Felix Rottenberg over Tony Judt

‘De verzorgingsstaat is niet vanzelfsprekend’

Tony Judt verwijt progressieven dat ze het privatiseringsdenken te weinig bestreden. Volgens oud-PvdA-voorzitter Felix Rottenberg komt dat door de babyboomgeneratie, die te veel met zichzelf bezig was.

‘Waarom zijn mensen als Tony Judt zo dun gezaaid?’ zucht Felix Rottenberg. 'Veel academici zijn tegenwoordig zo beperkt in hun blikveld doordat ze geen academische vrijheid krijgen. Ze moeten een eigen specialistische niche bedienen en hebben daarbuiten nauwelijks maatschappelijk relevante kennis of ideeën, laat staan dat ze een bezielende rol spelen in de publieke sfeer. Judt is een van de weinigen die nog over de wil en het overzicht beschikken om de hedendaagse politiek van repliek te dienen.’
Felix Rottenberg, de voormalige voorzitter van de Partij van de Arbeid, ontmoette de schrijver van Ill Fares the Land onlangs op een conferentie in New York, waarvoor hij samen met vijftien andere progressieve academici en commentatoren was uitgenodigd: 'Het was ontroerend maar vooral indrukwekkend om te zien dat iemand in zijn lichamelijke toestand op een zo hoog intellectueel niveau kan spreken. Judt heeft behalve in zijn eigen land ook gestudeerd en gewerkt in Frankrijk en de Verenigde Staten. Hij heeft veel van de wereld gezien, gezaghebbende boeken en essays geschreven over onderwerpen uiteenlopend van de Europese eenwording tot ontwikkelingen in het Midden-Oosten en Roemenië. Hij heeft wat je noemt een heel grote greep. En hij blijft doorschrijven en terugvechten, onderwijl mnemonische technieken gebruikend om alles wat hij niet meer fysiek kan opzoeken uit zijn geheugen te halen.’
De onvermoeibare interventies van de Britse historicus staan in schril contrast met de aanklacht die hij in New York uitsprak: progressieve denkers zijn lui geworden. Ze hebben niet de moed of het inzicht gehad om weerstand te bieden aan het oprukkende privatiseringsdenken, met als gevolg een uitholling van publieke voorzieningen en van het bijbehorende besef dat maatschappelijke solidariteit meer is dan een servicecontract tussen overheid en burger. Zelfs nu de gevolgen zichtbaar worden, missen ze de intellectuele urgentie en slagkracht - de 'woede’ zoals Judt het onverbloemd zegt - om het tij te keren. Rottenberg: 'Je zag dat ook weer op die conferentie. De Franse, Duitse en Zweedse wetenschappers zaten veel te veel vast aan hun nationale achtergrond en aan allerlei sleetse ideeën. Ze dachten niet mondiaal. Op zulke momenten denk ik: wat zijn wij Europeanen geborneerd. De Chinese aanwezigen waren zelfs letterlijk niet te verstaan. Er was een welbespraakte Indiër voor nodig om de brug tussen Aziaten en Europeanen te slaan.
Het wordt zelfstandige geesten ook niet makkelijk gemaakt om hun stem in politieke fora te laten horen. Niet voor niets zit er vandaag bijna geen figuur als Marinus van der Goes van Naters (rechtsgeleerde en uitgezonderd de oorlogsjaren van 1937 tot 1967 sociaal-democratisch Kamerlid - ab) in de Kamer. Behalve Paul Kalma, maar die komt op de nieuwe lijst niet verder dan de 41ste plaats. Er worden geen scherpe, academisch gevormde geesten meer binnengehaald. René Cuperus, eveneens prominent medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, krijgt te horen dat hij te zelfstandig zou zijn om in een fractie te functioneren. En dat terwijl er enorme behoefte is aan een sociaal-democratisch antwoord op het privatiseringsdenken. Een antwoord dat wortelt in historisch besef en in een idee van maatschappelijke rechtvaardigheid.’
Een van de vragen die Judt opwerpt is waarom het vertrouwen in de overheid en in politici zo dramatisch is afgenomen. Dat de kwaliteit van de politieke vertegenwoordiging is afgenomen - 'tegelijk met de daling van het onderwijspeil,’ zegt Rottenberg met een vileine knipoog naar dertig jaar sociaal-democratische onderwijspolitiek - is de helft van het verhaal. Uiteindelijk krijgt een volk de volksvertegenwoordigers die het verdient. Maar het vertrouwen in de politiek en meer in het algemeen in de maakbaarheid van de samenleving zou vandaag juist groter moeten zijn dan ooit tevoren. De jaren vijftig en zestig brachten ongekende welvaart en stabiliteit. Dankzij de anticyclische theorie van de econoom John Maynard Keynes werden ernstige economische crises in de trant van de jaren dertig voorkomen. Een progressief belastingstelsel, gekoppeld aan uitgebreide sociale voorzieningen, zorgde ervoor dat de stijgende welvaart zodanig werd gespreid dat oude haarden van armoede, ziekte, gebrek en achterlijkheid in de samenleving verdwenen. Vervolgens gaven de jaren zeventig en tachtig een emancipatie van het individu te zien die ook niet eerder in de geschiedenis is vertoond. Waar het is misgegaan?

Wat Nederland aangaat meent Rottenberg dat hij persoonlijk getuige is geweest van de omslag, en wel als voorzitter van de Jonge Socialisten in 1976 tijdens het kabinet-Den Uyl: 'Sinds dat kabinet zijn de sociaal-democraten in dit land weggezet als potverteerders. We weten al lang dat de beschuldiging dat ons land door toedoen van Den Uyl is opgezadeld met een torenhoge staatsschuld een kletsverhaal is en dat die schuld vooral het werk is van het daaropvolgende kabinet-Van Agt/Wiegel. Maar het feit dat die mythe zo hardnekkig is, geeft al aan hoeveel intellectueel terrein de sociaal-democratie verloor. Ik heb gezien hoe Den Uyl vanaf dat moment geïsoleerd raakte binnen de top van de partij. De voornaamste oorzaak is de naïviteit van de babyboomgeneratie. Die was in de verzorgingsstaat opgegroeid en wist niet beter of dat was de normale toestand, niks bijzonders, eerder een rem op je persoonlijke ontplooiing dan een breekbaar arrangement waarop je zuinig moet zijn. Maar de verzorgingsstaat was niet vanzelfsprekend.
Je zou het intellectueel terreinverlies van de sociaal-democratie dus uit haar succes kunnen verklaren. Dat succes is kortstondig geweest, beperkt tot de drie of vier decennia na de Tweede Wereldoorlog. De economische crisis van de jaren dertig en de ontreddering van de Tweede Wereldoorlog verschaften de legitimatie voor de verzorgingsstaat. Het verbond met de christen-democraten, die in hun hart vaak christelijke sociaal-democraten waren, maakte de uitbouw ervan mogelijk. Maar het was een broze verworvenheid. En die verworvenheid liep een eerste deuk op door toedoen van de babyboomers, die zich voornamelijk bezighielden met hun persoonlijke ontplooiing en de staat als een belemmering gingen beschouwen. Zo vervreemdde de politieke leiding van de traditionele achterban. De ijzeren wet van de oligarchie, in het begin van de vorige eeuw ontdekt door de socioloog Robert Michels, deed de rest. Dat heb ik als partijvoorzitter door schade en schande moeten ontdekken. De leiding sluit zich op in circuits die binnen zeven jaar potdicht zitten. Als een nieuwe bestuursploeg aantreedt, zit die na zeven jaar ook potdicht. Ik heb tevergeefs getracht die cyclus te doorbreken, er was geen ontkomen aan.’
De babyboomers hadden een narcistische inslag, schrijft Judt, en zetten de trend voor een individualisering die in de jaren tachtig ook de politiek veroverde. Hij citeert met instemming de Amerikaanse schrijfster Camille Paglia, het postfeministische enfant terrible dat niet aflaat haar linkse vrienden vanwege hun illusoire zelfbevrijdingspogingen en valse hippieromantiek te kastijden: 'Mijn generatie van de jaren zestig, met al haar grote idealen, heeft door haar excessen het links-liberalisme vernietigd.’
Rottenberg: 'Geen wonder dat de jongste generatie zo materialistisch is. Dat hebben ze van de babyboomers geleerd. En nu ze op de top van hun macht zitten, ontbreekt het de politici van de babyboomgeneratie aan de moed om dwars te liggen, moeilijke keuzes te maken en de risico’s te accepteren die bij echt leiderschap horen. Ze zijn opgegroeid in een stabiel, welvarend Europa. Ze weten niet beter.’
Judt drukt zich nog een tikje plastischer uit: de hedendaagse politiek wordt door louter 'pygmeeën’ bevolkt. Ze denken niet na over de vraag wat een goede samenleving is omdat ze menen dat iedereen het daarover wel eens is. Hun enige meningsverschil betreft de vraag wat de beste middelen zijn om die toestand te bereiken, liefst zo 'efficiënt’ mogelijk. De gedachte dat een publieke voorziening als het openbaar vervoer heel goed zou kunnen voldoen (dat wil zeggen: in een maatschappelijke behoefte zou kunnen voorzien) zonder kostendekkend te zijn, komt in hun hoofd niet op. De malaise bij de geprivatiseerde Britse spoorwegen en posterijen is bepaald niet uniek, we zien de gevolgen ook in ons land. Rottenberg: 'De NS beschouwen zichzelf sinds de verzelfstandiging niet langer als leverancier van een publiek goed. Het bedrijf is nu zozeer de weg kwijt dat het overweegt in andere landen te investeren hoewel het treinvervoer in Nederland lang niet op orde is.’
Judt stelt daar tegenover dat een staat alleen levensvatbaar is als hij een gemeenschappelijk belang en een idee van rechtvaardigheid belichaamt, ook al faalt hij niet zelden in de uitvoering van die opdracht. Want dat de staat veel minder vermag dan we zouden willen, kunnen we tegenwoordig ook maar moeilijk accepteren. 'Ziedaar een belangrijke oorzaak van het wantrouwen tegen de staat’, zegt Felix Rottenberg. 'Het is veel te gemakzuchtig te denken dat de staat complete, sluitende oplossingen kan leveren voor maatschappelijke problemen. De staat zelf is al een zo complex verschijnsel dat je er moeilijk greep op kunt krijgen. Het is ook een illusie te denken dat de staat keiharde garanties kan bieden in een veranderende wereld. Dat moet je als politicus je kiezers dus niet voorhouden, anders maak je jezelf in de ogen van de burgers onbetrouwbaar. Denk aan de wao-crisis in de zomer van 1991, toen de pvda akkoord ging met ingrijpende maatregelen in de wetgeving op de arbeidsongeschiktheid die tien dagen daarvoor nog onaanvaardbaar waren genoemd.’

Door de wao-crisis verloor de pvda twaalf Kamerzetels. Dat maakte de partij defensief ondanks de deelname aan Paars I. Rottenberg: 'Het belemmerde de partijvernieuwing die door mij en Ruud Vreeman als duo-voorzitter was ingezet om grote economische en culturele vragen opnieuw aan de orde te stellen. Maar zoals gezegd, door de oligarchisering was dat proces niet te stuiten. Afgelopen najaar deed Wouter Bos hetzelfde, hij maakte zonder de kiezers van tevoren gewaarschuwd te hebben een “draai” inzake de aow-leeftijd om te kunnen bezuinigen. Zo wek je de indruk dat de staat onberekenbaar is. En voor je het weet breek je met wezenlijke tradities die de samenleving bij elkaar houden. Een goed voorbeeld is het opheffen en samenvoegen van gemeenten waardoor je een lange traditie van lokale zelforganisatie aantast. Een ander voorbeeld is het onderwijs. Daar is massificatie van scholen en opleidingen afgedwongen en tegelijk de positie van het onderwijzend personeel vergaand ondergraven; de ene reorganisatie volgde op de andere met als gevolg dat het hele stelsel instabiel werd. Daarbij ging ook de traditie verloren dat iedereen een goede school en vervolgopleiding in zijn eigen omgeving heeft. Tegenwoordig moeten Amsterdamse ouders hun kinderen soms onderbrengen op scholen ver buiten de stad om ze een goede opleiding te kunnen geven.’
Rottenberg vindt wel dat Judts beeld van de hedendaagse samenleving sterk geënt is op de Angelsaksische landen. Daar is door de zegetocht van het neoliberalisme onder Ronald Reagan en Margaret Thatcher vaak meer kapotgemaakt dan elders. Rottenberg: 'We hebben hier nog altijd een hoogontwikkelde gezondheidszorg. We hebben in Nederland ook het hoogste percentage vrijwilligers van de Europese Unie. We hebben een uniek netwerk van organisaties en verenigingen die op vrijwilligerswerk draaien. Dat netwerk vergrijst echter omdat mensen tussen de twintig en veertig jaar tegenwoordig veel te hard en te lang moeten werken om zich ermee bezig te kunnen houden. En zo dreigt een waardevolle traditie verloren te gaan.’
Daarentegen eindigt Judts boek voorzichtig optimistisch. De Brit constateert dat de kredietcrisis van 2008 duidelijk heeft gemaakt dat de staat onmisbaar is om de stabiliteit van het openbare leven te garanderen. De staat is terug van weggeweest, maar dat betekent nog geen winst zolang we niet kunnen aangeven welke rol voor hem moet zijn weggelegd. Rottenberg: 'Het achterliggende probleem is dat we daar niet meer de woorden voor hebben. De linguïstiek van de sociaal-democratie is verwoest. Judt draagt ongewild daaraan zijn steentje bij als hij zegt dat onze taak bestaat in het opnieuw bedenken van de overheid: “re-thinking government”. Dat is net zo'n modieuze kreet als Al Gore’s leuze “re-inventing government”. Het is managementjargon. Staten zijn niet uitgevonden en kunnen niet opnieuw bedacht worden. Ik zie meer in het bedenken van subtiele lange-termijnmaatregelen die de basis van de verzorgingsstaat versterken. Dat is al ingewikkeld genoeg.
Ondanks Judts terechte litanie hebben we in dit land namelijk nog veel verworvenheden over. Daar is voor geknokt en we zullen opnieuw moeten knokken om ze te beschermen. Op die conferentie was ook een man met lijstjes, zo'n type dat op het eind cijfers van papier begint voor te dragen. Toch was dat wel even leuk. In bijna alle categorieën van welzijn stonden de Scandinaviërs bovenaan. Wat kan ik zeggen? Het zijn doorgewinterde sociaal-democraten, ook al heeft Denemarken intussen de nodige conservatieve regeringen versleten. Maar Nederland stond wel mooi op de vijfde plaats. Dat vervulde me met enige trots.’