Shell voor de rechter vanwege Nigerdelta

De vervuiler wil niet betalen

De druk op Shell om de olievervuiling in Nigeria op te ruimen wordt steeds groter. In Nederland begint deze week een rechtszaak, en ook in Engeland en Amerika worden processen gevoerd. Maar de kans op een grootscheepse schoonmaak is klein.

Donderdag 11 oktober moet Shell voor de Amsterdamse rechtbank verschijnen. Daar vindt de eerste inhoudelijke behandeling plaats van een rechtszaak die al in 2008 is begonnen door Milieudefensie namens vier inwoners van de vervuilde Nigerdelta. Ze eisen dat Shell de olievervuiling in hun dorpen opruimt en hen compenseert voor de schade. In Londen loopt er een vergelijkbare zaak van elfduizend inwoners van het dorpje Bodo dat eind 2008 door twee enorme olielekkages zwaar met olie vervuild is geraakt. Zij stapten op 23 maart 2012 naar de Britse rechter (Shell is immers een Nederlands-Brits concern); de eerste zitting heeft op 18 juni plaatsgevonden en kan nog jaren duren. En in Amerika loopt de zaak Kiobel v. Royal Dutch Petroleum, waarvan op 1 oktober de eerste zitting werd gehouden. Die zaak is aangespannen door de weduwe Kiobel, de nabestaande van een van de negen Nigeriaanse mensenrechtenactivisten (onder wie de bekende Ken Saro-Wiwa) die in 1995 door de Nigeriaanse militaire regering werden opgehangen na vreedzaam protest tegen Shell. Kiobel houdt Shell medeverantwoordelijk voor de executie van haar man en ging niet, zoals de overige nabestaanden, in 2009 akkoord met een schikkingsvoorstel van Shell.

Ook op een ander front neemt de druk op Shell toe. Eind vorig jaar publiceerde de Unep, het milieubureau van de Verenigde Naties, een doorwrochte studie naar de omvang van de olievervuiling in Ogoniland, een klein gebied in de Nigerdelta dat misschien wel het ernstigst vervuild is. Het rapport sloot af met een serie aanbevelingen hoe de rommel opgeruimd moest worden, en die zijn deze zomer door de Nigeriaanse regering overgenomen. De olie­concerns, Shell dus ook, moeten meewerken aan de opruiming en ook aan de kosten meebetalen – dat vindt althans de Unep.

De rechtszaken worden met argusogen gevolgd, niet alleen door de inwoners van de Nigerdelta en Shell, maar ook door internationale beleggers. Er stfotoaat immers veel op het spel en als Shell verliest, zullen er ongetwijfeld meer rechtszaken komen. Dat kan Shell veel geld gaan kosten. Het Sustainable Investments Institute, een Amerikaanse non-profitorganisatie die onderzoek doet naar het maatschappelijk gedrag van grote ondernemingen, heeft onderzocht hoeveel. In een deze zomer gepubliceerd onderzoek schat ze dat de totale kosten voor het schoonmaken van de Nigerdelta kunnen oplopen tot wel 51 miljard dollar. Daar komen dan de schadeloosstellingen nog bij, tenminste als de rechters de vorderingen toewijzen. Zelfs voor het grootste bedrijf ter wereld dat vorige jaar een winst maakte van 28,6 miljard dollar zijn dit enorme bedragen.

Niemand weet het precies, want de cijfers spreken elkaar voortdurend tegen, maar volgens de meeste bronnen is er na zestig jaar oliewinning ergens tussen de negen en dertien miljoen vaten ruwe olie gelekt in een gebied dat bijna zo groot is als Nederland. Een vat olie bevat 159 liter, dus reken maar uit. De effecten zijn ernstig en overal in de uitgestrekte vlaktes is de olie te zien. De vervuiling is des te dramatischer vanwege het moeraskarakter van het gebied, waardoor olie in de talloze kreken en rivieren stroomt en een enorm gebied wordt verontreinigd. De olie zit soms wel tot vijf meter diep en volgens het onderzoek van de Unep bevatten waterputten tot duizend keer de maximum toegestane hoeveelheid koolwaterstoffen en tot negenhonderd keer te veel benzeen. De gevolgen laten zich raden. De rijke biodiversiteit is in de zestig jaren van oliewinning sterk afgenomen en de traditionele broodwinning van de bevolking, vooral landbouw en visserij, heeft forse schade ondervonden, wat heeft geleid tot grote werkloosheid. En de who, de Wereldgezondheidsorganisatie, maakt zich zorgen over de gezondheidsrisico’s voor de 31 miljoen mensen die in dit gebied leven. Hun levensverwachting ligt tien jaar lager dan in de rest van het land en schommelt ergens tussen de 40 en 45 jaar.

Deze olieramp duurt nu al meer dan vijftig jaar en voltrok zich recht onder de ogen van Shell. Dat er bij oliewinning gemorst wordt, is vrij normaal. Maar dat het op deze grote schaal en al zolang plaatsheeft, is onbegrijpelijk. Het past ook niet bij het beeld van Shell als een bedrijf dat zeer hoge veiligheidsstandaarden hanteert.

Om het te begrijpen moeten we teruggaan naar het begin van de vervuiling, naar de Biafra-oorlog die in 1967 losbarstte en een van de bloedigste oorlogen was die Afrika ooit gekend heeft, met zeker een miljoen slachtoffers. Meestal wordt de oorzaak gezocht in de tribale twisten die het etnisch en religieus verdeelde Nigeria verscheuren. Thrillerschrijver Frederick Forsyth die indertijd als bbc-journalist de oorlog versloeg, noemde de oorlog in Biafra echter een ordinaire olie-oorlog, een strijd om de macht over de oliebronnen – en dus over het geld, want toen al verdiende Nigeria honderden miljoenen met de export van olie.

Shell steunde in deze oorlog de partij die op dat moment het gebied in handen had. Het bedrijf had al in de jaren dertig de concessie verworven om naar olie te boren, maar startte pas in 1958 met de exploitatie van zijn eerste olieveld in het gehucht Oloibiri. Sindsdien zijn er meer dan zeshonderd olievelden in gebruik die olie leveren die zo zuiver is dat ze de champagne onder de aardoliën wordt genoemd. De oliewinning is zeer lucratief en niet alleen voor de olieconcerns, maar ook voor de Nigeriaanse staat die in zestig jaar zo’n achthonderd miljard dollar aan de olie heeft verdiend. Dat geld is feitelijk in handen gekomen van een kleine corrupte elite, die volgens oud-directeur van de Wereldbank Paul Wolfowitz zo’n driehonderd miljard op buitenlandse bankrekeningen heeft gestort en de rest heeft besteed aan luxegoederen, zoals dure huizen, limousines en vliegtuigen. De gewone burgers, in het bijzonder de inwoners van de Nigerdelta, hebben niets aan de oliewinning.

Gezien het grote financiële belang van olie is het begrijpelijk dat er paniek uitbrak bij de Nigeriaanse regering toen de Biafraanse opstandelingen de olieterminal Port Harcourt veroverden. Deze stad was van vitaal belang voor olie-industrie en dus voor de Biafranen, want vanaf hier werd de olie het land uit verscheept. Toen in de zomer van 1967 de Biafranen vijf zesde van het gebied waar olie wordt gevonden in handen hadden, bood Shell de Biafraanse generaal Ojukwu een bedrag van 2,5 miljoen gulden aan. Het geld is nooit aangekomen en eind 1967 was Port Harcourt alweer in handen van de Nigeriaanse regering. Het verlies van Port Harcourt en daarmee de mogelijkheid voor het verwerven van olie-inkomsten, was de genadeslag voor de Biafraanse separatisten. Ze werden teruggedrongen tot een klein gebied waar ze in 1970 gedwongen door honger en ellende hun afscheidingsstrijd moesten opgeven. Toen Shell eind 1967 besefte dat de machtsverhoudingen definitief veranderd waren, maakte het concern meteen 62 miljoen gulden over op de rekening van de nieuwe machthebbers in Lagos, toen nog de hoofdstad van Nigeria. Dat moest wel, zei Shell-directeur Vaz Nunes in Avro’s Televizier, november 1969. ‘We hadden geen keus, we moesten wel betalen (…), want het meeste land was in handen van [de regering in] Lagos en dat waren de mensen waarmee wij contact hadden en daar moesten we wel aan betalen.’ Het was het begin van de innige band tussen Shell en de Nigeriaanse machthebbers.

De Nigerdelta inclusief bijna alle olievelden ligt in wat indertijd Biafra werd genoemd, en de Biafra-oorlog was het begin van de grootschalige olievervuiling. Die ontstond toen de teruggedrongen Biafranen olie-installaties gingen bombarderen. Had de Biafra-oorlog de verhoudingen tussen de lokale bevolking en Shell al vertroebeld, de daarop volgende olievervuiling zette de boel pas echt op scherp. Uit een onderzoek dat Shell zelf in de jaren negentig liet uitvoeren, blijkt dat er alleen al tussen 1978 en 1980 1,8 miljoen vaten olie was gelekt. De vervuiling leidde tot grootschalige protesten waarbij de charismatische schrijver en milieuactivist Ken Saro-Wiwa de hoofdrol speelde.

Ken Saro-Wiwa kwam uit Ogoniland, een klein gebied in de Nigerdelta waar veel olie was verspild. Hij organiseerde in 1993 een protestmars waar driehonderdduizend mensen aan deelnamen, ongeveer de helft van de Ogoni-bevolking. De toenmalige militaire dictatuur onder leiding van generaal Abacha reageerde furieus en hing Ken Saro-Wiwa en acht van diens aanhangers in 1995 op. Shell ontkende elke betrokkenheid, maar het bedrijf trof in 2009 onder druk van rechtszaken wel een schikking met de nabestaanden en betaalde hun 15,5 miljoen dollar. Niet om schuld te bekennen, want ‘de beschuldigingen waren vals, maar de mensen hebben destijds wel geleden in de delta van de River Niger’.

Na de dood van Ken Saro-Wiwa ging het echt mis. Onder druk van de protesten had Shell zich in 1993 al teruggetrokken uit Ogoniland. Dat had grote gevolgen, aangezien veel oliepijp­leidingen, waaronder de hele grote Trans Niger Pipeline, door dit gebied lopen. En die werden niet meer stelselmatig gecontroleerd en onderhouden – wat juist nodig is omdat veel van de pijpleidingen niet volgens de vereiste specificaties waren aangelegd en kwetsbaar bleken.

Ondertussen verhevigden de protesten zich om na 2003 te culmineren in de gewapende strijd van de Mend, de Movement for the Emancipation of the Niger Delta. Deze terreurgroep ging de strijd aan met de olieconcerns, ontvoerde hun medewerkers en doodde in een paar gevallen het personeel. Ook pleegde de Mend honderden aanslagen op oliepijpleidingen en olieterminals. Nigeriaanse veiligheidstroepen sloegen keihard terug; er vielen honderden doden. Een paar weken geleden, op 19 augustus, werd bekend dat deze veiligheidstroepen mede door Shell worden gefinancierd en alleen al in 2009 65 miljoen dollar ontvingen. Dat blijkt uit gelekte documenten die in handen zijn van de Britse organisatie Platform, een organisatie die de oliebedrijven in de gaten houdt. Na Kamervragen antwoordden de ministers Rosenthal en Bleker dat dit normaal is, want ‘oliemaatschappijen dienen aan de Nigeriaanse overheid dagvergoedingen te betalen voor de bescherming van de faciliteiten’. Daar is niets mis mee, schrijven de ministers, want Shell (of Shell Nigeria SPDC, want dat is formeel de betaalmeester) houdt zich aan de VP’s – de ‘Voluntary Principles on Security and Human Rights die als doel hebben het respect voor mensenrechten te bevorderen bij de bescherming van energie- en delfstoffenbedrijven die opereren in conflict­gebieden’. De twee ministers zijn blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat een deel van de veiligheidstroepen bestaat uit leden van de beruchte MoPol. Dat is de mobiele politie die de bijnaam Kill-and-Go kreeg, omdat ze de reputatie heeft onschuldige burgers dood te schieten en vervolgens weg te lopen.

In 2011 luwde de strijd in de Nigerdelta, vooral als gevolg van de in 2009 afgekondigde amnestieregeling. De Mend is echter nog steeds actief en is nu een van de belangrijkste groepen die op bijna industriële schaal olie stelen uit de pijpleidingen. Dat nu, die sabotage en oliediefstal, gebruikt Shell als zijn belangrijkste verweer in de rechtszaken die momenteel gevoerd worden in Nederland, Engeland en Amerika. In een brief aan de Vara, die vorige week een reportage uitzond over de Nigerdelta, schreef Shell: ‘Wij onderkennen dat olievervuiling een groot probleem is in de Nigerdelta. (…) Het overgrote deel van de olielekkages dat zich in Nigeria voordoet, is het gevolg van verwoestende illegale activiteiten in de Delta in het algemeen: sabotage, illegale raffinage en oliediefstal.’

Shell heeft hier een punt, want het is een feit dat de illegale oliewinning de laatste jaren enorm is toegenomen. De omzet van de illegale oliewinning steeg tussen 2000 en 2008 van 1,5 miljard naar 6,3 miljard dollar en vormt inmiddels zo’n tien procent van de totale olie-export. De grootschalige oliediefstal wordt gerund door terroristen, oud-militairen en corrupte politici en er zijn zelfs medewerkers van oliemaatschappijen bij betrokken – erkent ook Mutiu Sunmonu, directeur van Shell Nigeria: ‘Illegal oil bunkering has become a highly syndicated operation that involved oil company workers.’

Volgens Shell zijn sabotage, illegale raffinage en oliediefstal verantwoordelijk voor 75 procent van de vervuiling. Shell baseert die bewering op haar eigen ‘spill data’ en die van de Nosdra, de National Oil Spill Detection and Response Agency. Het is overigens de vraag of de spill data van Shell zelf wel kloppen. Een enkele keer dat er grondig onderzoek naar is gedaan, zoals bij de olieramp in Bodo, een klein dorp in Ogoniland waar eind 2008 twee van de grootste lekkages uit de geschiedenis van Nigeria plaatsvonden, bleken de cijfers van Shell niet te kloppen. Shell weet de lekkage aan sabotage en beweerde dat er zestienhonderd vaten olie was gelekt. Het Amerikaanse ingenieursbureau Accufacts Inc. deed daarop uitgebreid onderzoek en constateerde dat er niet zestienhonderd vaten olie was gelekt, maar minstens zestig keer zoveel – ergens tussen de 103.000 en 311.000 vaten. Er was bovendien geen sprake van sabotage, de lekkage was het gevolg van verroeste pijpleidingen.

Het is deze achtergrond die tot een complete patstelling heeft geleid waarin niemand elkaar meer vertrouwt en waarin geweld en corruptie elk normaal handelen verlammen. Een oplossing wordt constant getraineerd door partijen die elkaar de schuld geven van de olievervuiling en weigeren concessies aan elkaar te doen. Hierdoor laat een structurele aanpak van de vervuiling op zich wachten. Hier en daar wordt er wel wat rommel door Shell opgeruimd, maar de manier waarop dat gebeurt leidde tot zware kritiek van de Unep. Shell past de zogenaamde Rena-methode toe, de Remediation by Enhanced Natural Attenuation. Het is een werkwijze waarbij de vervuilde grond omgewoeld wordt zodat er zuurstof bijkomt en bacteriën de ruwe olie afbreken. Op zichzelf is het een goede methode, maar de manier waarop Shell de methode toepast, werkt niet. Shell woelt namelijk niet dieper dan een meter terwijl de vervuiling tot wel vijf meter diep zit. Dan komt er geen zuurstof bij en kunnen de aerobe bacteriën hun werk niet doen. De Unep adviseert daarom een andere methode te gebruiken, waarbij alle vervuilde grond wordt afgegraven en in kleine fabriekjes in de buurt wordt gezuiverd.

Dat is een erg ingrijpende aanpak voor een gebied dat bijna zo groot is als Nederland, en eigenlijk niet goed voor te stellen. Een heel land moet letterlijk op de schop, dat kost miljarden. En die moeten beheerd worden door de Nigeriaanse overheid, die deze zomer het Hydrocarbon Pollution Restoration Project aankondigde. Dat project moet de schoonmaakoperatie leiden en ontvangt een miljard van de staat en de olieconcerns – dat kost de aanvangsfase die een paar jaar duurt. De hele operatie gaat misschien wel 25 jaar duren en kost navenant meer. Het klinkt als een mooi initiatief, maar in een corrupt land als Nigeria is dit de kat op het spek binden. De vrees dat het geld linea recta in de zakken van de corrupte machthebbers verdwijnt, is gerechtvaardigd. Misschien verklaart dat wel dat de oliemaatschappijen zich vooralsnog beperken tot mooie woorden, en geen cent gestort hebben.

Is er dan geen enkele hoop voor de Nigerdelta? Ogenschijnlijk wel, als de rechters Shell veroordelen tot het schoonmaken van het gebied en het betalen van schadevergoedingen, die volgens schattingen kunnen oplopen tot 51 miljard dollar. Vermoedelijk is deze calculatie te laag. Dat is althans de ervaring bij vergelijkbare rampen, zoals de olieramp op het boorplatform Deepwater Horizon in de Mexicaanse Golf in 2010. BP dacht een paar honderd miljoen dollar nodig te hebben voor de reiniging, maar het werd 38 miljard dollar, waarvan twintig miljard voor de schadeloosstelling van de gedupeerden. En het is de vraag of het daarbij blijft. De hoge kosten dwongen BP tot de verkoop van complete bedrijfsonderdelen; de beurskoers van het bedrijf is sinds de ramp gezakt met 35 procent.

Maar zelfs al zou Shell door rechters gedwongen worden om de olievervuiling op te ruimen, dan nog is het de vraag of een structurele schoonmaak onder de huidige omstandigheden wel mogelijk is. Dat beseft Shell zelf ook. In een brief aan de Vara schrijft het concern: ‘Bij pogingen om blijvende, betekenisvolle verandering teweeg te brengen moet men ook de maatschappelijke en economische problemen in de Delta aanpakken, zodat de cyclus van militant optreden, geweld en sabotage waarvan iedereen in het gebied te lijden heeft, wordt doorbroken. (…) spdc kan dit niet in haar eentje voor elkaar krijgen. Het vergt een gezamenlijke inspanning van alle betrokken stakeholders, maar spdc zal haar volledige aandeel leveren.’

Shell negeert hier echter het feit dat het militante optreden, het geweld en de sabotage een reactie zijn op decennialange olievervuiling waar het concern, hoezeer Shell dat ook betwist, door de inwoners van de Nigerdelta verantwoordelijk voor wordt gesteld. Het heeft geleid tot een sfeer van wantrouwen die elk initiatief voor een structurele schoonmaak verlamt. Iemand moet dat doorbreken en Shell is de enige die dat kan – hoe cynisch dat na bovenstaand verhaal ook moge klinken. Het bedrijf is de enige min of meer betrouwbare factor van betekenis in dit slecht bestuurde en corrupte land, met voldoende geld en macht om zaken af te dwingen. Als Shell het initiatief niet neemt, gebeurt er niets. Dan blijft het bij mooie woorden.

De kans dat Shell het voortouw gaat nemen, lijkt echter klein – al was het maar omdat de financiële consequenties groot zijn. En Shell is een bedrijf dat gericht is op het maken van winst. Letterlijk zei Peter Voser, directeur van Shell International, bij de presentatie van de resultaten van het tweede kwartaal 2012: ‘It is all about selecting projects with the best returns, cash flow and risk profile to create shareholder value.’


Rens Broekhuis is freelance journalist en heeft de research gedaan voor de Vara-documentaire Hallo wereld, hier olieramp