de Klara, 2002)

De vernietiging en de vergetelheid

Soazig Aaron

Klara zegt nee

Uit het Frans (Le non de Klara, 2002)

vertaald door Eveline van Hemert

Cossee, 174 blz., e 18,90

Angelique noteert alles in een dagboek, juli ’45, de maand dat zij haar na drie jaar uit Auschwitz teruggekeerde schoonzus Klara Schwarz-Roth in huis heeft. Het kaalgeschoren scharminkel van 38 kilo was onherkenbaar, te meer daar ze Sarah Adler heette, naar de achternaam van haar Duitse vader, een Oberführer. Haar in Parijs achtergebleven dochtertje wil ze niet zien en over haar gestorven man heeft ze het niet. Praten wil ze wel, een hortende monoloog die geen tegenspraak duldt, zoals ze zich in alles weerbarstig betoont: Klara is het superlatief van nee, in alles. Op het eind neemt zij weer een andere naam aan, nu een gewone, en vertrekt naar Amerika – ze is toch dood, zegt ze.

Het verhaal klinkt bekend, hoe kan het ook anders, dat van de terugkeer minder dan wat Klara over het kamp vertelt: een collage van wat ex-gedeporteerden bericht hebben. Het bijzondere is dat het geschreven is door iemand van na de oorlog, Soazig Aaron (1949), het pseudoniem voor een Parijse boekhandelaar. Jorge Semprun was lyrisch in zijn voorwoord voor de Duitse uitgave: «De roman waarop ik wachtte: het is het eerste sterke, onvergetelijke bewijs van wat fictie vermag, een fictie die gedurfd en nederig onze intiemste ervaring met de vernietiging reconstrueert en behoedt voor vergetelheid», en zo meer. Ik vrees dat Semprun doorsloeg door een teveel aan herkenning. Voor een deel is het een – zoals dat dan heet – indrukwekkend boek, helaas is er meer of liever: een teveel. Had Aaron meer gedaan met de gespannen verhouding tussen teruggekeerde en achterblijvers, dan was het een nieuw verhaal geweest. Op wat Klara vertelt is er inderdaad door anderen niets terug te zeggen, op de gruwelverhalen niet, nog minder op de spreuken en grote woorden die haar in de mond gelegd worden. En dan de Duitse vader: niet alleen heeft de «ariër» zijn joodse vrouw de dood ingedreven; in Auschwitz ziet Klara hem ook nog in functie, pijnlijk. En op het laatst wordt het nog een echt verhaal: in het verwoeste Berlijn vond ze in juni ’45 het huis van haar moeder door bekenden ingepikt. Zij schiet het stel dood – en dat is nogal wat voor het hoopje mens dat in Parijs door haar schoonzus amper levend wordt aangetroffen. Te veel van het goede en dan gaat het goed fout bij zo’n gevoelig thema.