De stad als sociaal laboratorium

De verzorgingsstaat voorbij

Steden barsten bijna uit hun voegen van de bruisende, sociale initiatieven. Oude instituties zijn vastgelopen, burgers doen het weer zelf. Soms met de rug tegen de muur.

Vlak voor zijn officiële aantreden als directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau ontvouwde Kim Putters in het Amsterdamse debatcentrum De Balie zijn visie op de toekomst van Nederland. De eeuwig jeugdig ogende voormalige pvda-senator moest nog wat wennen aan zijn nieuwe rol, maar zijn boodschap was die avond in mei helder: ‘De Nederlandse verzorgingsstaat transformeert richting een verzameling verzorgingssteden. (…) Ze schrapt niet zozeer instituties, maar verandert wat ze doen. In het perspectief van de verzorgingsstad is het niet het Binnenhof dat uniforme regels en eisen stelt, maar juist op hoofdlijnen stuurt, leert loslaten en variatie toestaat.’

Nu heeft het scp in het verleden met het doortrekken van trends de plank wel eens mis geslagen, maar met deze voorspelling zal Putters zich geen buil vallen. De transformatie van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad is immers al volop aan de gang. Sterker nog: die transformatie is eigenlijk nog breder dan Putters schetst. Niet alleen de ‘verzorging’ gaat van staat naar stad, dat geldt ook voor werk, energie, onderwijs, huisvesting, woningbouw. Op al die terreinen zien we steden als een nieuw en dynamisch werkterrein opkomen, als de plek waar burgers het initiatief nemen en waar de echte innovaties plaatsvinden.

Over wat voor innovaties gaat het? Laten we eens kijken naar twee uitersten. Aan de ene kant barsten steden bijkans uit hun voegen van de leuke en bruisende initiatieven van – doorgaans (maar lang niet altijd) jonge – burgers. Er zijn inmiddels al heel veel woorden voor gemunt: doe-democratie, sociaal doe-het-zelven, burgerkracht. Wie op de hoogte wil blijven van de vitaliteit van deze eindeloze reeks initiatieven doet er verstandig aan zich te abonneren op het dagelijkse Stadsbericht van het Amsterdamse Pakhuis De Zwijger, de cultuurfabriek aan de oever van het IJ die zich on- en offline de laatste jaren heeft ontwikkeld tot het dynamische platform van de stedelijke bottom up-beweging.

Stadsbericht levert u een dagelijkse portie nieuwstedelijke arbeidsvitaminen. Interessante mensen, frisse apps, grappige festivals, verplaatsbare tuinen, clubhuizen in zelfbeheer, bibliotheken die gered worden door burgers. Je zou bijna vergeten dat we in de diepste economische crisis sinds de jaren tachtig leven. Er is kennelijk niet alleen mistroostigheid. Er stroomt energie door de stad, niet alleen in Amsterdam, zeker niet alleen in Amsterdam, maar overal. Van Groningen tot Berg op Zoom, van Heerlen tot Den Helder.

Dat is de ene kant van het verhaal.

Aan de andere kant zijn dezelfde Nederlandse steden momenteel het toneel van de grootste hervorming van de verzorgingsstaat ooit: het rijk schuift voor zo’n vijftien miljard aan taken naar de gemeenten, die ongeveer tien miljard krijgen om die op hun eigen manier uit te voeren. Met name de langdurige zorg (voor ouderen en anderen met verstrekkende beperkingen) gaat op de schop. Een groot deel van de verzorgings- en verpleeghuizen sluit de komende jaren zijn deuren. In de wijken, bij de mensen thuis, moet zorg-nieuwe-stijl gaan plaatsvinden. Maar niet alleen de langdurige zorg wordt gedecentraliseerd, een soortgelijke weg gaat bijna de hele jeugdzorg, het instrumentarium om mensen aan het werk te helpen en het passend onderwijs. Elke zichzelf respecterende gemeente is zich daar terdege op aan het voorbereiden, onder meer door ‘sociale wijkteams’ op te zetten: teams van professionals die op een breed terrein van wanten weten – van zorg tot werk en schulden – en tegelijk moeten voorkomen dat burgers gebruik gaan maken van dure, tweedelijns voorzieningen.

Het lijken twee heel verschillende werkelijkheden. Aan het ene uiterste de swingende wereld van stadslandbouw, energiecollectieven en thuisafgehaald.nl, aan het andere uiterste de moeizame pogingen om de zorg voor ouderen nog een beetje op peil te houden door een beroep te doen op naasten en buren. In de Troonrede verpakte de regering deze beweging in de wat verhullende term ‘participatiesamenleving’. Maar als je wat preciezer kijkt, zijn het twee uitingen van dezelfde ontwikkeling: de oude instituties zijn vastgelopen en burgers besluiten het zelf te gaan doen – soms uit eigen beweging, soms met hun rug tegen de muur.

***

De bal ligt dus bij de burger, nadat deze de afgelopen decennia bij de overheid en bij de markt lag. Helemaal voor het eerst in de geschiedenis is dat natuurlijk niet. Sterker nog: op de keper beschouwd is de twintigste-eeuwse staatsafhankelijkheid een uitzondering. Eeuwenlang dopten burgers – ook als ze formeel geen burger genoemd konden worden – hun eigen boontjes, zij het vaak in kommervolle omstandigheden. Tot in de twintigste eeuw speelde de staat op sociaal vlak de tweede, zo niet derde viool, na informele burgerverbanden en levensbeschouwelijke organisaties. Van ziekenhuizen tot woningcorporaties, sociale zekerheid en welzijnsinstellingen – zo goed als de hele verzorgingsstaat is gebouwd op initiatieven van burgers. Van oudsher waren er in het ‘maatschappelijk middenveld’ machtige verzuilde koepels die – net als de liberalen – de overheid liever geen prominente rol zagen spelen. Pas na de Tweede Wereldoorlog nam de nationale overheid die rol op zich, mede gedreven door de beproevingen van de crisisjaren en de daarop volgende oorlogsgruwelen.

De grondslag daarvoor werd in 1942 gelegd door de Engelse jurist William Beveridge, die de opdracht had gekregen van de regering om na te denken over een nieuw systeem van sociale zekerheid, dat op nationaal niveau mensen meer bestaanszekerheid moest bieden dan allerhande kleine sectorale steunfondsen tot dan deden. Met zijn rapport Social Insurance and Allied Services, in 1944 gevolgd door Full Employment in a Free Society, legde Beveridge het fundament voor een kordate machtsgreep van de nationale overheid in het vormgeven van een nieuwe welfare state. De invloed van het Beveridge-rapport was groot. Niet alleen in Engeland (dat er onder meer de National Health Service aan overhield) maar in alle landen van West-Europa trok de nationale staat de macht naar zich toe om de wederopbouw ter hand te nemen en de voedingsbodem voor nieuwe oorlogen uit te bannen. De Nederlandse regering in ballingschap zette al in 1943 de commissie-Van Rhijn aan het werk, die een op Beveridge voortbouwend Nederlands stelsel van sociale zekerheid moest uitwerken.

De opbouw van dat stelsel werd na de oorlog kordaat ter hand genomen. Al in 1947 bracht minister van Sociale Zaken Willem Drees een Noodwet Ouderdomsvoorziening tot stand die in 1957 werd vervangen door de aow, het pensioen voor iedereen. Maar ook op andere terreinen nam de rijksoverheid het voortouw. Het leverde een imposant staaltje nationale wetgeving op: de Wet op de Bejaardenoorden (voor een welverdiende oudedagsvoorziening) in 1961; de Algemene Bijstandswet (van genade naar recht) in 1965; de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (wao) (werknemers die niet meer kunnen werken krijgen tachtig procent van hun inkomen gegarandeerd) in 1967; en in 1968 de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (awbz), die mensen zorg moest bieden tegen onverzekerbare risico’s en het noodlot. Dat was in net iets meer dan tien jaar een kolossaal wetgevingsproject. Worden de jaren zestig nog wel eens beschouwd als het decennium van de zelfontplooiing, de flower power, de popcultuur en het individualisme – historisch gezien is er meer reden om ze te zien als de hoogtijdagen van de verstatelijking.

Nieuw­stedelijke arbeids­vitaminen: interessante mensen, frisse apps, grappige festivals – er stroomt energie door de stad

Eind jaren zestig was het welvaartsbouwwerk in grote lijnen voltooid. Maar: de wittebroodsweken van de nieuwe ‘verzorgingsstaat’ waren heel kort. De inkt van de nieuwe wetten was nog maar net opgedroogd toen het hele bouwwerk in zijn voegen begon te kraken. In combinatie met de economische hoogconjunctuur hadden ze welvaart voor iedereen binnen handbereik gebracht, maar hoe zat het met het welzijn? Moesten we daar ook niet mee aan de slag?

Het progressieve kabinet-Den Uyl maakte het begrip welzijn tot de hoeksteen van het regeringsbeleid. Aanvankelijk was dat welzijn het toefje slagroom boven op de welvaart, maar na de oliecrisis en de economische recessie die daarop volgde keerde die verhouding om: welzijn werd de tegenhanger van welvaart. We moesten op zoek naar ‘de kwaliteit van het bestaan’ en in de zoektocht moest ook het naoorlogse bouwwerk van de verzorgingsstaat het ontgelden.

Een mooie illustratie daarvan is wat Jo Hendriks, staatssecretaris Volksgezondheid in het kabinet-Den Uyl, in 1976 schreef: ‘Hoe belangrijk de verworvenheden van de verzorgingsmaatschappij ook mogen zijn, zij houden het gevaar in zich de mensen onmondig en onzelfstandig te maken. De mensen hebben de directe betrokkenheid bij eigen en andermans welzijn voor een groot deel verloren. Zij hebben steeds meer geleerd pijn en verdriet te ontlopen en verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid af te wentelen. Zij hebben “geleerd” de zorg voor de eigen gezondheid uit te besteden aan een steeds volmaakter lijkend gezondheidszorgsysteem. Van de andere kant wordt de verantwoordelijkheid voor eigen welzijn langzamerhand geheel van de mensen afgenomen door de alom tegenwoordige verzorgingssystemen.’

Tegen die achtergrond voelde Hendriks zich gedwongen naar andere wegen om te zien. ‘Wegen die de mensen minder afhankelijk maken van de verzorgingssystemen. De nadruk zal hierbij moeten liggen op zelfhulp, vrijwilligerswerk, kleinschaligheid van organisatie en decentralisatie van bestuur.’

Deze woorden hadden zomaar uit de mond kunnen komen van de huidige staatssecretaris Martin van Rijn, maar die was toen nog maar een tweedejaars student economie in Rotterdam. Nee, hier spreekt een verre voorganger van hem, te midden van de roemrijke jaren zeventig. En hoeveel reden was er toen helemaal om zo bezorgd te zijn? Om een indicatie te geven: in de awbz ging ten tijde van deze Hendriks omgerekend nog maar zo’n twee miljard euro om, een schijntje in vergelijking met de 25 miljard van nu.

Staatssecretaris Hendriks was niet de enige die zich zorgen maakte over de effecten van de verzorgingsstaat. Eind jaren zeventig begonnen ook vooraanstaande sociologen de trom te roeren. In 1978 verscheen onder redactie van Jacques van Doorn en Kees Schuyt de bundel De stagnerende verzorgingsstaat. Wie het boek nu leest wrijft zich regelmatig in de ogen. Is dit al in 1978 geschreven? Beide sociologen spreken in glasheldere taal over de onbetaalbaarheid, de bestuurlijke onbeheersbaarheid, the rise of expectations van burgers, het welzijnsconsumentisme, de overdaad aan regelingen. Van Doorn muntte in zijn bijdrage de term ‘expertocratie’, een vorm van moderne samenleving waarin steeds meer beroepskrachten zich opwerpen als de deskundigen (‘experts’) bij uitstek om steeds preciezer gedefinieerde problemen onder hun hoede te nemen. De beide sociologen concluderen: ‘Het is wellicht vooral uit dit technocratische karakter van het stelsel te verklaren dat men allerlei consequenties niet heeft voorzien en geen antwoord weet op de vraag hoe men verder moet, nu de scheuren in het bouwwerk zichtbaar worden.’

In de jaren tachtig dringt zich steeds nadrukkelijker een oplossingsrichting op: de overheid moest uit de ‘cockpit’ van de samenleving. De Amerikaanse president Ronald Reagan vertolkte dat sentiment nog het meest kernachtig met zijn beroemde uitspraak: ‘De overheid is niet de oplossing voor onze problemen; de overheid zelf is het probleem.’ Neoliberale gedachten knaagden steeds dieper aan het grote, logge bouwwerk van Beveridge. In Nederland zetten de kabinetten-Lubbers zich aan de verbouwing onder de noemer: no nonsense. Weg met de opsmuk, terug naar de kern, de bomen groeien niet langer tot in de hemel.

En zo brak een lange periode aan waarin de nationale overheid moeizame pogingen deed om de verzorgingsstaat uit handen te geven. Sleutelwoorden waren ‘decentralisatie’ en ‘marktwerking’: lagere overheden en de markt moesten het stokje overnemen. Vaak gebeurde dat in combinatie: zo werd al in 1985 het welzijnswerk (buurthuizen, opbouwwerk, peuterspeelzalen en dergelijke) van rijk naar gemeenten overgeheveld. De lokale bestuurders en ambtenaren vingen dat prima op maar zetten wél hun stempel op het welzijnswerk, volgens de toen heersende opvattingen: ze deden er alles aan om in het kader van new public management (de overheid als bedrijf) grote welzijnsinstellingen te creëren, die ze als marktpartij konden behandelen om er hun ‘welzijnsproducten’ in te kopen. De drie enorme decentralisaties die het kabinet-Rutte momenteel uitvoert, passen in deze trend: ze schrijven een nieuw hoofdstuk in een ontwikkeling die al vanaf begin jaren tachtig is ingezet.

***

De introductie van marktelementen loste de problemen in de organisatie van zorg en welzijn niet op. Integendeel, aan de vlijmscherpe observaties van Van Doorn en Schuyt uit 1978 zijn alleen maar dimensies toegevoegd. Onze expertocratie is nog verder versnipperd, verkokerd, bureaucratischer geworden en al helemaal niet goedkoper. Nog sterker dan toen zitten we met een systeem, een ‘institutionele logica’ die vervreemd is van de leefwereld van burgers. Want bij alle verschillen tussen een staatsregime en een marktregime is er minstens één belangrijke overeenkomst: de burger wordt er in zekere zin gedeformeerd. Onder het staatsregime tot een rechtssubject dat via verkiezingen of vormen van interactieve besluitvorming zijn invloed kan doen gelden maar zich verder volgens de regels moet gedragen; onder het marktregime tot een (soms kritische) consument die diensten kan inkopen. Beide regimes gaan niet uit van een zelfstandig ondernemend en handelend sociaal subject. Zo roepen ze de vervreemding over zich af.

Staat en markt hebben beide stevig bijgedragen aan de emancipatie van burgers, maar kunnen die emancipatie niet bijbenen

Dat is een tragische paradox: staat en markt hebben beide stevig bijgedragen aan de emancipatie van burgers, maar kunnen die emancipatie niet bijbenen. De overheid beteugelde in hoge mate de vijf ‘Giant’ problemen (bestaansonzekerheid, onwetendheid, ongezondheid, armoede en werkloosheid), waar de welfare state van Beveridge het hoofd aan moest bieden; de markt maakte onderdanen tot (kritische) consumenten. Zo hebben ze ertoe bijgedragen dat burgers manser zijn dan ooit: beter opgeleid, gezonder, mobieler, mondiger, vitaler. Om vervolgens hun greep te verliezen. Het lijkt op het verhaal van de tovenaarsleerling: burgers nemen het initiatief meer en meer in eigen hand.

***

Burgerinitiatief is niet nieuw. Burgers stonden aan de wieg van de instituties die vanaf het midden van de twintigste eeuw werden verstatelijkt. En ook in de afgelopen decennia waren het niet alleen geleerden die de verzorgingsstaat bekritiseerden – die kritiek kwam ook van professionals en burgers/cliënten die zich niet thuis voelden in de institutionele logica van staat en markt. Ze voelden zich betutteld, te weinig persoonlijk behandeld, veronachtzaamd en zetten hun eigen alternatieven op.

Dat begon al aan het begin van de jaren zeventig, toen kritische hulpverleners de autoritaire wereld van de kinderbescherming en jeugdhulpverlening aan de kaak stelden en Release en het jac oprichtten als een alternatieve vorm van hulpverlening aan en omgaan met jongeren. Het waren de jaren dat psychiaters en hun inrichtingen van hun voetstuk werden gehaald door een coalitie van cliënten, studenten en professionals die streden voor kleinschaligheid, menselijkheid en vermaatschappelijking in de omgang met geestesziekten. Er loopt een rechtstreekse lijn van de alternatieve hulpverlening via de zelfhulpgroepen en de wegloophuizen tot recente initiatieven als Eropaf!, de EigenKracht-conferenties en de achter-de-voordeurprojecten. Het zijn allemaal uitdrukkingen van het ongenoegen over de instituties van de verzorgingsstaat die hun ‘cliënten’ de regie ontnamen en bovendien collectief faalden als mensen met te ingewikkelde problemen te kampen hadden.

Die vernieuwingsbeweging resulteerde ook in nieuwe instituties. Sterk tot de verbeelding spreekt het verhaal van Jos de Blok en zijn Buurtzorg Nederland. De van oorsprong wijkverpleegkundige De Blok was leidinggevende in de thuiszorg. Steeds vaker moest hij verpleegkundigen vertellen hoe ze hun werk moesten doen en steeds nadrukkelijker had hij het gevoel dat het niet goed was. Bovendien zag hij de band tussen professional en cliënt steeds oppervlakkiger worden. Voor een praatje was geen tijd (en geld). De Blok nam ontslag en begon in 2007 in Hengelo met een nieuwe aanpak, kleinschalig georganiseerd, buurtgericht en zelfsturend. Buurtzorg werkt in buurten met kleine teams van maximaal twaalf medewerkers, die binnen een aantal algemene condities een grote vrijheid hebben om de zorg voor hun klanten naar eigen inzichten te regelen. Intussen is Buurtzorg uitgegroeid tot een organisatie met vijfhonderd teams, 5500 medewerkers en een omzet van zo’n tweehonderd miljoen euro. En dat zonder managers. Er zijn alleen enkele regiocoaches en er is een geavanceerd IT-systeem.

Wat al die initiatieven met elkaar verbindt, is de enorme inzet van mensen en de blijvende ervaring van eigenaarschap: ‘cliënten’ en professionals houden controle over hun eigen werk, hun eigen leven – precies het gevoel dat staat en markt niet kunnen oproepen.

***

Daarin stemmen deze initiatieven in de zorg overeen met die in de swingende wereld van de urban farming, energiecollectieven enzovoort: een afkeer van de oude, verticale instituties en een bijna opgewonden voldoening van het zelf doen. Wat beide bewegingen ook bindt is het lokale karakter. Dat betekent niet dat ze per se in een buurtje of wijk vorm krijgen: we leven in een global village en dankzij het internet zijn verbindingen gauw gelegd. Het betekent wel dat er nabijheid wordt georganiseerd zonder te streven naar universalisme: het is al mooi als je voor een groep gelijkgestemden iets leuks kunt realiseren. Daar heb je dus noch overheid noch andere verticale instituties voor nodig.

Een derde overeenkomst is dat de grenzen tussen burgerinitiatief, markt en overheid vervagen: sociaal ondernemers geven kooklessen aan kinderen in de Rotterdamse Agniesebuurt, zzp’ers combineren werkruimte met activiteiten in het Amsterdamse stadsdeel Nieuw-West of met een buurtfunctie in Amersfoort, de Coffee Company organiseert ontmoeting – voorbeelden te over.

Deze beide bewegingen lijken niet alleen op elkaar, ze kunnen elkaar ook versterken. Dat bewijzen de ‘bewonersbedrijven’ die momenteel in verschillende steden tot ontwikkeling komen. Daarin creëren bewoners in hun wijk hun eigen circulaire economie, onafhankelijk van subsidies. Zo’n bedrijf functioneert sinds maart dit jaar in de grootste achterstandswijk van Nederland, de Leeuwarder wijk Heechterp-Schieringen. Het verricht publieke taken (zoals beheer van de openbare ruimte en woningen), biedt een plek aan werklozen uit de buurt, leidt mensen op en versterkt de samenhang in de buurt. En met de revenuen starten ze weer nieuwe sociale projecten in de wijk.

***

Zijn we daarmee terug bij af? Was de naoorlogse verzorgingsstaat à la Beveridge een historische vergissing, die we nog slechts hoeven af te schaffen om voortaan alles weer opgelucht over te laten aan het burgerinitiatief?

Professionals zijn doodsbang een diagnose te missen en schroeven hun protocollen hoog op

Uiteraard niet, daarvoor is de samenleving te complex geworden. Door de toegenomen mobiliteit wonen familieleden verder van elkaar, waarmee een vanzelfsprekende vorm van bekommernis is uitgehold. De arbeidsparticipatie van vrouwen is sterk toegenomen, waardoor de traditionele dragers van de informele zorg grotendeels zijn weggevallen. Zelfs in een hoogontwikkeld land als Nederland hebben anderhalf miljoen mensen boven de zestien jaar grote moeite met lezen en schrijven. Dat betekent niet per se dat ze zich niet kunnen redden, maar eenvoudiger wordt het er niet op.

Tegen zulke problemen vermag burgerinitiatief veel, maar niet alles. Net zo min als urban farming grootschalige landbouw kan vervangen en kleinschalig opgewekte energie een volledig alternatief is voor energiecentrales, zullen burgerinitiatieven staatszorg overbodig maken. Het gaat op al die terreinen om nieuwe verhoudingen tussen klein en groot, tussen wat mensen zelf kunnen en de dienstbaarheid van instituties, tussen eigen belang en publiek belang, tussen burgerkracht, markt en staatsbemoeienis.

Dat is niet minder dan een copernicaanse wending: niet langer draait alles om de staat en de professionele interventies. Niet alles draait meer om het aanbod van grote instituties. Voor de (staats)instituties is dat een buitengewoon lastige opgave. Zij moeten zich opnieuw uitvinden, zoals Kim Putters terecht beweerde in zijn ‘toekomstbeeld voor Nederland’. Zij moeten zich opnieuw enten in een netwerksamenleving, die systematisch knaagt aan de oude, verticaal georganiseerde instituties. Het daagt deze uit zich opnieuw uit te vinden en zich horizontaal te organiseren. In feite is dat wat een organisatie als Buurtzorg in de praktijk brengt. Zij legt macht en verantwoordelijkheden weer bij de professionals die het werk met burgers verrichten. Ze herstelt daarmee in een eigentijds jasje een werkwijze die in het grote institutionele geweld van de laatste decennia verloren is gegaan. Zo moet er een nieuwe sociale infrastructuur ontstaan.

Maar die oude orde geeft zich niet zonder meer gewonnen. Opleidingen, financiering, organisatie, verantwoording, aansturing – alles is ingericht op het zo snel en efficiënt mogelijk leveren van diensten aan mensen die als consument worden opgevat onder gelijktijdige vermijding van alle mogelijke risico’s. Dat is een vicieuze cirkel, gechargeerd gesteld: burgers eisen diagnoses en zijn vanuit hun consumentenrol kritisch over de dienstverlening, professionals zijn doodsbang een diagnose te missen en schroeven hun protocollen hoog op, politici grijpen elk incident aan om zich electoraal te profileren met ferm beleid en nieuwe regels, ambtenaren worden scherpe inkopers van verstrekkingen die ze kunnen afrekenen zonder naar de maatschappelijke resultaten te kijken. Die vicieuze cirkel fungeert als een vliegwiel dat leidt tot steeds meer van hetzelfde.

Dat vliegwiel afremmen vergt nogal wat. Misschien wel het ergste wat er kan gebeuren is datgene wat momenteel gebeurt: alle actoren blijven ongeveer doen wat ze altijd al deden, op één na. Dat zijn de burgers – en dan met name de zorgbehoevenden onder hen. Die moeten afzien van dienstverlening en hun zorg (‘weer’) zelf gaan organiseren. En dat noemen we dan ‘participatiesamenleving’. Dat is pokeren over de ruggen van de kwetsbaren. Er moet veel meer veranderen: andere instituties, andere professionals, een andere manier van sturen en politiek bedrijven. En vanuit al die perspectieven moet burgers in een andere positie komen. Leidend, sturend, beslissend.

Daarvoor bestaat geen nationaal receptenboek meer. Beveridge is dood. In de steden komen alle mogelijkheden voor die verandering bij elkaar: burgers die het heft in handen nemen, horizontale organisatiemodellen met behulp van moderne ict, een lokale overheid die samenhangend beleid kan maken van arbeid tot zorg. Tegen die dynamiek zouden de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens het begin van een nieuw tijdperk kunnen markeren. Niet zozeer vanwege de te verwachten aardverschuivingen in het partijpolitieke landschap, maar omdat de steden zelf ingrijpend aan het veranderen zijn. Zo wordt het lokale het laboratorium bij uitstek van sociale innovaties. De verzorgingsstaat voorbij.


De stad als sociaal laboratorium

Op Prinsjesdag is van koningswege de participatiesamenleving geproclameerd. In werkelijkheid is het sociaal-politieke landschap in Nederland al veel langer ingrijpend aan het veranderen. Instituties kraken, burgers nemen op tal van terreinen het heft in handen, gemeenten zien door enorme decentralisaties de kans schoon zich te ontworstelen aan de starre Haagse voogdij. Dat maakt steden tot fascinerende sociale laboratoria, waar alles bij elkaar komt: de do it ourselves-_beweging, nieuwe horizontale netwerkorganisaties, andere professionele aanpakken en lokale overheden die samenhangend beleid kunnen gaan maken van arbeid tot zorg. In die nieuwe dynamiek zouden de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens het begin van een nieuw tijdperk kunnen markeren. In de aanloop daarvan verkennen Nico de Boer en Jos van der Lans voor _De Groene Amsterdammer dit veranderende landschap. In dit eerste deel schetsen ze het brede historische perspectief.


Nico de Boer en Jos van der Lans zijn zelfstandige onderzoekers en publicisten. Zij hebben een groot aantal publicaties over de publieke sector op hun naam. In 2011 schreven zij in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling het spraakmakende essay Burgerkracht_. Op 3 oktober verschijnt van de hand van Jos van der Lans en Pieter Hilhorst bij uitgeverij AtlasContact het boek_ Sociaal doe-het-zelven: De inspiratie en de politieke praktijk


Deze week (24-10-2013) verschijnt het tweede deel uit de serie ‘De stad als sociaal laboratorium’