De vervuiling van het brein

De afschuw over de kinderverkrachtingen in België is groot. Maar hoe zit het met de smeerpijperij in onze eigen breinen? Misschien wordt het tijd voor een actiegroep tegen het hedendaagse visuele geweld
DE ELLENDE waarmee de ene mens de ander pleegt op te zadelen, is van oudsher nauwelijks te overtreffen. De evangelist Mattheüs citeert de profeet Jeremia inzake Herodes’ massamoord op de kinderen van Bethlehem: ‘Een stem is van de bergen gehoord, geween en veel geklaag; Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij er niet meer zijn.’

De ultieme slechtheid heeft altijd al tot de menselijke verbeelding gesproken, getuige de wondere wereld der sprookjes en sagen: van de rattenvanger van Hamelen die de kinderen in het ongeluk stort, tot de boze heks die de kleine Hans vetmest met het oogmerk hem te braden en op te vreten. Dergelijke mythen beogen de dagelijkse horreur te bezweren. Hetgeen meestal schromelijk mislukt. Het meest verschrikkelijke verschijnsel in de cultuur, in ønze cultuur, is Oedipus: de man die zijn eigen vader vermoordt teneinde met zijn eigen moeder naar bed te gaan. Het is bedoeld als catharsis, ter reiniging van onze verderfelijke fantasieën, maar het heeft niet kunnen verhinderen dat dit soort dingen in de dagelijkse praktijk blijven voorkomen.
Hegel zei dat in het boek der geschiedenis de gelukkige bladzijden veelal onbeschreven zijn. Dat is geen loze constatering. Ons vermogen om ons met andermans leed te identificeren, is beperkt. Vrees en medelijden zijn niet in staat de alledaagse verschrikkingen te beteugelen. Wij weten allang dat ontelbare kinderen - de schatting bedraagt twee miljoen - het slachtoffer zijn van een afstotelijke alliantie tussen kinderschenders en zakenlieden. Net zoals wij weten dat tijdens de oorlog in het voormalige Joegoslavië duizenden kinderen zijn verkracht en vermoord. Maar het geschiedde op grote afstand, terwijl het onderwijl onze fantasie te boven ging, zodat massale protesten zijn uitgebleven.
Anders dan na de recente tragedie in België. Het ongelooflijke dat de twee betreffende meisjes (en naar wij mogen aannemen nog diverse anderen) is aangedaan, de mengeling van geslepenheid en gruwelijkheid waarmee de misdadigersbende te werk is gegaan, spreken wel degelijk tot onze verbeelding. Want wat in het nabijgelegen België is gebeurd, kan ook hier gebeuren. En zo stapelen de nieuwsfeiten zich op over verdwenen, ontvoerde kinderen, over de nachtzwarte en lucratieve videomarkt, gespecialiseerd in perversiteiten en verkrachtingen.
Natuurlijk is thans de roep algemeen om een krachtiger optreden van de overheid. Terecht - waarom hebben wij anders de macht aan de staat gedelegeerd, als deze het niet eens voor elkaar krijgt de zwaksten in de samenleving te beschermen? En vanzelfsprekend moet het verbod van kinderporno even serieus worden genomen als de maatschappelijke schaduwzijden van het drugsgebruik.
Laten wij aannemen dat de autoriteiten alles doen wat in hun vermogen ligt. Dan rest nog de traumatiserende vraag: In welke cultuur leven wij dat dingen kunnen geschieden zoals die in België? Vergelijkbaar met de gebeurtenissen in de gemeente Ansbach, waar een complete familieclan, bestaande uit eerbare vaders en moeders, aardige ooms en tantes, hun eigen kinderen op de meest perverse wijze heeft misbruikt.
Wie daarover nadenkt, ziet zich gedwongen een alledaags verschijnsel in ogenschouw te nemen dat wellicht niet de directe oorzaak van de voornoemde excessen is maar er niettemin, hoezeer het ons ook moge beklemmen, dicht tegenaan leunt. Ik spreek over de alomtegenwoorde breinvervuiling en haar gevolgen, een breinvervuiling waaraan wij avond na avond via het televisietoestel en de videorecorder zijn onderworpen. Zoals men zich ook ook bij de wereld van de printreclame, afgedrukt in week- en maandbladen, vaak in een onderwereld van stompzinnigheid en smeerpijperij waant. Op de billboards in de grote steden stond onlangs een tienvoudige vergroot vrouwelijk geslachtsorgaan afgebeeld, het een en ander ter propagering van een damesslipje, waarnaast het bloeddoordrenkte hemd van een Bosnische soldaat was te bezichtigen. Copyright: de firma Benetton. Is dit de winst van de liberale vrijheden die wij in de jaren zestig hebben bevochten?
WIJ MOGEN herinneren aan het feit dat het ooit een niet onriskante zaak was een boek van Henry Miller ter hand te nemen of een bezoek te brengen aan een cinematografisch meesterwerk als Ingmar Bergmans De grote stilte. Het recht van de mondige burger om Georges Bataille te lezen of een tentoonstelling met foto’s van Helmut Newton te bezichtigen is lange tijd verre van vanzelfsprekend geweest - en dit recht moet met hand en tand worden verdedigd. Maar het mag ons niet met partiële blindheid slaan. Wij weten, bij elke gang naar een krantenkiosk, op elke televisie-avond worden wij geconfronteerd met de orgasmeproblemen en sadomasochistische fantasieën van onze buren. Ja, de pornografie heeft in onze lustvijandige cultuur een ventielfunctie. Dus het is een kwestie van eigenbelang om deze pornografie enigszins te beteugelen, want als zij op elke straathoek te bezichten valt, verliest zij al snel de prikkel der exclusiviteit.
Zelfs de kinderwereld is inmiddels een onderdeel van de totale pornografering van de maatschappij. De marketingstrategen veroveren op een steeds geraffineerdere wijze de verborgen hoekjes van het kinderlijke brein en verkopen de kleintjes De Leeuwenkoning als video, knuffeldier en badhanddoek. De tijdschriften uit hun fonds propageren ondertussen de onbezorgde wereld van de familie Kelly en beloven uitkomst als Marcus plotseling een puistje op zijn piemel heeft. Met als tegenzet tal van pedofiele fantasieën, met schijnbare onschuld gepresenteerd: als kindvrouwtjes vermomde modellen, popsterren en prijszwemsters, in erotische poses reclame makend voor kledij, chocolade en parfum.
Zij suggeren dat alles geoorloofd, mogelijk en voorhanden is. Meisjes van veertien ogen als ervaren prostituées, gerijpte secretaresses kleden zich daarentegen als net ontluikende schoolkinderen. Vergrijzende televisieverslaggevers persen hun omvangrijk geworden achterwerk in nauwsluitende spijkerbroeken, terwijl de knapen uit de brugklas zich als Rambo uitdossen. Het is misschien amusant en het staat ogenschijnlijk dwars op de kleinburgerlijkheid uit de jaren vijftig. De tegenreactie was in de jaren zestig de roep om een meer libertaire maatschappij. Dat is inmiddels uitgelopen op het meest infantiele narcisme. De libertaire maatschappij is in handen gevallen van de genadeloze calculatoren van de vrije markt, speculerend op het feit dat emoties dienen te worden geprikkeld, onder en boven de gordel, resulterend in de conclusie dat zoiets als informatie moeilijker aan de man de brengen valt dan een plaatje met schaamhaar of een talkshow over de nieuwste masturbatietechnieken. De Amerikaanse socioloog Richard Sennet heeft het de ‘tirannie van de intimiteit’ genoemd. De grens tussen het publieke terrein en het privé-domein is vloeiend geworden. Wat precies als privé moet worden beschouwd weet niemand meer, hetgeen zowel het privé-domein als het publieke terrein heeft geschaad.
OOIT WAS HET EEN maatschappijkritisch streven om taboes ter discussie te stellen. Daarvoor is onverschilligheid in de plaats gekomen. Maar al heeft het de schijn dat de onverschilligheid domineert, begrippen als schaamte, fatsoen en menselijke waardigheid zijn nog steeds niet bij het asvat gezet. Dat wordt bewezen door de unanieme ontsteltenis over de misdaden in België. Schaamte, fatsoen en menselijke waardigheid, het zijn klassieke deugden, die nog steeds van maatschappelijk belang zijn.
De geschiedenis heeft ons geleerd dat juist de repressieve maatschappelijke structuren worden gekenmerkt door het non plus ultra aan gruwelijkheden. Ooit was het de tijd van de heksenprocessen, met hun openbare terechtstellingen, waar mensen onder het gejuich van het wild geworden grauw op palen werden gespietst, werden gevierendeeld of op het rad aan stukken werden gerukt. Dat is later vervangen door de moderne, emotieloze, rationale machinerieën, zoals beschreven in Franz Kafka’s In de strafkolonie, een soort voorstudie voor de massale vernietiging van de joden. Het is dus absurd om te veronderstellen dat de repressieve samenleving een antwoord weet op de vraag hoe het heilloze heden te genezen valt.
De gedachte dat, zoals onze voorvaderen veronderstelden, het Boze niet uit te roeien valt, is voor ons niettemin onacceptabel. Het Boze moet worden bestreden, wij hebben geen vrede met de gedachte dat de ene mens in het licht en de andere in de duisternis wandelt. Daarom dient ieder fatsoenlijk mens zich scharen achter de gedachte dat persoonlijk voordeel niet het hoogste goed is, dat de deugd geen stompzinnige antiquiteit is, dat de seksualiteit even oogverblindend als mysterieus is en geen artikel dat op de markt kan worden verhandeld.
Er zou een actiegroep moeten worden opgericht, bestaande uit verstandige mensen, die de gedachte propageert dat de ecologie zich niet moet beperken tot het milieu, maar ook moet zijn gericht op alles wat onder onze schedel kolkt. Noem het de pacificering van onwelkom beeldmateriaal, gericht op het bestrijden van de escalatie van het visuele geweld. Slechts op deze manier kunnen wij een conservatieve roep om censuur en verbodsmaatregelen voorkomen.
Het blijft altijd mogelijk dat wij ooit ten tweeden male in Belgische toestanden belanden, maar die weten wij in zo'n geval in elk geval met een wat zuiverder geweten het hoofd te bieden.