De verroeste kaders

JOERI MASLJOEKOV, de nummer twee in het kabinet van Jevgeni Primakov, is het symbool van de heersende verwarring binnen de Russische communistische partij. Reeds in juli trad hij toe tot de regering-Kirijenko als minister van Industrie en Handel. De partij reageerde verdeeld op zijn overstap naar de ‘regering van agressieve jonge stommelingen’. Het Centraal Comité bepaalde dat het ‘onmogelijk was voor Joeri Masljoekov om zich bij de huidige regering aan te sluiten’, terwijl partijleider Zjoeganov Masljoekov zijn zegen gaf. Joeri Belov, lid van het partijbestuur, donderde dat Masljoekov de partij had verraden en de voetveeg van de president was geworden. Nog geen drie maanden later is Masljoekov de held van de communisten. Uit hun naam gaat hij de economie beheren.

Ex-politbureaulid Masljoekov behoort tot een groep van gematigde communistische afgevaardigden die een dialoog met de autoriteiten voorstaan. Masljoekov kan het goed vinden met hervormers als Anatoli Tsjoebais. Als parlementslid zorgde hij ervoor dat zijn partijgenoten trouw de begroting van de regering goedkeurden. Hoewel hij van 1988 tot 1991 het staatsplanbureau leidde, is hij volgens Tsjoebais goed ingevoerd in de westerse economische terminologie. Oud-medewerkers van Masljoekov omschrijven hem als een technocraat van de oude stempel zonder ideeën. Hij zou immer de bestaande koers handhaven. Dat betekent dat de hervormingen bij hem in goede handen zijn.
De gematigden vormen binnen de communistische Doema-afvaardiging een minderheid. Zij ontlenen hun prestige aan de steun die zij krijgen van de ‘rode gouverneurs’, senatoren die via de partijlijst in het hogerhuis zijn gekozen. De meerderheid van de communistische lagerhuisleden is echter radicaal. Zij zijn uit op een confrontatie met de autoriteiten en willen een machtsovername forceren door het land in een crisis te storten. Doema-afgevaardigde Teimoeraz Avaliani van het leninistisch-stalinistisch platform beschuldigt de partijleiding van 'rechts-verzoenende afwijkingen’ en eist 'personele wijzigingen’ in de top. 'De anti-wetenschappelijke aanname dat Rusland zijn quota aan revoluties heeft opgebruikt’, stelt hij, 'heeft het werk en het prestige van de partij schade gedaan.’
Zjoeganov heeft als grote baas zijn handen vol aan het beheersen van de tweedeling in de partij. Met Avaliani wist hij succesvol af te rekenen. Maar in andere gevallen leed hij nederlagen. Zijn grootste gezichtsverlies liep hij op bij de benoeming van Kirijenko tot premier. Het Centraal Comité had voor de derde en beslissende stemronde besloten dat de communistische afgevaardigden hun stembiljet moesten weigeren. Een groep van ongeveer zeventig dissidenten, onder wie Masljoekov, negeerde het Centraal Comité en stemde voor Kirijenko. De dissidenten kregen een uitbrander, maar tot een uitzetting uit de partij kwam het niet, ondanks dreigementen. Om de eenheid in de partij te bewaren werd het incident afgedaan als 'triviaal’.
De ongehoorzaamheid van de gematigden toonde dat Zjoeganovs macht tanende is. Zijn falen was des te pijnlijker omdat hij onder druk van de radicalen voor het eerst zijn tanden wilde laten zien. De afgang dwong Zjoeganov tot verdere concessies aan de extremisten. Hij verwijderde de belangrijkste partijideoloog van de verzoening, Aleksej Podberjoskin, uit zijn kring van intimi. Bovendien werd hem een hardere partijlijn opgedrongen.
Hoewel de theorie van het 'vreedzaam in de macht groeien’ gehandhaafd bleef, formuleerde de partij drie nieuwe doelen. Om te beginnen moest de vernietigende invloed van de regering waar mogelijk worden beperkt. Vervolgens moest de regering zo snel mogelijk tot aftreden worden gedwongen. Ten slotte moesten de communisten zich in allerhande commissies en instellingen melden om alvast bestuurservaring op te doen. Het derde punt was een handreiking aan de gematigden. Masljoekov maakte onmiddellijk van dit punt gebruik en stapte in de regering-Primakov.
NIET ALLEEN de interne druk in de partij dwingt Zjoeganov tot radicalisering. Ook in de samenleving neemt de onverzettelijkheid tegen Jeltsin toe. De mijnwerkersstaking van de afgelopen zomer was het grootste sociale protest sinds de ineenstorting van de Sovjetunie. Harde acties als het blokkeren van spoorlijnen zetten de vakbonden voor het blok. De overkoepelende vakbondsorganisatie, de Fitoer, nam lange tijd een verzoenende houding aan tegenover werkgevers en regering. Politieke eisen waren voor de Fitoer onbespreekbaar, looneisen bleven gematigd. De mijnwerkersacties drongen de vakbonden een nieuwe kant op. Om niet de invloed op de achterban te verliezen, verklaarde de Fitoer zich solidair met de stakingen en de onrusten. Bovendien ondersteunde ze voor het eerst de politieke eisen van de communistische radicalen.
Tegelijkertijd blies de Fitoer haar politieke partij, de Arbeidsunie, nieuw leven in. De partij had in 1995 in een coalitie met werkgevers meegedaan aan de parlementsverkiezingen en was vervolgens weggekwijnd. Aan het hoofd van de vernieuwde Arbeidersunie werd Andrej Isajev benoemd, een van de aankomende jonge linkse sterren aan het politieke firmament. Met een potentiële aanhang van 45 miljoen (het ledenaantal van Fitoer) werd de Arbeidsunie een serieuze concurrent voor de communisten. Zjoeganov reageerde gebeten op de dreiging. De partij nam een resolutie aan die de vakbond op haar plek zette. De Fitoer-leiders werden officieel bestempeld als 'verzoeners’ die uit hun organisatie moesten worden verdreven. Zjoeganov wilde dat de partij zich aan het hoofd van het mijnwerkersprotest stelde.
Behalve de Arbeidsunie en de eigen achterban kampt Zjoeganov met een derde probleem: de opkomst van Aleksandr Lebed. De generaal won in mei de verkiezingen voor het gouverneurschap van Krasnojarsk tegen een door de communisten gesteunde kandidaat en bewees aldus de proteststemmen tegen de regering te kunnen afsnoepen van Zjoeganov.
DOOR AL DIE onzekerheden en onenigheden is de communistische partij ernstig aan het zwalken geslagen. Bij de stemming over kandidaat-premier Tsjernomyrdin bleek weer eens de tweeslachtigheid van de partij. De gematigden sloten een akkoord met Jeltsin. De radicalen dwongen Zjoeganov vervolgens dit akkoord te verwerpen. Zij wensten een confrontatie, maar Zjoeganov wist dat hij de gematigden daartoe niet zou kunnen dwingen. De regering-Primakov kwam daarom voor Zjoeganov als een geschenk.
Niettemin zal de regeringsdeelname de tweedeling in de partij verhevigen. Minister Masljoekov staat tussen twee vuren. Hij moet er enerzijds voor zorgen dat de coalitie onder Primakov de schijn van hervormingen ophoudt. Anderzijds moet hij de effecten van de hervormingen zien tegen te gaan. Sluit hij te veel compromissen, dan zullen de radicalen, gesteund door de Fitoer en de Arbeidsunie, zich gaan roeren. Wordt hij daarentegen gedwongen tot een radicale opstelling, dan kunnen de gematigden zich afsplitsen om hun regeringsbevoegdheden veilig te stellen. Voor hen is dan een coalitie met bijvoorbeeld de sociaal-democraten van burgemeester Joeri Loezjkov van Moskou een optie.
Maar ook al zou de partij onder leiding van Zjoeganov de eenheid weten te bewaren tot aan de parlementsverkiezingen volgend jaar, dan heeft zij een grote kans uiteen te vallen. De breuk treedt dan echter niet op tussen gematigden en radicalen maar tussen de partijnotabelen in Moskou en de achterban in de provincie. Een voorbode van zo'n scheuring was Lebeds verkiezingswinst in Krasnojarsk. Terwijl het landelijke bestuur van de communisten Lebeds tegenstander ondersteunde, koos de lokale communistische afdeling partij voor de generaal. Welk scenario ook gevolgd wordt, de huidige crisis in Rusland zal de communistische beweging splijten.