Roland Barthes, Het werkelijkheidseffect

De verschijning van het ‹ik›

In de onlangs verschenen bundels ‹Het werkelijkheidseffect› en ‹Memo Barthes› staat het theoretische ‹ik› van Roland Barthes ter discussie. Vooral in een dagboek of essay speelt het ik meerdere rollen tegelijk, wat juist voor de schrijver de meeste onzekerheid kan opleveren.

Op 22 juli 1977 schrijft Roland Barthes: «Ik is moeilijker te schrijven dan te lezen.» We weten dat omdat hij die dagboekaantekening nauwkeurig gedateerd heeft en vervolgens heeft opgenomen in het essay Afweging, dat ruim twee jaar later zou verschijnen in het tijdschrift Tel Quel. Kort daarvoor is Barthes tot hoogleraar benoemd aan het Collège de France: na het lidmaatschap van de Académie Française het hoogste dat een homme de lettres in Frankrijk kan bereiken.

Op 7 januari van dat jaar heeft Barthes zijn inaugurele rede gehouden onder de eenvoudige titel Leçon. De radicaliteit ervan verwekt een klein schandaal. «De taal», zo houdt Barthes zijn gehoor voor, «is niet reactionair noch progressief. Ze is simpelweg fascis tisch.» Voor een semioloog, die beroeps matig de hele werkelijkheid ziet als een tekensysteem en dus als een taal, is dat onthutsend pessimistisch. Als mensen gemaakt worden door de taal die hen omsluit en die laatste een ijzeren machtsstructuur be lichaamt, is de humanistische droom voorgoed uitgedroomd.

Dat was inderdaad de boodschap die het structuralisme in de Franse menswetenschappen sinds een paar decennia uitdroeg, en ook Barthes had in de methoden daarvan geloofd. Tien jaar eerder had hij ze streng toegepast in zijn analyse van het «systeem» van de mode, dat zich van zijn kant ook al als een taal liet lezen. Maar in de jaren zeventig verslapt het structuralisme zijn greep. Michel Foucault begint dat decennium nog met een geharnast vertoog over de macht als de enige ware oorsprong van de menselijke subjectiviteit en ook hij grijpt daar zijn inaugurale rede voor het Collège de France voor aan.

Maar wanneer Barthes daar zijn collega wordt, heeft het «ik» dat voor zichzelf leert zorgen en zich vanuit een eigen bekommernis vormt, het burgerrecht in zijn denken herkregen. En Barthes zelf was altijd al een te impressionistische essayist geweest om zich door de structuralistische geboden te laten insnoeren. In zijn vraag naar het ik klinkt opnieuw de authenticiteits-filosofie van Sartre door die hem in zijn jeugd gevormd had. Het subject kan, ondanks alle systemen en structuren die het scheppen en bepalen, niet geheel verdwijnen. Maar probleemloos is het allang niet meer.

Die ongrijpbare positie van Barthes, te vrij om zich de wet te laten voorschrijven door de academische parolen van zijn tijd, heeft hem bijna 25 jaar na zijn vroegtijdige dood in 1980 voor veroudering bewaard. Zijn verzameld werk is inmiddels uitgegeven in handzame paperbacks en ze worden aangevuld door de nagelaten teksten van zijn colleges. In Nederland zijn gelijktijdig twee bundels met teksten over en van Barthes verschenen, waarin ook het essay Afweging te vinden is, inclusief het dagboek waarin hij het probleem van het ik oproept. Wat is de status van dat ik, wie beantwoordt eraan en aan welke regels is het onderworpen? Want regels zijn er, hoe spontaan het zich ook mag voordoen, vooral in het genre dat van het wegvallen van ieder voorbehoud zijn voornaamste deugd maakt: het journal intime.

Vooral wanneer het dagboek zich tot een lezer richt, is het ik dat zichzelf in zijn eigen woorden ontdekt, een ik dat zich exposeert. Zodra de vraag van de publiceerbaarheid opduikt, maakt het ik zichzelf tot een acteur die de rol speelt geen rol te spelen en die, zoals Rousseau in zijn Bekentenissen, rücksichtslose oprechtheid belooft, die hij dus veinst. Voor Barthes is de grens tussen het publieke en het private scherp afgebakend — en het vermoeden dat dat iets met zijn eigen gereserveerde persoonlijkheid te maken heeft dringt zich daarbij sterk op. Het private ligt immers aan gene zijde van de grens waarover men nog publiekelijk kan spreken en daarom blijft ook het private schrijven onzichtbaar. De vraag of het toegankelijk zou zijn voor een semiologische analyse lijkt daarmee voor Barthes reeds bij voorbaat onbeantwoordbaar.

De rol van het ik in het dagboek is dus altijd dubbelzinnig en daarom is het op een andere wijze onecht dan het ik in de roman. Is de laatste principieel fictioneel, het ik in het dagboek is dat niet, tenzij het een roman in dagboekvorm betreft. Het journal intime pretendeert wel degelijk een werkelijkheid te weerspiegelen, en niet alleen te scheppen. Ook het daarin aan het woord komende ik is zo’n realiteit — en tegelijk ook niet. Want om te beginnen wordt de betekenis van het ik in de tekst zelf geschapen: al schrijvend ontdekt het wie het is. Die identiteit bestáát, maar vreemd genoeg alleen maar dankzij een medium waarin het volgens structuralistische beginselen niet zijn eigen schepper is. Het bestaat in en dankzij de woorden die het schrijft en spreekt, maar is tegelijkertijd meer dan dat. Daarin onderkende Barthes de grenzen van de structuralistische orthodoxie en vandaar diens op het eerste gezicht wonderlijke aantekening dat het ik moeilijker te schrijven is dan te lezen. In het lezen zijn de problemen immers te overzien, ook al zijn ze daarmee nog niet eenvoudig. Het teken «ik» is analyseerbaar als alle andere tekens in de tekst, al heeft het de extra moeilijkheid een shifter te zijn: de betekenis ervan verschuift al naar gelang degene die aan het woord is en «ik» zegt. De vraag «Wie spreekt?» in de literaire tekst is moeilijk, maar voor de literaire tekstanalyse is ze in principe oplosbaar.

Veel moeilijker ligt dat aan de zijde van het schrijven, des te meer wanneer zich dat als een publieke act verstaat. Het ik dat zich neerschrijft weet zich immers direct ontroofd aan de spontaniteit van het subject dat het voortbrengt. De schrijver heeft geen zeggenschap over de betekenis die zijn woorden feitelijk zullen gaan krijgen. En daarmee is ook het ik dat in zijn woorden gestalte krijgt van begin af aan onteigend. Hij weet niet (of slechts in beperkte en nooit zekere mate) tot welke constructie van «de auteur» hij daarmee aanleiding geeft. Zijn ongemak huist in de zich aankondigende discrepantie tussen dit zich publiek construerende ik en het ik dat hij in zijn eigen intimiteit kent. En, zoals Sartre in zijn fameuze analyse van «de blik van de ander» onthulde, hij weet dat hij dit publieke ik nooit geheel zal kunnen verloochenen. Het blijft hem aankleven, hoe ont eigend het ook is.

Het tweede ongemak, dat het eerste nog versterkt, is dat het ik ook in zijn eigen intimiteit niet geheel van zichzelf zeker kan zijn. Het is ongewis op het moment waarop het zich gaat uitspreken — en ook ongewis is wat het zal gaan uitspreken. Wanneer het schrijven aanvangt weet het vaak maar nauwelijks wat het zal gaan zeggen en waar het zal uitkomen. Het verkrijgt pas zekerheid in het proces zelf en ontdekt daarin, als het ware achteraf, wat het wilde gaan schrijven toen het de pen opnam. Het enige wat op dat moment onmiskenbaar is, is een vaag gevulde wil tot schrijven.

In het proces waarin de tekst vorm krijgt, verkrijgt ook die wil zijn inhoud. Beter gezegd: de wil transformeert zich tot een ik dat denkt en wel dít denkt. Het voornemen wordt feit: niet alleen het feit van de tekst maar ook dat van de uitgesproken wil. Pas wanneer de tekst klaar is weten we wat we wilden zeggen. Al ligt er tussen voornemen en resultaat vaak een discrepantie, die de vorm aanneemt van een bijna onvermijdelijke teleurstelling van de schrijver over de tekst, toch is dit resultaat datgene waarin de auteur zijn denken heeft aangetroffen. Het schrijven is een waagstuk waarin het ik wordt geconstrueerd en vorm krijgt, zij het langs heel andere lijnen en volgens andere wetten dan die van het lezen.

In dat laatste is er hoogstens een discrepantie tussen het ik van de schrijver dat door de lezer in de tekst ontcijferd wordt en de verwachting die hij daarvan had. Zijn verwachting wordt door de lectuur echter eenvoudigweg gecorrigeerd. Als ze al aanleiding geeft tot teleurstelling, dan is die van de orde van de fout. Maar de discrepantie die de schrijver ervaart tussen het ongearticuleerde ik dat wil gaan schrijven en het ik dat hij in zijn eigen woorden voor zichzelf geconstrueerd ziet, is niet (of niet alleen) van feitelijke maar ook van morele aard. Als hij daarin is teleurgesteld, dan is dat een teleurstelling in zichzelf: hetzij in zijn eigen inslag, die hij dankzij het schrijven heeft leren kennen, hetzij in zijn vermogens tot uitdrukking die tekortschieten ten aanzien van wat hij van zichzelf weet.

Uitdrukking — het taboe van de literaire lezing van de tekst — is er bij het schrijven immers wel degelijk. Ze is de vector van de schrijverswil die het proces initieert en voortstuwt. Precies daarom is het schrijven van het woord «ik» in een openbare tekst zo hachelijk. Het kan falen ten aanzien van een taak die voor de lezer van de tekst niet eens verschijnt. Wat de schrijver namelijk neer- en uitschrijft is niet alleen het literaire ik van de tekst, maar ook zijn eigen ik, als tegelijk privaat en publiek fenomeen.

De hachelijkheid van die ik-vinding onttrekt zich aan iedere structurele tekenanalyse. Vanaf het moment waarop Barthes zijn laatste studie over de mode letterlijk had voleindigd, lijkt ze in toenemende hevigheid de obsessie van zijn teksten te zijn geworden. Wat daarin op het spel kwam te staan was de theoretische relevantie van de biografische terughoudendheid, waarin het biografische tegelijk wél en niet mocht verschijnen. Het was, in zekere zin, de grens van de reflectie, maar maakte — juist als grens — daarvan niettemin deel uit.

En zo verschijnt de eerste persoon enkelvoud steeds veelvuldiger in Barthes’ teksten, in een ongewisheid die niet alleen meer de literaire status daarvan betrof. Het ging hem wel degelijk om een werkelijkheid die door en in het schrijven geconstrueerd werd, volgens een procédé dat hij jaren eerder al in zijn essay Het werkelijkheidseffect had beschreven. Daarin ging het nog alleen om de «wereld» die door de woorden in het leven werd geroepen. De realiteit die de schrijver schept is niet alleen van de orde van het teken: ze bestaat. Diezelfde constructie-idee gaat nu ook het ik van de schrijver gelden, die zichzelf in zijn schrijven gestalte geeft en daarmee de realiteit schept van wat hij «is». Dit, Roland Barthes, ben ik: Roland Barthes par Roland Barthes, zoals hij in 1975 zijn impressionistische autobiografie in beelden en teksten noemt.

Het grootste angstmoment in dit zelf bewuste schrijven is de introductie van de shifter «ik», die niet langer alleen een linguïstische shifter is, maar het ten tonele verschijnen van een (vooralsnog onbepaalde) subjectiviteit die ertoe doet. Dat is, zoals iedere essayist weet, een halsbrekende toer. In zijn bijdrage aan de bundel Memo Barthes beschrijft Jacq Vogelaar hoeveel waaghalzerij de sprong van de derde naar de eerste persoon hem gekost heeft. Zoveel dat Vogelaar bekent dat hij het zonder voorbeeld nooit had gered. «Zonder Barthes, bedenk ik, zou ik indertijd niet gauw gedurfd hebben publiekelijk het woord ‹ik› te gebruiken», schrijft hij en dan is het meteen ook drie keer raak in dezelfde zin.

De grammaticale tour de force die een overgang van het neutraal-algemene van de derde persoon naar de introductie van een «mij» vereist, kent iedere essayist die het ooit geprobeerd heeft. Hij moet zorgvuldig worden ondernomen, wil de breuk in de wijze waarop het schrijvende subject zichzelf benoemt niet tegelijk een catastrofale stijlbreuk worden. Hoe glijd je van het objectieve en onpersoonlijke soepel naar het individuele, dat zich daarin toont als iets wat organisch met de wereld is vermengd? Hoe toont zich, met andere woorden, de schrijverswil, zonder de wereld van zijn kant geheel tot het narcistische ik te reduceren? Wat is het ik dat zich ten slotte in de tekst blijkt te hebben gerealiseerd, en hoe ziet dat eruit? Hoe is de wil betekenis geworden?

Zoiets blijkt, op zijn beurt, alleen achteraf. Wat wist ik tenslotte van mijn voornemen hier iets te schrijven over Roland Barthes, totdat het, op dit punt aangekomen, daadwerkelijk op het scherm van mijn computer stond zoals u het nu op het papier gedrukt ziet? Wat vond ik eigenlijk van Barthes en zijn ik op het nu definitief onachterhaalbare moment waarop ik (Ger Groot) dit stuk begon te schrijven?

Ik schrijf mijn woorden en vind mijn gedachten: zo moet het ongeveer gegaan zijn. Of dat de bedoeling was van mijn schrijverswil is misschien een zaak van secundaire orde. Wat telt is dat hij zich erin heeft gerealiseerd en dat ik het ermee zal moeten doen, net als u. En misschien zal ik net als u daarover een zekere bevreemding voelen, al heeft die voor ieder van ons een geheel andere status. De wil is woord geworden en rond de as van dat laatste ontmoeten wij elkaar: u en ik, dierbare onbekenden die wij voor elkaar geworden zijn.

Roland Barthes

Het werkelijkheidseffect

Historische Uitgeverij Groningen, 214 blz., € 24,95

Rokus Hofstede & Jürgen Pieters

Memo Barthes

Uitg. Vantilt & Yang, 238 blz., € 18,80