Bij de oprichting van de Akademie van Kunsten

De Vierde Klasse

Na 163 jaar keren de ‘schoone kunsten’ terug bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschap. Helaas? Of nuttig?

Medium hh 05176762

Het idee voor een Akademie van Kunsten kwam van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschap (knaw) zelf. Deze bestuurder van zeventien onderzoeksinstituten, gevormd door topwetenschappers, kon wel een vrijdenkende sparringpartner gebruiken en een aantal kunstenaars had aangegeven een dergelijk platform te missen. Negentien schrijvers, acteurs, beeldend kunstenaars, architecten, musici, modeontwerpers en regisseurs zijn gevraagd om, officieel vanaf 23 april, een structurele wisselwerking tussen wetenschap en kunst te verwezenlijken.

In het Trippenhuis te Amsterdam, sinds 1812 het huis van de wetenschap, zal de Akademie van Kunsten als ‘de stem en het geweten’ van de kunsten functioneren, kennis uitwisselen met de leden van de knaw en een brug bouwen naar de samenleving. In ieder geval voor een periode van drieënhalf jaar, met een ondersteuning van het Mondriaan Fonds van zeven ton. De verbinding tussen kunst en wetenschap is namelijk verwaterd, stelt minister Jet Bussemaker in het beleidsrapport Cultuur beweegt uit 2013. Maar eigenlijk is die relatie er in Nederland nooit echt geweest.

Terwijl overal in Europa naar het Verlichtingsideaal academies werden gesticht, de Accademia dei Lincei (1603) en de Académie Française (1635) voorop, floreerden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gewestelijke en stedelijke genootschappen, ondersteund door particulier geld. Er waren de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1766), het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen (1768), Teylers Tweede Genootschap voor de geschiedenis, dichtkunde, natuurkunde, teken- en schilderkunst en penningkunde (1778) en het Kunst en Wetenschap Minnend Gezelschap ‘Aan Wetenschap gewijd, volmaakter door den tijd’ in Delft. Om wetenschappelijk onderzoek te stimuleren en debat over maatschappelijke zaken uit te lokken schreven deze genootschappen prijsvragen uit. De erepenning voor winnende inzendingen van Teylers Tweede Genootschap, die nog altijd wordt uitgereikt, draagt een uitspraak van Cicero: Omnes artes quae ad humanitatem pertinent/ habent quoddam commune vinculum: ‘Alle wetenschappen die op de menselijke beschaving betrekking hebben, hebben een zekere band gemeen.’

Die beschaving zet Lodewijk Napoleon er in 1808 toe aan om in Amsterdam het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten op te richten, een genootschap waar wetenschappers uit vier verschillende Klassen samenkomen: de Wis- en Natuurkunde, de Hollandse Letterkunde en Geschiedenis, de oude Oosterse Letterkunde en de Vierde Klasse van de Schoone kunsten, die naast beeldende kunst ook dichtkunst en muziek behelst. Het doel van het instituut wordt geformuleerd als ‘het volmaken der Wetenschappen en Kunsten, om derzelver vorderingen in het Rijk bij Buitenlanders bekend te doen worden, en uitvindingen of vorderingen elders gemaakt hier te lande in te voeren’.

Willem Bilderdijk is een van de eerste leden van het instituut. Hij maakt furore met verhandelingen over ‘De machiene in het Heldendicht’ en ‘Het gebruik der Hollandsche Adjectiva met en zonder e’, verdiept zich in de drukkunst, hanteert de graveerpen en mengt zich in de Vierde Klasse met Bouw- en Doorzigtkunde. ‘Hij toch was als eene geheele Instelling voor Wetenschap, Letteren en Kunst, eene zeer zeldzame schatkamer van allerlei begaafd- en bekwaamheden’, verhaalt het levensbericht van het instituut bij zijn overlijden in 1831. In 1812 betrekt het instituut het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal. Twee jaar later vestigt ook het Rijksmuseum zich hier.

Kunst is geen vorm van wetenschap en kunst heeft geen invloed op het maatschappelijk debat

De regering-Thorbecke ziet zich vier decennia later genoodzaakt te bezuinigen: eerst wordt de begroting teruggebracht van elf- naar vijfduizend gulden, tot woede van de wetenschappers die de aanvullende subsidie uit de zak van koning Willem III weten te kloppen, en in 1851 heft Thorbecke het instituut op. Alleen de Eerste Klasse van exacte wetenschappen mag blijven, als onderdeel van de nieuw opgerichte Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Letterkunde en kunsten zijn volgens Thorbecke geen overheidstaak, bovendien hadden deze Klassen hem nooit nuttige adviezen geleverd. Later wordt de Tweede Klasse toch weer teruggehaald ‘ter bevordering der taal-, letter-, en geschiedkundige en wijsgerige wetenschappen’, maar de kunsten stonden definitief op straat. Ook het Rijksmuseum verlaat het Trippenhuis en in 1885 wordt De nachtwacht als laatste kunstwerk uit het pand gehaald.

Waar Thorbecke’s negentiende-eeuwse bezuiniging de kunsten van de wetenschap scheidde, installeert de zich terugtrekkende overheid haar vandaag weer in het Trippenhuis. Terug bij de wetenschap als baken van maatschappelijke relevantie, speerpunt van het overheidsbeleid. Minister Bussemaker in Cultuur beweegt: ‘Het bestaansrecht van kunstenaars en culturele instellingen ligt niet zozeer in de sector zelf, maar in de verbinding met de samenleving.’ En al stelt de Akademie zelf dat praktisch nut geen noodzaak is en alleen oorspronkelijkheid telt, een positie binnen de knaw kan dat bestaansrecht van de kunsten wel degelijk expliciteren.

Het ‘nuttigheidsdenken’ over kunst leidt al eeuwen tot verontwaardiging. De kwetsbare ‘schoone’ kunst wordt lijnrecht tegenover de praktisch ingestelde wetenschap geplaatst, er wordt gespeculeerd over wederzijdse uitbuiting. De Utrechtse hoogleraar Gerrit Moll schrijft in 1828 over de maatschappelijke aard van de prijsvragen, waar vooral buitenlanders zich op storten: ‘Die zoogenoemde nuttige strekking die men aan de vragen, door de Maatschappij uitteschrijven, tracht te geven, maakt dezelve dikwijls geheel onbeduidend, en somtijds belagchelijk. Het wetenschappelijke der zake raakt op deze wijze geheel aan de eene zijde, en wel verre van voor de kunsten en fabryken nuttig te zijn, worden de wetenschappen vernederd tot enkele middelen waardoor eenige Duitsche schrijvers zich eenige Hollandsche Dukaten weten te verschaffen.’

Ook de (her)oprichting van de Akademie van Kunsten in 2014 kon rekenen op sceptische reacties. ‘Akademie van Kunsten: helaas’, kopte NRC Handelsblad, want: prestigieus, te oud, te blank en te mannelijk. Schrijver en dichter Robert Anker stelde in dezelfde krant prompt dat kunst geen nut heeft. Kunst is geen vorm van wetenschap en kunst heeft geen invloed op het maatschappelijk debat. Kunst kan ons niets leren. Wat is het wel? Volgens Anker een in zichzelf besloten organisme, waar je binnen kunt gaan en ook weer uit kunt lopen. Geef kunstenaars dus gewoon hun vierhonderd miljoen weer terug, in plaats van een Akademie.

Het beeld dat Anker schetst lijkt niet helemaal te rijmen met de ontwikkelingen in de kunsten zelf. Artistic research bijvoorbeeld is een internationaal groeiende praktijk waarin kunstenaars uit alle disciplines zich expliciet positioneren als onderzoekers. De Hogeschool der Kunsten in Den Haag werkt onder de noemer Academie der Kunsten samen met de Universiteit Leiden om promotie op kunstonderzoek te faciliteren. In hun onderzoekende kunstwerken, vaak in de vorm van installaties, films en fotografie, vallen inhoudelijke materie en medium samen. Onderwerpen lopen uiteen van de uitvoeringspraktijk van Franse tragische opera’s tussen 1673 en 1779 (fluitist Jed Wentz) tot een studie naar de integratie van performancekunst in de oecumenische kerkdienst (beeldend kunstenaar Stefan Belderbos).

Of Paul Verhoeven, Viktor Rolf en Johan Simons werkelijk de tijd vinden om te vergaderen, valt te bezien

In het buitenland lijken de kunsten bovendien wel degelijk nut in het maatschappelijk debat te hebben. In België maken Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Fabre en Panamarenko deel uit van de Klasse Kunsten van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (1772). Ludo Gelders, president van de kvab, benadrukte in een recente toespraak dat de Klasse der Kunsten een volwaardige pijler van de Academie blijft, ook in een klimaat dat maatschappelijke verantwoording en rap rendement eist, een positie waar ‘sommige buitenlandse academies ons zelfs om benijden’. In 2015 bestiert de Klasse der Kunsten het Denkersprogramma van de Vlaamse Academie, waarin bijdragen aan een actueel maatschappelijk vraagstuk worden geformuleerd.

Ook in de Verenigde Staten maken kunstenaars volwaardig deel uit van The American Academy of Arts and Sciences (1780), de onafhankelijke academie die onderzoek financiert en adviezen uitbrengt. Onlangs traden Kara Walker en William Kentridge toe, kunstenaars die in hun werk appelleren aan de positie van de zwarte bevolking. Met andere recente leden als Paul McCartney, Jeffrey Eugenides, Paul Theroux, Robert De Niro en Bruce Springsteen omvat de Arts-sectie van de Academy de kaskrakers van de Amerikaanse cultuur.

In Nederland is er eveneens voor gekozen om het maatschappelijk zichtbaar maken van cultuur te starten met een line-up van zichtbare namen. De eerste lichting, met onder anderen Anton Corbijn, Erwin Olaf, Aernout Mik, Arnon Grunberg, Janine Jansen en Barbara Visser is tot ver (en soms vooral) over de grens bekend. Sommigen van hen hebben een expliciet geëngageerd karakter getoond in hun werk, van sommigen is dat de vraag.

Een andere vraag is of de kunst nu wel echt ‘terug’ in het huis van de wetenschap is. De knaw ontleent haar gezag aan de wetenschappelijke bijdragen van haar leden en vooral aan de commissies van leden die adviezen over het wetenschapsbeleid formuleren. De Akademie van Kunsten gaat uitdrukkelijk geen adviezen uitvoeren. ‘Hoewel de Akademie van Kunsten deel uitmaakt van de knaw, heeft zij de vrijheid om die functie zelf vorm te geven. Mogelijke thema’s voor de forumbijeenkomsten zijn: interdisciplinariteit in kunst en wetenschap, de relatie tussen culturele, sociale en wetenschappelijke ontwikkelingen, en de kunst van het experiment. Daarnaast kan de voorzitter van de Akademie van Kunsten in de jaarrede aandacht vragen voor “de stand van de kunsten” en vanuit de kunsten reflecteren op actuele ontwikkelingen in wetenschap en maatschappij.’

Of Paul Verhoeven, Viktor Rolf en Johan Simons werkelijk de tijd gaan vinden om te vergaderen over de stand van zaken in een land waar sommigen amper komen, of deze club in staat is inhoud aan sociale en wetenschappelijke vraagstukken te geven en of ze geen genoegen gaat nemen met de vrijblijvendheid die de knaw de kunsten lijkt te bieden, valt te bezien. De Akademie van Kunsten is vooralsnog een langlopende prijsvraag, waar alleen bij valt te winnen.


Beeld: Maquette van het Trippenhuis (Arenda Oomen/HH).