Profiel: Okwui Enwezor

De verschrikkelijke nabijheid van verre oorden

In New York is de laatste tentoonstelling van de hand van Okwui Enwezor geopend. De Nigeriaanse curator bewees dat de kunstgeschiedenis niet in steen staat geschreven.

Okwui Enwezor in Venetië, 2014 © Giorgio Zucchiatti / Courtesy Archivio Storico della Biennale di Venezia

In the World but Don’t Know the World van de Ghanese kunstenaar El Anatsui heet een ‘wandsculptuur’ te zijn. Het is geen kleed dat willoos aan een muur naar beneden hangt, maar ook geen beeld dat stevig op zijn poten of sokkel staat. Het is een kunstwerk dat bobbelt tegen de muur als een slecht aangebracht behang, de vorm rimpelt en plooit als een afgepelde slangenhuid in een spel met een prachtig kleurenpatroon. Het doet denken aan een landschap dat je kunt lezen van links naar rechts, maar evengoed andersom, met helemaal rechts mogelijk een mensfiguur, of twee misschien.

Feitelijk bestaat het werk uit een lange lap van aan elkaar genaaide flessendoppen, een stroom van glimmende kleur gedragen door het aluminium als olie op water. Ja, het is met recht een wandsculptuur, door Anatsui gemaakt in 2009 en sindsdien op vele plekken in de wereld in verschillende verschijningsvormen te zien geweest, want er bestaat geen instructie van de kunstenaar over hoe het werk te installeren. In the World but Don’t Know the World is een prachtige titel.

Sinds kort is dit kunstwerk in Nederlands bezit, aangekocht door het Stedelijk Museum in Amsterdam ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan, samen met Kunstmuseum Bern. Directeur Rein Wolfs zei er onder meer over: ‘Voor ons wijst deze jubileumaanwinst de richting aan waar het Stedelijk de komende 125 jaar naartoe wil. We werken aan een verbreding van de collectie, met ook kunstwerken uit andere dan de voor het Stedelijk gebruikelijke herkomstlanden. El Anatsui’s werk staat als geen ander voor de hedendaagse kunst uit Afrika en de Afrikaanse diaspora.’

Het kunstwerk heeft volgens Wolfs alles in zich om een publiekslieveling te worden en inderdaad, het zal geen bezoeker teleurstellen en niet gauw vervelen. Het enige wat je tegen de aankoop in kunt brengen is dat deze rijkelijk laat komt, zowel voor deze kunstenaar als voor dit kunstwerk: in 2009 al kreeg El Anatsui de Prins Claus Prijs uitgereikt, nota bene in Amsterdam, en was zijn werk wereldwijd al lang en breed getoond en aangekocht.

Anatsui, zo blijkt uit een recent profiel in The New Yorker, verzet zich zelf hartgrondig tegen het predicaat ‘Afrikaanse kunstenaar’. Maar in de ogen van het westerse kunstinstituut is dat nu eenmaal waar zijn werk voor staat. De aankoop van het Stedelijk toont de complexe positie van een museum met internationale ambities dat in cruciale jaren andere dingen aan het hoofd had. Dat wel degelijk kunst uit ‘andere dan de voor het Stedelijk gebruikelijke herkomstlanden’ heeft laten zien, maar vandaag de noodzaak voelt om het karakter van deze aankoop te onderstrepen. De grote om- en inhaalslag in programmering en verzamelbeleid, waar al jaren over wordt gesproken, zal nu immers moeten plaatsvinden wil het museum de aansluiting met de tijdgeest behouden.

Wat zou Okwui Enwezor van de aankoop en het statement van de directeur hebben gevonden? We kunnen het de curator, criticus en docent, geboren in Nigeria in 1963, na zijn overlijden in 2019 niet meer vragen. Maar de carrière van Anatsui is onlosmakelijk met die van Enwezor verbonden.

Enwezor was na zijn jeugd in Nigeria, waar hij als behorend tot de etnische groep Igbo met zijn familie moest vluchten voor de Biafraoorlog, woonachtig in de Verenigde Staten en Duitsland. Na een studie politicologie in New Jersey en aspiraties in de poëzie kwam hij op het pad van de beeldende kunst. Uit onvrede van wat hij daar zag, lanceerde hij in 1994 (samen met Salah M. Hassan en Chika Okeke-Agulu) het tijdschrift Nka: Journal of Contemporary African Art. Al in de eerste zin van het redactioneel in het eerste nummer lanceerde Enwezor zijn indruk van de kunstscene: ‘Een van de problematische aspecten van het bezoeken van musea, kunstgaleries en andere plekken van culturele waardering, in Europa en in de Verenigde Staten, is de alomtegenwoordige afwezigheid in deze streng bewaakte omgevingen van kunst van hedendaagse Afrikaanse kunstenaars.’ De gevestigde kunstwereld deed volgens hem alsof er niet zoiets bestond als ‘hedendaagse’ kunst uit Afrika en toonde het alleen vanuit vooropgestelde ideeën. Enwezor noemde Magiciens de la Terre in het Centre Pompidou in Parijs in 1989 als voorbeeld van de exotisering van Afrikaanse culturele producten en wond zich op over Primitivism in 20th Century Art: Affinity of the Tribal and Modern in het MoMA in New York in 1984. Als er slechts sprake zou zijn geweest van een ‘affiniteit’ met ‘primitivisme’, schreef hij, ‘dan moeten Picasso, Klee, Brancusi, Braque, Modigliani, zelfs Matisse, wel haar onwettige kinderen zijn’.

Hoe kunst uit Afrika in te passen in dit halsstarrige narratief? De postmoderne tijd was aangebroken, maar de pretenties van een open blik waren volgens Enwezor een wassen neus. ‘Old habits die very hard’, schreef hij. Gangbare concepten in de kunst, zoals de ‘periferie’ en de ‘Ander’, waren niet alleen misplaatst om kunst van een heel continent mee te duiden, maar deden ook geen recht aan de complexiteit van kunst die op zichzelf stond, die een eigen ontwikkeling van het ‘modernisme’ had doorgemaakt, los van het Westen dat zichzelf nog altijd zag als stralend middelpunt. Enwezor bezigde in zijn tekst een uitspraak van Audre Lorde: ‘The master’s tools will never dismantle the master’s house.’

Enwezor belichaamde de verandering, als zwarte intellectueel in het witte kunstbolwerk

Nka bood kritische reflectie op kunst die elders onbesproken bleef. In het eerste nummer verscheen onder meer een interview met El Anatsui, die toen nog werkte aan sculpturen van hout. 25 jaar later, in 2019, opende in het Haus der Kunst in München El Anatsui: Triumphant Scale, waar ook In the World but Don’t Know the World deel van uitmaakte. Dit was de laatste tentoonstelling georganiseerd door Enwezor en de eerste museale solotentoonstelling van Anatsui in Europa. In de kwart eeuw tussen de oprichting van Nka en Triumphant Scale was de kunstwereld veranderd, eindelijk klaar om kunst uit bijvoorbeeld Afrika binnen te laten. Enwezor was een van de drijvende krachten achter die verandering geweest. Zonder Enwezor geen Anatsui in het Stedelijk.

Eigenlijk was het niet zozeer de kunst die was veranderd, maar de wereld die een ‘global turn’ maakte waar de kunstwereld niet bij kon achterblijven. Enwezor belichaamde die verandering, als zwarte intellectueel in het witte bolwerk van de kunst, en had in zekere zin de wind mee. Het is bepaald niet zo dat culturele instellingen hun deuren plots openzetten voor kunst uit niet-westerse landen, maar Enwezor, die zich inmiddels tot curator had ontpopt, vond een ingang.

Kort na de oprichting van Nka mocht hij in het Guggenheim in New York een tentoonstelling inrichten als eigentijdse tegenhanger van een grote Afrikaanse tentoonstelling in het museum. In/sight: African Photographers, 1940 to the Present toonde werk van fotografen uit Afrikaanse landen die de ‘postkoloniale’ tijd vastlegden. Het was deze hedendaagse kunst, voortkomend uit onafhankelijkheids- en vrijheidsbewegingen, die verraste en wervelende recensies kreeg, terwijl Africa: The Art of a Continent in The New York Times werd weggezet als arrogant en aan alle kanten problematisch.

Grotere tentoonstellingen volgden. The Short Century: Independence and Liberation Movements in Africa 1945-1994 trok in 2001 en 2002 langs musea in Europa en de Verenigde Staten met kunst, film, fotografie, architectuur, muziek, literatuur, theater, grafisch werk, textiel en posters. De tentoonstelling was een poging om een ‘kritische biografie’ van Afrika op te stellen. Vanuit de vrijheidsbewegingen ontstonden de politieke autonomie en een cultureel zelfbewustzijn, en de kunst die uit dat moment voortkwam toonde The Short Century in de volle breedte. De omvangrijke catalogus voegde daar een pak aan historische documenten aan toe, met manifesten, speeches en pamfletten. Zo schreef hij alsnog de geschiedenis waar anderen slechts de krenten uitgehaald hadden.

De missie van Enwezor en Nka kreeg internationaal gestalte. Kort na The Short Century opende Documenta 11, de vijfjaarlijkse kunstmanifestatie in Kassel, waar Enwezor 116 kunstenaars toonde uit 45 landen. Er was relatief weinig schilderkunst en veel film, video en fotografie, naar verluidt meer uur aan ‘time based’ media dan een bezoeker kon verteren in de volle honderd dagen die Documenta traditioneel duurt. Enwezors tentoonstelling is wel de ‘CNN-Documenta’ genoemd, maar volgens sommigen was het niet minder dan het langverwachte antwoord op Magiciens de la Terre. De etnografische invalshoek en de verwondering over de ‘Ander’ van toen waren nu vervangen door een podium voor kunst die voor zichzelf mocht spreken.

In haar in memoriam over Enwezor stelde criticus Claire Bishop dat de impact van Documenta 11 op de kunst en de kunstgeschiedenis niet te overschatten is. Plotsklaps was mixed-media installatiekunst dé manier voor niet-Europese kunstenaars om zich te onttrekken aan de tot dan toe dominerende modernistische vormentaal. Bewegend beeld werd de ‘universele lingua franca’ die aansloot bij de nieuwe, geglobaliseerde wereld en die tegelijkertijd onbekende werelden in beeld kon brengen.

Met 218 kunstenaars uit 65 landen naaide hij de kunstgeschiedenis weer aan elkaar

Enwezor bleef zijn hele leven schrijven over de complexiteit van de postkoloniale tijd en de nieuwe beleving van tijd en ruimte die de globalisering met zich had meegebracht. In de catalogus van Documenta 11 omschreef hij dat als ‘de postkoloniale nasleep van globalisering en de verschrikkelijke nabijheid van verre oorden’. Er was een eind gekomen aan eeuwen van eenrichtingsverkeer. In 2006 maakte hij een tentoonstelling die ook het Stedelijk aandeed: Snap Judgements: New Positions in Contemporary African Photography.

Meerstemmigheid werd het thema van zijn Biënnale van Venetië in 2015: All the World’s Futures, met 136 kunstenaars uit 53 landen. Het werd een ingetogen editie, grimmig bijkans, waarmee Enwezor liet voelen dat onveiligheid en onzekerheid overal op de loer lagen. In een donkere zaal liepen bezoekers bijvoorbeeld langs kleine struiken van in de grond gestoken messen, de Waterlelies van Adel Abdessemed. Er waren grote namen die Enwezor eerder op het podium hielp: Steve McQueen, Tania Bruguera en El Anatsui, die op deze biënnale de Gouden Leeuw voor zijn oeuvre kreeg uitgereikt. Er waren oude klassieken, Baselitz, Broodthaers, Haacke, en oude onbekende klassieken, zoals Emily Kame Kngwarreye. En er waren nieuwe kunstenaars. De nauwe steeg op het terrein van de Arsenale, de vervallen scheepswerf die naast de tuinen als hart van de biënnale fungeert, was door Ibrahim Mahama behangen met aan elkaar genaaide juten zakken die in Ghana dagelijks worden gebruikt. Iedere bezoeker moest zich ertoe verhouden en Mahama, die nog nauwelijks buiten Afrika was gezien, stond op de kaart. In 2020 kreeg hij de Prins Claus Prijs uitgereikt.

Theaster Gates, Gone Are the Days of Shelter and Martyr, 2014. Video, 6,31 minuten © Theaster Gates / Courtesy White Cube and Regen Projects LA

De laatste jaren werkte Enwezor verder aan het ‘herschrijven’ van de geschiedenis. Hij was ook in de positie om dat te doen, als schrijver, als curator en als directeur van een museum zonder collectie, zoals het Haus der Kunst in München waar hij na zeven goede jaren uiteindelijk in onmin vertrok.

Postwar: Art Between the Pacific and the Atlantic 1945-1965 (2016) in het Haus der Kunst werd een mijlpaal. Enwezor scheurde de kunstgeschiedenis in grove stukken uiteen en naaide haar met 218 kunstenaars uit maar liefst 65 landen weer aan elkaar. In deze nieuwe lezing had de Iraanse Charles Hossein Zenderoudi evenveel te zeggen als de Egyptische Gazbia Sirry, deelden kunstenaars uit Polen een zaal met die uit Mexico. Postwar lichtte de overeenkomst uit tussen Yoshihiro Jiro uit Japan, Jean Dubuffet uit Frankrijk en Avinash Chandra uit India en plaatste de Nigeriaanse Colette Oluwabamise Omogbai op gelijke voet met Willem de Kooning. Post-colonialism en Post-communism hadden het vervolg op deze kunstgeschiedenis moeten worden, maar ze zijn er niet meer van gekomen.

Inmiddels heeft Afrika een stevige eigen culturele infrastructuur waardoor je mag hopen dat een tentoonstelling als The Short Century niet meer aan het continent zelf voorbij zou gaan. We kunnen nu bijvoorbeeld uitkijken naar het Edo Museum of West African Art in Benin City, een ontwerp van architect David Adjaye. Wat Enwezor nalaat is, naast een besef van de centrale maatschappelijke positie van kunst, nooit ver van sociale en politieke ontwikkelingen verwijderd, een voorraad inspiratie waar iedere directeur, curator, academicus en criticus in de kunst zich aan tegoed zou moeten doen. Hij liet het belang zien van precies die onderdelen waar nu zo vaak op wordt bezuinigd, in elk geval in Nederland: groeps-tentoonstellingen die de tijdgeest duiden (naast verdiepende solo’s), catalogi die het debat vangen en de kunst behouden voor de toekomst, en scherpe kunstkritiek die zint op de volgende stap in de kunstgeschiedenis. Hij bewees, bovenal, dat die kunstgeschiedenis niet in steen staat geschreven.

Na Enwezors overlijden is een fonds in zijn naam opgericht met onderzoeks- en educatiemogelijkheden voor jonge curatoren van kleur die zijn werk kunnen voortzetten, een initiatief van Steve McQueen. Enwezor had de dubieuze eer om overal de ‘eerste’ te zijn: hij was de eerste niet-Europese curator van de Documenta, de eerste Afrikaanse van de Biënnale van Venetië. Maar ook de enige curator die zowel de Documenta als de Biënnale van Venetië heeft mogen verzorgen. Hij was uitgenodigd voor de komende Sharjah Biënnale in de Verenigde Arabische Emiraten, die het thema zal dragen dat hij al had bedacht: ‘Thinking historically in the present’.

Grief and Grievance: Art and Mourningin America, zojuist geopend in het New Museum in New York, is de allerlaatste en een typische ‘Enwezor’. De tentoonstelling brengt werk samen dat gaat over rouw, verlies en herdenken als gevolg van geweld gericht tegen de zwarte gemeenschappen in de VS. Een show dus boven op de tijdgeest, al heeft Enwezor de dood van George Floyd en de opkomst van de Black Lives Matter-beweging zelf niet meer meegemaakt, en is de tentoonstelling deels ingevuld ‘in zijn geest’, door mensen die met hem werkten. Het is een uitgesproken politieke tentoonstelling, een antwoord op het presidentschap van Trump, ‘de kristallisatie van zwarte rouw in het licht van een politiek georkestreerde witte klaagzang’, zoals Enwezor het in de catalogus beschrijft. Kunst bestond volgens hem al nooit zonder een politieke dimensie, maar hier is deze overduidelijk: de verontwaardiging over geweld staat of valt met de beschikbaarheid van beeld van dat geweld, of van het verdriet dat erop volgt.

Enwezor wilde deze tentoonstelling laten samenvallen met de presidentiële verkiezingen, maar door de pandemie moest de opening worden uitgesteld. Inmiddels is het museum open, maar door de aanhoudende reisrestricties moeten de meesten van ons het met de catalogus doen. Naast prachtige bijdragen van onder anderen Judith Butler, Claudia Rankine en Ta-Nehisi Coates vind je er de kunstwerken: sculpturen, fotografie, installaties, schilderijen en filmstills, opvallend vaak in zwart-wit of anderszins verstoken van kleur. Ze geven een beeld van de doffe dreun van verdriet met scherpe halen als teken van verzet, zoals de kleuren op de schilderijen van Julie Mehretu, de glitters op de doeken van Kerry James Marshall en de kerk in de film van Theaster Gates, die weliswaar in puin ligt maar waar boven op de brokstukken gelezen wordt, muziek gemaakt.

Een schilderij van Marshall in Grief and Grievance springt eruit. Een vrouw kijkt ons aan vanuit haar woonkamer door een kier in een zilveren glittergordijn. Op de muur achter haar hangen portretten van John F. Kennedy, Martin Luther King Jr. en Malcolm X. Onder aan het schilderij schreef Marshall in grote letters: ‘What a time, What a time.’


Grief and Grievance, tot 6 juni in het New Museum, New York, newmuseum.org. De catalogus is online verkrijgbaar ((Phaidon, € 69,95)