De vijf beste ideeën van Immanuel Kant volgens Thomas Nys

Dit jaar gaat de Spinozalens voor een dode denker naar Immanuel Kant (1724-1804). Filosoof en Kant-liefhebber Thomas Nys spreekt deze week in De Rode Hoed over de Verlichtingsdenker uit Koningsbergen. Voor De Groene koos hij de vijf beste ideeën van Kant.

Zoals zovelen was Nys, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, niet meteen verknocht aan Kant: ‘Als student vond ik hem niet de meest inspirerende filosoof. Ik vond het nogal droge en taaie kost. Maar hoe meer ik me in de praktische filosofie verdiepte, hoe meer bleek dat Kant een figuur was waar ik niet omheen kon. Later promoveerde ik op het begrip autonomie en heb ik er veel werk in gestopt om hem goed te begrijpen. Toen zag ik pas hoe innovatief en briljant zijn filosofie eigenlijk is. Ik waardeer zijn stijl inmiddels ook, hij streeft een soort helderheid na. Maar daar is niet iedereen het mee eens; velen vinden het een slaapverwekkend soort academisch proza.’

Volgens Nys is de verdienste van Kant dat hij de filosofie op z’n kop heeft gezet: ‘Hij heeft de betekenis van veel begrippen omgedraaid, op zo’n manier dat ze de waarheid adequater vatten dan het oorspronkelijke begrip. Het is moeilijk om van een fascinatie voor Kant af te komen. Ik ken weinig kantianen die van hun geloof zijn gevallen. Het wordt meestal alleen maar heviger! Ik hoop dat ik mezelf daar enigszins voor kan behoeden. Misschien moet ik weer wat Hegel of Heidegger lezen.’

Niet iedereen kan zich vinden in de rationele filosofie van Kant, maar volgens Nys geeft dat ook zijn belang aan: ‘Het zegt nogal wat als tegenstanders, die Kant waardeloos vinden, desalniettemin een antwoord op hem moeten hebben. Veel filosofen, zoals Foucault bijvoorbeeld, konden hun eigen project pas uittekenen als ze Kant overwonnen hadden.’

De manier waarop Kant leefde is nog vaak een mikpunt van spot. Hij verliet Koningsbergen haast nooit, had een uiterst stipte dagindeling en hij staat in het beruchte lijstje van mensen die als maagd zouden zijn gestorven: ‘Kant had inderdaad geen avontuurlijk leven, het was zoals Engelsen zeggen uneventful. Maar het was geen saaie man. Hij had veel humor, zijn colleges werden goed bezocht. Hij hield van biljarten en kaartspelen en nodigde graag vrienden uit om te komen eten. Maar zijn opvattingen over vrouwen waren niet bijzonder verfijnd. Hij had weliswaar respect voor vrouwen en gedroeg zich hoffelijk, maar hij vond dat ze voor de filosofie niet geschikt waren. Ze zouden hun boeken dragen als juwelen, om mee te pronken. Kant behoort dus tot de helaas vele filosofen die zich minachtend over vrouwen hebben uitgelaten.’

Categorische Imperatief (uit Grundlegung zur Metaphysik der Sitten, 1785)

Medium kantgroundworktitle

‘De Categorische Imperatief is de hoeksteen van Kants ethiek, velen zullen er wel eens van gehoord hebben. De imperatief eist dat de manier waarop ik mijn eigen handelen legitimeer, voor iedereen moet kunnen gelden. Stel dat ik je vraag om mij geld te lenen en dat ik je beloof om dat geld zo snel mogelijk terug te betalen. Maar stel dat ik ook weet dat ik dat niet zal doen. Ik lieg dus tegen je, omdat ik zo dat geld kan krijgen. Maar als iedereen een valse belofte zou mogen doen om geld te verkrijgen, dan zou niemand mij nog geloven. En daarmee bedoelt Kant niet: “Wat zou dat een treurige wereld zijn”, hij benadrukt dat het een tegenspraak zou opleveren. Je komt met jezelf in de knoop. Je ziet in dat jouw leugen alleen succes kan hebben als je een uitzondering voor jezelf maakt – wanneer je parasiteert op het morele gedrag van anderen. Dat idee, dat immoreel handelen onredelijk of irrationeel is, maakt het kantiaanse project erg aantrekkelijk. Mensen hoeven niet van anderen aan te nemen dat zij immoreel handelen: dat kunnen ze zelf inzien.

Volgens Kant volgt uit de Categorische Imperatief ook dat je een ander nooit louter als middel mag behandelen. Bij het doen van een valse belofte om geld terug te betalen, maak je het voor de ander onmogelijk om een geïnformeerde afweging te maken. Je doet het op slinkse wijze, en behandelt iemand louter als middel om je doel te bereiken.

Veel mensen denken dat de Categorische Imperatief eigenlijk neerkomt op de gulden regel: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet.” De Amerikaanse filosoof Michael Sandel geeft een voorbeeld dat het verschil duidelijk onderstreept. Moet ik mijn doodzieke oma nou de harde waarheid vertellen? De gulden regel zou stellen dat het antwoord op die vraag afhangt van de voorkeuren van de vraagsteller: iemand die zelf liever in een illusie zou willen leven, zou mogen liegen tegen zijn oma. Maar Kant zou zeggen: nee, je mag nooit liegen. Zijn morele wet is niet afhankelijk van wat iemand toevallig zelf zou willen, daar komt hij juist los van.’

Vrijheid als autonomie (uit Kritik der praktischen Vernunft, 1788)

Medium kant praktische vernunft

‘Kants opvatting over vrijheid is typisch zo’n geval dat op het eerste gezicht paradoxaal lijkt, maar bij nadere inspectie heel overtuigend is. Zo vindt Kant dat onze vrijheid mogelijk is omdat we gebonden zijn aan de morele wet, de Categorische Imperatief. Studenten vinden dat raar: wat heeft vrijheid nou te maken met een wet? Wetten beperken onze vrijheid eerder: we willen het liefst 150 rijden op de snelweg, en dat mag dan weer niet. De gangbare opvatting is: als je vrij bent, kun je doen wat je wil doen. Maar dat vindt Kant eerder slaafs en precies een uiting van onvrijheid. Je neemt je verlangens dan voor lief: zij dicteren de weg en jij volgt ze klakkeloos. Echte vrijheid betekent dat je loskomt van je verlangens door op ze te reflecteren, ze te evalueren en indien nodig tegen ze in te gaan. Kant noemt dat autonomie, omdat we zelf kunnen inzien dat we sommige verlangens wel en andere niet mogen nastreven. Dat onthult een dieper soort vrijheid.’

Copernicaanse revolutie (uit Kritik der reinen Vernunft, 1781)

Medium kant kritik der reinen venunft 1781

‘Dit is de innovatie van Kant in de kenleer, of epistemologie. Toen ik in Leuven werkte, legde de universiteitskrant wekelijks aan een hoogleraar een standaardlijst met vragen voor. De eerste was: wat is de grootste ontwikkeling in uw vakgebied? En elke keer als er een filosoof langskwam, dan antwoordde hij of zij “de Copernicaanse revolutie van Kant”. Of diegene nou uit de logica kwam, of uit de metafysica, de geschiedenis van de wijsbegeerte, de kenleer of de praktische filosofie; het antwoord was altijd hetzelfde. Het was zo revolutionair, het heeft het vervolg van de filosofie bepaald.

In Kritik der reinen Vernunft stelt Kant de vraag: “Hoe is kennis mogelijk?” Vóór hem werd die vraag zo opgevat: “Hoe kunnen wij ons verstand afstemmen op de werkelijkheid?” Voor rationalisten, die dachten dat kennis uit de rede kwam, was dat een enorm probleem: ik kan wel dingen zeker weten in mijn geest, maar hoe weet ik dat de werkelijkheid daarbuiten daar ook mee correspondeert? Daar had Descartes nog God voor nodig. Empiristen dachten juist dat kennis van buiten kwam, door de ervaringen. Maar dan is het probleem dat we nooit algemeen geldige uitspraken zouden kunnen doen. Het beroemde biljartballenvoorbeeld van Hume illustreert dit: ik zie biljartbal A naar biljartbal B rollen, en daarna rolt bal B weg. Maar ik kan niet concluderen dat de botsing van A het rollen van B veroorzaakt. Veroorzaking zit niet in de ervaring.

Kant beantwoordt de vraag “hoe is kennis mogelijk” door het hele idee om te draaien. Net als Copernicus, die stelde dat niet de zon om de aarde maar de aarde om de zon draait. Zo zei Kant: we richten ons verstand niet naar de werkelijkheid, de werkelijkheid richt zich naar ons verstand. Daarmee bedoelt hij dat wij een bepaalde structuur opleggen aan de werkelijkheid, die er dus niet als zodanig, in zichzelf in zit. Die structuur maakt deel uit van ons kenapparaat. Wij kunnen de werkelijkheid niet anders zien dan gestructureerd door oorzaak en gevolg. Of gestructureerd in ruimte en tijd. Ruimte en tijd zitten niet daarbuiten, maar hierbinnen, en alle dingen die wij waarnemen hebben die structuur. Dat stelt ons in staat om algemeen geldige uitspraken te doen, tussen ons mensen, want we hebben allemaal de rede en ervaren daardoor op dezelfde manier. Hiermee doorbrak Kant de patstelling waarin het denken over kennis was geraakt.’

Verlichting (essay Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?, 1784)

Medium kant aufklaerung 1784 0017 800px

‘Kant heeft deze term natuurlijk niet bedacht, maar hij behoort tot de belangrijkste vertegenwoodigers van de Verlichting en heeft er een prachtig essay over geschreven: Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? Elk jaar moeten de studenten hier een schrijfopdracht over maken, en als dat geschrift dan weer langskomt, dan móet ik het opnieuw lezen. Alleen al door die enigmatische openingszin: “Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit.” Daar snapte ik vroeger helemaal niets van: “zelfverschuldigde onmondigheid”?!

Hij bedoelt ermee dat we onze onmondigheid zelf moeten overwinnen. Zijn beroemde uitspraak “Sapere aude!”, durf te denken, komt uit dit essay. Anderen vertellen je misschien hoe het zit, met hun zogenaamde onbetwijfelbaarheden, maar daar moet je van loskomen. Dat is onze eigen verantwoordelijkheid, we kunnen anderen daar niet verantwoordelijk voor houden. Het is bijna een aanklacht: hij schrijft dat luiheid en lafheid ons niet mogen weerhouden. Dat vind ik hier zo mooi aan: die droge filosoof uit Koningsbergen bleek toch te porren voor een soort pamflet.

Verderop in het essay merk je dat hij in tweestrijd komt. Hij heeft net zijn aanklacht uiteengezet, wees vrij en durf je te emanciperen, durf je eigen ideeën te verkondigen! Maar niet zonder meer! Hij was bang dat mensen het zouden opvatten als een oproep om ongehoorzaam te zijn. Dus maakt hij een onderscheid tussen de privé-ruimte en de publieke ruimte. In het privé-bereik ga je allerlei verplichtingen aan: als je een baan aanneemt, neem je allerlei verplichtingen op je en die kun je niet zomaar overboord gooien. Maar in de publieke ruimte kun je argumenteren, het woord nemen, misstanden aan de kaak stellen. Je moet een publiek proberen te overtuigen, en om dat te doen moet je particuliere belangen achter je laten. Je moet zeggen dat het sowieso een slecht idee is om iets te doen, niet omdat jij het zo vervelend vindt. Dat heeft te maken met de Categorische Imperatief. Als je vindt dat er iets mis is, dan moet er ook iets mis mee zijn voor allen.’

Eeuwige vrede (essay Zum ewigen Frieden, 1795)

Medium 1363030

‘Dit is een laat geschrift van hem. Kant zet in dit essay een aantal voorwaarden uiteen om tot een stabiele wereldvrede te komen. Deze zijn nog steeds actueel. Zo laat Kant er geen twijfel over bestaan dat wie de wereldvrede serieus neemt ernaar zou moeten streven om alle professionele legers af te schaffen. En dat men moet waken voor overheidsschulden, omdat die de spanning tussen staten alleen maar bevorderen. Daarnaast zegt hij dat de enige garantie voor een stabiele wereldvrede mogelijk is in een federatie van vrije staten. Deze ideeën vinden nog steeds hun weerklank in het project van de Verenigde Naties. Hij heeft met zijn drie kritieken − van de zuivere rede, van de praktische rede en van het oordeelsvermogen − in de filosofie veel invloed gehad, maar met dit essay heeft hij ook buiten de academie enorm veel teweeggebracht.

Als ik dit lees, denk ik: waarom leest iedereen niet elk jaar weer even Zum ewigen Friede? Wereldvrede is zo’n ontzettend complexe zaak, dat eigenlijk niemand er iets over durft te zeggen. Of men vindt het heel naïef om er iets over te zeggen. Misschien is dat zo, maar dat betekent niet dat er geen ijkpunten zijn die min of meer buiten kijf staan. Kants beknopte opsomming van voorwaarden heeft wat dat betreft zelfs eeuwigheidswaarde.’


Bron van de beelden: deutschestextarchiv.de