De vier stadia van lear

Een oude koning in wit kostuum (gespeeld door de acteur Jaap Hoogstra, die de leeftijd van Koning Lear heeft: tachtig jaar) kijkt terug op zijn tragisch leven. Uit het bos lopen tien acteurs en actrices in een langzame processie naar voren. Enkelen van hen zijn zwart gesluierd. Zwijgend strooien ze zwart grind op een graf. De oude koning kijkt naar zijn eigen begrafenis. Een van de acteurs spreekt de slotregels van Shakespeares King Lear, in de vertaling-bewerking van Frances Sanders en Martine Vosmaer: ‘De last van deze kwade tijd moeten wij dragen/ spreek uit het hart, spreek niet om te behagen/ de oudsten werden door het zwaarste lot geslagen/ nooit zullen wij die jong zijn in de jaren die ons zijn gegeven/ zo'n duisternis zien, zo'n tragedie beleven.’

De ambitie van de tiende produktie in het Openluchttheater van het Amsterdamse Bos, Lear, vrij naar Shakespeare, lijkt een raamvertelling in de vorm van een flashback. Personages kijken terug en vragen: hoe heeft het zo ver kunnen komen? Vier acteurs spelen - naast Jaap Hoogstra - de vier stadia van Lear. Eerst de potentaat die zijn rijk verdeelt en die zijn nuchtere dochter Cordelia verbant omdat ze niet zo hielenlikkerig wil zijn als haar twee zussen, Goneril en Regan. Dan het verwende joch dat wordt bedrogen door de hielenlikkerige dochters. Daarna de tot waanzin vervallen, seniele, eenzame dwaas. En tot slot de wijze man die in een flits beseft hoe de wereld in elkaar zit en vervolgens sterft. Vrijwel iedereen sterft met hem.
Regisseur Frances Sanders heeft met dit idee een op papier spannende basis voor een Lear-voorstelling in handen. En ongeveer tot het moment dat de waanzin definitief bezit neemt van Lear, lijkt het haar behoorlijk te lukken om dat idee theatraal vleugels te geven. Tekst en handeling komen bij het publiek aan: de machtsgeilheid van de dochters, de bittere grappen van de nar, het komplot van de bastaardzoon van Lears loyale vazal Gloucester, de mentale blindheid van de oude koning. Het mooiste moment van de voorstelling is tekstloos. Lear 1 (Erik de Vogel) draagt zijn koningsmantel over aan Lear 2 (Cees Geel). Helemaal achterin het bos gloeit feeeriek theaterlicht op (ontwerp: Reier Pos). De oude koning (Jaap Hoogstra) wankelt daar van links naar rechts. Fraaie muziek (compositie: Fons Merkies) begeleidt dit tableau.
Het fraaie van deze scene is dat hier met eenvoudige middelen trefzeker wordt getoond wat de voorstelling met ons wil: de grote vertelling van overmoed, haat, lust en dwaasheid scharniert op de (meestal verkeerde) keuzen van individuen. Die zijn inwisselbaar. En toch ook weer niet: slaat Erik de Vogels eerste Lear een onwrikbaar harde toon aan, de tweede Lear van Cees Geel is zachter, aanraakbaarder, bijna romantisch (Geels volkse dictie werkt daarin komisch, in ieder geval relativerend).
In de tweede helft van de voorstelling gaat het mis, de machinerie van het stuk loopt niet meer. Ik begrijp dat sommigen dat wijten aan het gewilde leuk-doen in de bijrollen. Dat is ook mijn steevaste bezwaar tegen een aantal ensceneringen van Frances Sanders in ‘het Bos’. Deze keer vond ik die humor, bijvoorbeeld bij Oswald, de bediende van Goneril, juist heel effectief, bijna bevrijdend.
Een aantal acteurs speelt hun partij ook met het besef dat ze de afloop al kennen en vooral nieuwsgierig zijn naar het verloop - per slot de ambitie van de voorstelling: hoe heeft het zo ver kunnen komen? Het probleem van de tweede helft lijkt eerder te liggen in het simpele feit dat regie en acteurs de greep op dit hondsmoeilijke stuk kwijt zijn. Dat begint bij de beroemde waanzinscene in de storm. Die is veel te pompeus geensceneerd - stilte zou hier meer gepast zijn. Het concept van de raamvertelling/flashback is in de tweede helft zoek: de schim van de oude koning (Hoogstra dus) keert niet meer terug. De spelers verdwalen in de complexe intriges van Shakespeares stuk-der-stukken. Het slot wordt (haast pijnlijk) afgeraffeld.
De voorstelling heeft veel aanloopproblemen gekend. Door een blessure moest de jonge, net afgestudeerde Kees Boot in twee weken de rol van de komplotterende bastaardzoon Edmund overnemen, wat hij overigens met verve doet. Het decor was door het slechte weer in mei en juni te laat klaar. Misschien is deze Lear door omstandigheden wel 'op de groei’ gemaakt. En mensen die op deze plek en onder deze omstandigheden een zo zware onderneming aandurven, verdienen ieder voordeel van de twijfel. Groeien zal-ie, daar ben ik van overtuigd.