De verquizzing van hilversum

Over het een (het financieringstekort) praat iedereen, over het ander (de ontmanteling van Hilversum) wordt angstvallig gezwegen. Althans door regering en parlement. Er heeft zich een complete revolutie in de wereld der audiovisuele media voorgedaan, maar de landspolitiek hult zich in ‘onbegrijpelijke stilte’ (Vara-voozitter Marcel van Dam). Onbegrijpelijk, behalve voor diegenen die weten dat Hilversum de enige gemeente des lands is waar de zuilen nog recht overeind staan, met hun traditionele dwarsverbindingen naar het Binnenhof, ook al is de Partij van de Arbeid niet meer officeel met de Vara getrouwd en is het CDA voor zo'n KRO inmiddels niet zo heilig meer.

De publieke omroep lijkt ten dode opgeschreven, na reeds als cultureel instrument te zijn afgeschreven, dus erg sentimenteel hoeven wij daarover niet te doen. Zelfs het begrip ‘publieke omroep’ kan de motteballen in, concludeert Arie Kleywegt, ex-televisiedirecteur van de VPRO. Het is, zegt hij, de verouderde omschrijving van 'de opgeblazen heilige hosties van identiteit en pluriformiteit’. Kwalitatief stelt het allemaal weinig meer voor. 'Die publieke omroep, waarover nu zoveel tranen worden vergoten als gold het de bedreigde kroonjuwelen, bestaat in Nederland helemaal niet. Wat daarvoor in dit land wil doorgaan, is niet meer dan een ratjetoe van gelegitimeerde marskramerijtjes in ditjes en datjes, waarin samenhang noch lijn valt te bespeuren.’
De traditionele omroepvereniging, met zijn nestgeur en rituelen, is inmiddels een sociologische antiquiteit. Niet alleen de meeste politieke partijen, maar ook de diverse omroeporganisaties zitten in het risicoloze midden, een enkel programma van de wakkere EO en VPRO wellicht uitgezonderd. Voor de rest is de Vara inwisselbaar met de KRO en doet de Avro qua vooruitstrevende braafheid niet onder voor de NCRV. Er wordt inmiddels zelfs enigszins samengewerkt (wat tot voor kort ondenkbaar was), zonder dat het Godsvolk of de socialistische achterban daar moeilijk over doet. Waarom zou men? Hilversum heeft immers collectief voor het dreunende niets gekozen. In de krampachige pogingen de commerciele concurrentie op eigen terrein het hoofd te bieden, is de informerende taak verreweg door de amuserende taak overvleugeld. De 'publieke omroep’ besteedt inmiddels een kwart meer zendtijd aan divertissement dan de pretfabrikanten te Aalsmeer en Luxemburg.
Hilversum is verquizzt en de shows swingen de pan uit. Het zijn genres waar niet moraliserend over hoeft te worden gedaan, want het is op zichzelf geen onoirbare manier om de avond door te komen. Laten wij volstaan met de nuchtere constatering dat dit soort programma’s niet zuilgebonden is. Ook de Vara zal ons niet willen wijsmaken dat de quiz Twee voor twaalf erop gericht is de kennisachterstand van de arbeidersklasse op de bourgeoisie te verkleinen, net zomin er een typische christelijke manier van voetballen bestaat - al zal FC Spakenburg daar wellicht anders over denken. Niettemin wordt er hevig om de vaderlandse voetbalcompetitie geworven, zoals er voor menig glitterende pretfiguur kapitalen worden neergeteld opdat voorkomen worde dat hij naar Aalsmeer verhuist. Laat hem! Gun de commercie al het amusement, de divertisserende tak van het bedrijfsleven waar men in dat milieu per definitie meer verstand van heeft. Opdat de 'publieke omroep’, zonder noodzaak zich voor de kijkers te verhoeren, zich kan concentreren op datgene wat zij zou moeten doen. Andermaal Arie Kleywegt: een publieke omroep 'is een organisatie die via de audio- en visuele media een programmapakket aanbiedt dat een evenwichtige afspiegeling vormt van wat door het menselijk vernuft in zijn totaliteit aan kennis, wetenschap, kunst en cultuur is voortgebracht en waarin geen andere belangen een rol spelen dan die van een openbare dienstverlening. Zulk een instituut, op enigerlei wijze door de overheid gegarandeerd, onafhankelijk en centraal geleid, niet besmet of verstoord door reclameboodschappen, zal moeten worden gefinancierd uit de algemene middelen.’
Het is, zoals de meeste diepe waarheden, helder en overzichtelijk geformuleerd. Inclusief die passage over de rol van de televisiereclame. Die vormt een onderdeel van de algemene misere. In het huidige bestel is reclame onontbeerlijk. Hoezeer wij ook klagen over al die waspoeders, inlegkruisjes en babyluiers die ons door de strot worden gewrongen, de programma’s - op de commerciele en publieke netten - worden ervan gefinancierd. Maar een genoegen is het zelden. In de race om zichzelf economisch overeind te houden lijkt de reclame voor de publieke omroep steeds onontbeerlijker te worden. Dus het wordt meer, en luider, en indringender, een machteloze schreeuw om aandacht, waar iedereen horendol van wordt. Tot de reclamemakers toe, van wie blijkens een recente enquete drieenvijftig procent zich voor een reclamevrije zender heeft uitgesproken. Een meerderheid binnen een beroepsgroep die dat nota bene als negotie heeft! Het illustreert andermaal hoe hoog de nood in Hilversum is gestegen. Terwijl het bekende voorbeeld van de BBC demonstreert dat het anders kan, zonder dat de Britse publieke omroep - een door de overheid gegarandeerde vorm van publieke dienstverlening die reclamevrij is - de indruk maakt in existentiele nood te verkeren.
Het is in Hilversum niet allemaal de dood in de pot. Er begeven zich door Het Gooi werkelijk sommige mensen die het goed met ons menen. Maar zij zijn meestal machteloos. In de neurotische jacht op de kijkcijfers speelt bijvoorbeeld de cultuur al jarenlang een zo marginale rol dat de schaarse produkties op dit terrein inmiddels via een extern fonds worden gefinancierd, waarzonder Het Gooi een grote, dorre, platgeslagen woestenij zou zijn. Redelijkheid is geboden: er valt voor de kijker die iets anders wil dan die eeuwige shows en quizzen, al zuchtend en zappend, best een uur aanvaardbare televisie per avond bij elkaar te sprokkelen. Maar daar kan een hoogontwikkelde natie als de onze niet mee volstaan. Dus daar moet iets aan worden gedaan. Tot dat moment kan men niet anders dan constateren dat de Nederlandse televisie, als instrument om de ingezetenen des rijks wat wijzer en minder ongelukkig te maken, allang geen serieuze rol meer speelt.