De vervuiler betaalt niet

Een nalatenschap geeft altijd rottigheid. Familieleden kibbelen over horloges of postzegelverzamelingen. In het milieubeleid is al meer dan tien jaar ruzie voor de rechter over een omgekeerde erfenis. Inzet: wie betaalt de miljoenen voor de schoonmaak van de zwaar vervuilde bodem?

Vorige week maakte de Hoge Raad een einde aan de juridische twist tussen staat en een drietal bedrijven. De staat moet betalen, de bedrijven gaan vrijuit. Chemiemultinationals Shell en Solvay (voorheen Philips) Duphar en het bedrijf Fasson hebben in de jaren vijftig en zestig giftig afval gestort in de uiterwaarden langs de Hollandse IJssel bij Gouderak, de Volgermeerpolder en een zandafgraving in Lunteren. Een scala aan giftige stoffen belandde in het milieu. Kosten van de schoonmaak: 400 miljoen gulden. In Gouderak moest zelfs een gedeelte van een woonwijk worden gesloopt.
Bij de rechtbank oogstte de staat aanvankelijk succes, maar in hoger beroep ging het vanaf 1990 snel bergafwaarts. Shell en Duphar konden in de jaren vijftig en zestig niet weten dat de overheid zich dertig jaar later om het lot van de bodem ging bekommeren, aldus de gerechtshoven van Den Haag en Amsterdam. De Hoge Raad heeft deze redenering nu bekrachtigd.
Intussen is dit jaar de Wet Bodembescherming veranderd. Bedrijven die van ‘ernstig verwijtbaar handelen’ kunnen worden beticht, zijn volgens deze wet aansprakelijk voor de schoonmaakkosten, ook als het 'historische’ vervuiling van voor 1975 betreft. Het ministerie van Milieubeheer hoopt via de nieuwe wet de schoonmaakgelden in de wacht te slepen. De zaken Shell en Duphar dateren van voor de wetswijziging.
De staat heeft met Shell en Duphar hoog spel gespeeld - en verloren. Van begin af aan heeft ze alles op alles gezet om via het recht de saneringsmiljoenen binnen te halen. Principieel leek het een juiste handelwijze: 'de vervuiler betaalt’ is immers het adagium van het milieubeleid. Van meet af aan was echter al duidelijk dat een 'vervuiler’ in de zin van het rechtsgevoel van de burger helemaal geen vervuiler hoeft te zijn in termen van de wet. Het ministerie van Milieubeheer is daarvoor de afgelopen jaren vaak gewaarschuwd. Men had daarom beter op twee paarden kunnen wedden. Enerzijds het principiele juridische gevecht voeren, maar tegelijk een reformistische koers varen, door bijvoorbeeld een fonds op te richten waarin vervuilers en staat gezamenlijk geld storten om de bodemsanering te financieren. In de Verenigde Staten is een dergelijk superfund een succesvol instrument, maar Milieubeheer heeft er nooit werk van gemaakt.
Een ander intelligent idee om de vuile erfenis te verdelen is een tijdelijke, lichte verhoging van de energieprijs, waarmee in twintig jaar tijd alle 230 vervuilde gasfabrieksterreinen kunnen worden schoongemaakt. Niet helemaal conform het principe 'de vervuiler betaalt’, maar wel effectief schoonmaakbeleid. Het idee ligt echter te vergelen in de la van Alders’ opvolger De Boer.
Nu Shell en Duphar de dans zijn ontsprongen door het orakel van de Hoge Raad, resteert nog de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de bedrijven. Het commentaar van Shell biedt echter weinig hoop: 'We hebben geen reserveringen in de boeken opgenomen en hebben ook geen reden daartoe.’