De vervuiler betaalt niet

Kleine gemeenten betalen de rekening van bodemsanering vaak volledig zelf, terwijl grotere gemeenten schatten twintig tot vijftig procent van de rekening op de vervuiler te verhalen. Ook wanneer bedrijven die de verontreiniging hebben veroorzaakt de schade zelf kunnen betalen.

Rijk, provincie en gemeenten draaien nog steeds grotendeels op voor de kosten van bodemvervuiling, ook wanneer bedrijven die de verontreiniging hebben veroorzaakt de schade zelf kunnen betalen. Het doel van de overheid om bodemvervuilers minstens driekwart van de saneringskosten te laten betalen, is vrijwel zeker niet gehaald. Dat blijkt uit een onderzoek van Platform Investico voor De Groene Amsterdammer, in samenwerking met onderzoeksredactie Het Schone Oosten, een samenwerking van de dagbladen Tubantia, De Stentor en De Gelderlander.

De Rijksoverheid gaf de afgelopen tien jaar 1,25 miljard euro uit aan bodemsanering van oude vervuilingen van voor 1987. Lagere overheden legden daar nog een onbekend bedrag bovenop. Ondanks het doel om de rekening eerlijker te verdelen, is door niemand bijgehouden hoeveel bedrijven meebetalen. Aan de opdracht om hen minstens 75 procent en bij nieuwere verontreiniging volgens de wet zelfs honderd procent van de rekening te laten betalen, is echter bij lange na niet voldaan.

Vooral kleine gemeenten betalen de rekening van bodemsanering vaak volledig zelf. Grotere gemeenten schatten twintig tot vijftig procent van de rekening op de vervuiler te verhalen, blijkt uit een enquête van de drie regionale kranten en Investico onder negentig gemeenten en andere overheden in het oosten van Nederland. Rijk, provincie en waterschappen zeggen vaak geen indruk te hebben van de kostenverdeling; ze vinden het te veel moeite om uit te zoeken of houden de kostenverdeling liever geheim.

Zo betaalde het waterschap Rijn en IJssel volgens een geheime overeenkomst zeventig procent van de kosten van een breuk in een afvalwaterleiding die in 2018 ernstige schade berokkende aan het ecosysteem van het Achterhoekse riviertje de Berkel, zo blijkt uit onderzoek van Investico. Het waterschap droeg geen schuld voor de lokale milieuramp. De oorzaak was een combinatie van slordig werk van de aannemer en een verhoogde druk op de leiding, doordat melkfabrieken van FrieslandCampina een toegenomen hoeveelheid zuur water op de leiding loosden.

Volgens het waterschap was het ‘kwantificeren van verantwoordelijkheid’ niet mogelijk en hoort het risico van een schadelijke gebeurtenis er nu eenmaal bij. Melkfabriek Campina geeft toe ‘een aandeel’ te hebben gehad in de breuk, maar vond zichzelf niet financieel verplicht tot een bijdrage, laat het bedrijf in een reactie weten.

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat erkent dat het vanwege de onduidelijke kostenverdeling niet meer weet hoe effectief het beleid voor bodemsanering is. Een belangrijk deel van de taken op het gebied van bodem en ondergrond is de afgelopen jaren gedecentraliseerd naar grotere gemeenten en provincies. ‘Op basis van het beschikbare bronmateriaal bleek een vergelijkbare beoordeling van de doelmatigheid van het nationale bodembeleid niet mogelijk’, aldus het ministerie.

Ook over de verdeling van schoonmaakkosten bestaat ‘geen beeld’, zegt het ministerie in een toelichting. De laatste schatting dateert van twaalf jaar geleden en kwam uit op het vermoeden dat de helft van de kosten voor de overheid zijn. ‘De ervaring heeft geleerd dat het in de praktijk vaak niet haalbaar is de driekwart door de markt te laten financieren.’

Ook voor de komende tien jaar kunnen de kosten voor alleen al de bekende spoedlocaties oplopen tot een half miljard euro. Aan honderden van die locaties is het werk nog niet afgerond en de afgelopen drie jaar kwamen er ruim tweehonderd spoedlocaties bij. Voorlopig zullen er elk jaar zo’n tien tot veertig nieuwe saneringen bijkomen. Alleen al voor de komende vijf jaar is opnieuw 470 miljoen euro gereserveerd voor ‘bodem(sanerings)kosten’, aldus het ministerie.

Dat de vervuiler vaak niet betaalt, moet volgens het ministerie soms op de koop toe worden genomen. ‘Omdat we de gezondheid van mens, bodem en grondwater willen beschermen, moet de saneringsoperatie, ook als die niet verhaald kan worden op de vervuiler, wel doorgaan’, zegt de woordvoerder. ‘Tegelijkertijd moet rekenschap gegeven worden van de hoge kosten door oude bodemverontreinigingen. Daarom is het ministerie in overleg met provincies en gemeenten over hoe we de komende vijf jaar de resterende saneringsopgaven gezamenlijk zo doelmatig mogelijk kunnen aanpakken.’

Ook nieuwe vervuilingen bezorgen lokale overheden soms hoge kosten. Hoewel de wet sinds 1987 bepaalt dat de vervuiler honderd procent moet betalen, staat diezelfde wet ook toe dat een vervuiling wordt ‘beheerd’ in plaats van ‘gesaneerd’. In de gemeente West-Betuwe draaien de belastingbetalers daardoor op voor miljoenen euro’s aan toezicht op zo’n ‘beheerde’ vervuiling van een jaar geleden. Een aannemer had een restproduct van Hoogovens verkeerd verwerkt in een geluidswal, waarna giftige metalen de omliggende sloten in stroomden. De kosten van het toezicht kunnen niet op de aannemer worden verhaald.

Binnenkort neemt de Eerste Kamer een beslissing over een verdere decentralisatie van de verantwoordelijkheid van milieuzaken, waaronder bodemsanering. Tegen de website Binnenlands Bestuur zegt zestig procent van de wethouders gebrek aan budget te hebben om de invoering te bekostigen. Het is de vraag of zij de slagkracht zullen hebben om vervuilers succesvol aan te spreken. Met name kleine gemeenten maken zich zorgen over deze nieuwe Omgevingswet.