De verzuiling van het drama

De Plantage was zondag gewijd aan verleden en heden van het Vara- televisiedrama. Als u keek, weet u beter dan ik ‘of Groenteman er wat van gemaakt heeft’, want ik mocht, geschminkt en wel, meepraten - een heel wat ongemakkelijker positie, bleek, dan kijkend vanuit de fauteuil, met de poes op schoot, de slaapmuts op en nog eentje onder handbereik. Een der deelnemers bracht hulde aan de VPRO die de moeite nam een uur lang serieus aandacht te besteden aan het werk, en dan nog wel een heel speciaal onderdeel daarvan, van een collega-omroep.

Omgekeerd zou de Vara het niet in haar hoofd halen, zei hij, en zowel die opmerking als zijn lof onderschrijf ik. We hebben een mal land. Wanneer ik dat land aan buitenlandse studenten uit moet leggen en met verve theorie en praktijk van de verzuiling uit de doeken doe, komt het moment waarop zij vermoeden dat we hier langs de rand van een gruwelijke burgeroorlog hebben gewankeld. Terwijl toch niets minder waar is. En zoals wij elkaar nooit voor rotte vis schelden op het Binnenhof, omdat de volgende coalitie immers alweer wacht en je maar nooit weet met wie, zo is er in het bestel grote huiver van omroepen om elkaars prestaties en wanprestaties openlijk en in zendtijd aan de orde te stellen. Waardoor het meest indringende medium zelden op enige zelfreflectie te betrappen is.
Trouwens, de combinatie van politieke en media-omzichtigheid leidt ertoe dat een bepaald type programma, drama over hoogte- en dieptepunten uit de recente politieke geschiedenis, nooit gemaakt wordt. Terwijl men in Engeland met regelmaat waar maakt dat juist daar enorme mogelijkheden voor mooie, boeiende en onthullende programma’s liggen. De speelfilm De mannetjesmaker blijft de grote uitzondering. Die is dan ook niet door de televisie geproduceerd. Wij blijven gematigd en voorzichtig. En zullen tot de tweeentwintigste eeuw moeten wachten om een tv-spel of serie te zien over de Greet Hofmans-affaire, Victor Baarn, de Nederlandse regering in Londen of een der vele tegels die Hofland en anderen lichtten. Hooguit wagen we ons aan Willem van Oranje en dan is het huis te klein wanneer die ontkleed in een hooiberg kroelt.
De Vara is niet de enige die de handen niet wilde branden. Ze is wel een van de weinige omroepen waar je historische belangstelling zou verwachten. Al was het maar voor ‘de rode droom’ en alles waar die voor stond. Maar nooit hebben we Troelstra 1918 of De muiterij op de Zeven Provincien gezien, nooit is de Nederlandse Days of Hope door de Vara gemaakt. Sociale geschiedenis is, op Merijntje Gijzen na, een blinde vlek. En als de Vara het niet doet, wie dan wel? Natuurlijk is voor de toekomst nog minder te verwachten. Niet voor niets werd het Vara-dramabeleid het Vara-comedybeleid - al maakt men, toegegeven, per jaar vier single-plays rond een maatschappelijk thema waar redelijke, soms goede produkties uit komen. Op de Vara, zeventig immers, komen we terug. En nu moet De Plantage maar een keer gewijd aan het VPRO-dramabeleid. Want ook daarover vallen kilo’s noten te kraken.