Homeland en de kracht van fictie in onzekere tijden

De vijand in ons midden

In Homeland komen het cynisme van politiek leiders en het wantrouwen van gewone burgers akelig actueel over. Paranoia als cultureel ziektebeeld is weer helemaal terug.

EEN CONNECTIE tussen het publieke en het privé-leven, tussen mens en maatschappij, staat centraal in een definitie van paranoia geformuleerd door de historicus Richard Hofstadter in zijn baanbrekende essay uit 1963 getiteld The Paranoid Style in American Politics: ‘Door de geschiedenis lijden we allemaal, maar de paranoïcus lijdt dubbel zo veel aangezien hij niet alleen met de echte wereld kampt, maar ook nog met zijn eigen verbeelding.’

Niemand heeft meer last van zijn eigen verbeelding dan CIA-agent Carrie Mathison (Claire Danes) in de schitterende nieuwe Amerikaanse dramaserie Homeland. Nadat ze geheime informatie heeft ontvangen raakt ze ervan overtuigd dat een pas uit Irak teruggekeerde krijgsgevangene, de Amerikaanse marinier Nicholas Brody (Damian Lewis), in werkelijkheid een agent van al-Qaeda is, teruggestuurd naar zijn thuisland om een aanslag te plegen.

Deze verhaallijn is een kopie van die in Richard Condons roman The Manchurian Candidate uit 1959, twee keer uitstekend verfilmd: begin jaren zestig door John Frankenheimer en in 2004 door Jonathan Demme. In Condons verhaal wordt een peloton mariniers tijdens de Koreaanse oorlog gehersenspoeld zodat een van hen later als spion een politieke sluipmoord op Amerikaanse bodem kan plegen. Niemand gelooft kapitein Bennett Marco, in de films gespeeld door respectievelijk Frank Sinatra en Denzel Washington, als hij zegt dat sergeant Raymond Shaw (Laurence Harvey en Liev Schreiber) in werkelijkheid een vijandelijke agent is. Een kwestie van waanbeelden, luidt de diagnose, van te veel verbeelding.

De mythe van kennis over ‘de vijand in ons midden’ wordt in Homeland voortgezet. Iedereen verklaart Carrie voor gek wanneer zij probeert te bewijzen dat oorlogsheld Brody in werkelijkheid een terrorist is. Of dat ook echt zo is blijft in het midden. Wat niet helpt is dat Carrie aan een bipolaire stoornis lijdt. Haar ziekte symboliseert het bredere thema in zowel Condons boek als in de nieuwe serie, namelijk de aard van de waarheid in een tijd waarin iedereen zo zijn best doet een bepaald soort waarheid te fabriceren. Want als iedereen dat doet - als het maken van je eigen, persoonlijke waarheid of een waarheid bedoeld voor consumptie in de politieke arena de status quo is geworden - wat zegt dat dan over de authenticiteit van het publieke en persoonlijke leven van mensen? Het zijn universele, actuele vragen die, zo lijkt het wel, bij uitstek worden gesteld in modern Amerikaans televisiedrama, waarbij men er op miraculeuze wijze in slaagt artisticiteit met commerciële overwegingen te laten fuseren.

Homeland, in Amerika uitgezonden door de filmzender Showtime, wordt geproduceerd door Howard Gordon en Alex Gansa, de makers van 24. De invloed van deze razend populaire serie - over de eigenzinnige FBI-agent Jack Bauer (Kiefer Sutherland) die telkens een beperkte hoeveelheid tijd krijgt om een terreuraanslag te voorkomen - op episodisch televisiedrama reikt steeds verder. De stijl van dramatische ontwikkelingen in real time, vaak ‘s nachts met een doel voor ogen, is bijvoorbeeld een drijvende kracht in de bejubelde, maar toch wel erg brave Deense misdaadserie The Killing. Die stijl komt veel beter tot zijn recht in Homeland, waarin allerlei mysterieuze ontwikkelingen onder de oppervlakte van ogenschijnlijk alledaagse gebeurtenissen bepalend zijn.

Het banale is slechts een rookscherm in Homeland. Werkelijk iedereen heeft een geheim. En wie de waarheid boven water wil halen moet tot spionage bereid zijn. Juist deze spanning, vooral gecreëerd door de techniek van surveillance, staat centraal in de serie. De paranoïde visuele stijl van ruwe, snel in het geheim gemaakte beelden overheerst. Dat past thematisch, want de serie laat zien dat het onzichtbare in de moderne tijd niet meer houdbaar is.

Al in de eerste twee afleveringen tekenen zich de contouren van de gecompliceerde visuele esthetiek van het afluisteren en het bespieden af. Deze scènes lijken gegrepen uit de jaren zeventig, uit een cinema ontsproten aan Watergate: die van Alan Pakula (All the President’s Men) of van Francis Ford Coppola (The Conversation). Met haar team installeert Carrie net als de helden én de schurken in die films allerlei camera’s en microfoons in huize-Brody, waarna ze als een verslaafde aan een reality show op de bank in haar woonkamer gaat zitten, starend naar de drie schermen waarop het leven van het gezin van de vermeende verrader zich afspeelt. En wij kijken mee. We zien in zwart-wit hoeveel moeite Brody heeft met het zich aanpassen aan het gezinsleven, hoe hij impotent blijkt, hoe zijn vrouw gruwt van de littekens van de marteling die hij tijdens zijn gevangenschap heeft opgedaan, hoe de angst van zijn twee kinderen langzaam naar de oppervlakte drijft. Heel soms voelt Carrie schaamte als ze naar het leven van de Brody’s kijkt. Maar niet vaak. Vooral hunkert ze. Haar eigen persoonlijke leven is immers leeg. Wat ze ziet vult op, vult aan. Ze is binnen no time verslaafd, gefascineerd. En ze blijft kijken.

DE PARANOÏDE stijl past even goed bij links als bij rechts. Carrie is een vrijgevochten heldin; ze hekelt haar mannelijke chefs in de CIA met hun verborgen politieke agenda’s en onzekere seksualiteit. De ironie is dat haar wantrouwen en wanhoop volmaakte reflecties zijn van die van haar tegenstander, de 'verrader-terrorist’ Brody die - áls hij dat al is - zowel een held voor rechts en de Amerikaanse libertarische beweging zou kunnen zijn als voor linkse tegenstanders van de Amerikaanse militaire aanwezigheid in het Midden-Oosten. Voor de goede orde: de vraag wie of wat Brody nu werkelijk is wordt ongeveer halverwege het eerste seizoen beantwoord, maar zelfs dan blijft de betekenis van zijn personage ambigu. Dat is een meesterzet; zo verschuift de focus van Brody naar Carrie en andersom en lijkt er weinig verschil in hun motivering. Ze zijn tot elkaar veroordeeld.

Carrie en Brody vertegenwoordigen het hele spectrum aan paranoïde waanbeelden in het politieke leven. In zijn essay traceert historicus Hofstadter deze terug naar 1855, naar het commentaar van een Texaanse krant die schrijft over de wijze waarop de Amerikaanse regering ‘besmet is met het gif van het katholicisme’ dat uit is op de vernietiging van ‘onze politieke, civiele en religieuze instituties’; naar 1895 en het manifest van de Populist Party waarin wordt gerept over ‘de gevaren van de bedriegers van de internationale goudhandel’ die het gemunt hebben op Amerika; en ten slotte naar 1951 en senator McCarthy die ‘hooggeplaatste mannen’ in de regering ervan beschuldigde dat ze betrokken waren bij een ‘infame samenzwering zo zwart dat ze, eenmaal ontmaskerd, eeuwig zal worden vervloekt door alle eerlijke mensen’. Hofstadter: ‘De paranoïcus beschouwt het complot in apocalyptische termen. Het gaat hem om de geboorte en de dood van hele werelden, hele politieke orden, hele waardesystemen. Constant bemant hij de barricades van de beschaving (…) Als een lid van de avant-garde dat ertoe in staat is de samenzwering te zien voordat het publiek zich ervan bewust is, is de paranoïcus een militaire leider die sociaal conflict niet door bemiddeling kan oplossen.’

Hofstadter lijkt wel een scenarist van Homeland. Carrie én Brody passen perfect in zijn paradigma van paranoia. En wij ook, waardoor het verleidelijke aan de paranoiathriller duidelijk wordt. Niet alleen zijn beide hoofdpersonages in de serie intellectuelen, ook reiken ze ogenschijnlijk werkbare oplossingen aan voor problemen die eigenlijk catastrofaal zijn. Brody: als terrorist (of niet?) wil hij het ‘fascistische’ Amerikaanse bewind, verantwoordelijk voor oorlogsmisdaden in Irak en Afghanistan, op zijn knieën dwingen. Carrie: als archetype, als heldin, is zij net als Jack Bauer bereid allerlei burgerrechten van verdachten te schenden om ervoor te zorgen dat een aanslag zoals die op de Twin Towers niet weer plaatsvindt. Als ideologische ‘avant-gardisten’ kennen slechts zij de waarheid en ze willen problemen oplossen door buiten het establishment om te handelen. Een meer reactionaire verhaallijn is nauwelijks denkbaar. Het lijkt wel of alle geloof in publieke instituties, van de regering tot veiligheidsorganen, is verdwenen. Wat rest is het eigen geloof, het eigen verhaal - echt of verzonnen, of allebei.

Zo illustreert Homeland dat paranoia als cultureel ziektebeeld weer helemaal terug is. Ze neemt zoals in de jaren zeventig, de tijd van de Kennedy-sluipmoorden, Watergate en Vietnam, de vorm aan van wantrouwen in publieke instituties, maar is nu vooral ook gekoppeld aan een sfeer van wanhoop in het privé-leven van personages zoals Carrie en Brody. Deze figuren zijn getekend door de tijdgeest, door de huidige tijd van constante oorlog waarin angst het leven aan het thuisfront domineert. Ja, de helden keren terug, maar ze zijn onherroepelijk veranderd door blootstelling aan de gezichtsloze vijand. De blaam dragen zowel het Witte Huis, dat jongens en meisjes naar verre landen stuurt om in niet bijster legitieme oorlogen te vechten, als islamitische terreurorganisaties die de levensstijl van de Amerikanen bedreigen.

Iedereen is getraumatiseerd, iedereen lijdt vanwege de consequenties van historische ontwikkelingen. Maar de paranoïcus lijdt des te meer, stelt Hofstadter, omdat hij extra last heeft van zijn verbeelding. Dat klopt. Het kijken naar Homeland creëert op zich een angstwekkende illustratie van de kracht van fictie in onzekere tijden. Iedere aflevering bevat slim opgebouwde en nerveus gefotografeerde en gemonteerde scènes waarin kinderen alle vertrouwen in hun ouders verliezen, waarin aanslagen worden voorbereid en gepleegd en helden en heldinnen weerloos zijn tegen gezichtsloze machthebbers. En waarin het cynisme van politieke leiders akelig actueel overkomt, bijvoorbeeld de naar geld en macht snakkende Amerikaanse vice-president die tegen een CIA-agent zegt dat hij zich niet als welzijnswerker moet gedragen, aangezien het simpelweg niet uitmaakt wat nu precies de motivering van een terroriste is.

En steeds weer blijven personages elkaar bespieden en dingen tegen elkaar zeggen als: ‘Voor de laatste keer: ik ben niet wie je denkt dat ik ben.’ Wanhoop verspreidt zich als een brandend vuurtje. Waar moet het heen? Wie is wie en waarom doen ze de dingen die ze doen? Er zijn geen antwoorden, zelfs niet na het zien van het briljante, eerste seizoen van Homeland.

Homeland is iedere zondag om 20.25 uur te zien bij BNN op Nederland 3