De vijf meest fascinerende leiders volgens Ivo van Hove

Gisteren ging de tweede Shakespeare-trilogie ‘Kings of war’ van Ivo van Hove in première in Amsterdam, een viereneenhalf uur durende theatermarathon over drie koningen in tijden van oorlog en crisis. Aanleiding om Van Hove te vragen naar de vijf leiders die hem inspireerden voor het maken van deze voorstelling.

Medium tgaweb

‘Wat mij boeit en wat mij vandaag de dag een uitermate belangrijk thema lijkt, is leiderschap. Neem het laatste grote incident, de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. Deze aanslag is gepleegd in Frankrijk, het mekka van de scheiding tussen kerk en staat, van de ‘laïcité’ zoals de Fransen zeggen. Maar eigenlijk laat deze aanslag zien dat een dergelijke scheiding helemaal niet meer mogelijk is. Religie is niet meer los te zien van welke samenleving ook. Of kijk naar het migratievraagstuk. Opeens proberen we de grenzen van Europa te sluiten, terwijl migratiestromen niet zomaar verdwijnen. Migratie is een natuurlijk en eeuwenoud fenomeen dat zal blijven bestaan. Ongelooflijk als je je bedenkt dat een land als de Verenigde Staten een migrantenstaat is. In een wereld met zulke vraagstukken vind ik het belangrijk om het over leiderschap en leiders te hebben. Wat maakt een goede leider en hoe moet je het vooral niet aanpakken? Shakespeare is een autoriteit op dat gebied, vandaar mijn keuze voor Henri V, Henri VI en Richard III.’

Medium eredoctoraat regisseur ivo van hoveweb

De koningen hebben drie totaal verschillende persoonlijkheden en iedere koning staat voor een ander dilemma. Zo vraagt Henri V zich af hoe legitiem zijn claim op de Franse troon is: kan ik ten strijde trekken of niet? Zijn zoon Henri VI zit gevangen in de beruchte rozenoorlogen tussen het huis van Lancaster, waar hij zelf toe behoort, en het huis van York. En meestermanipulator Richard III, die zit vooral opgesloten in zijn eigenhandig gesponnen web van ijdele macht.

De muziek, ontworpen door Eric Sleichim, speelt een cruciale rol in de voorstelling, omdat die het mentale landschap van de koningen voelbaar maakt.

‘Henri V heeft een filosofische sfeer. Het is een man die zich geregeld terugtrekt om na te denken en te reflecteren. Hiermee vergeleken is het klimaat in Henri VI veel poëtischer. Tijdens de solomomenten van Richard III is er een dj te horen die als het ware in zijn krakende hersenpan kruipt. Eigenlijk is Kings of War een vorm van muziektheater waarin de muziek een tweede personage is die in gesprek gaat met de auteur, die daarop reageert als in een dialoog.’

Zoals de koningen in Shakespeare’s stukken zijn de leiders die Van Hove fascineren niet altijd voorbeelden van succesvol leiderschap. De worsteling en het onvermogen vindt hij net zo fascinerend als het succes en de overwinning.

1. President Barack Obama

'Obama is een grote inspiratiebron geweest voor het bedenken van deze voorstelling over leiderschap. Een aantal jaar geleden werd hij gezien als dé grote hoop van de Verenigde Staten, misschien wel van heel de wereld: de eerste zwarte president, iets wat in de VS lange tijd ondenkbaar was, wat niemand voor mogelijk had gehouden. Hij was iemand die bezield kon spreken, die helder wist te verwoorden hoe hij de toekomst van de VS en de rest van de wereld zag. Maar er is weinig terechtgekomen van zijn ideeën en aspiraties. Zijn belofte om Guantánamo Bay te sluiten bijvoorbeeld is prachtig, heel goed, want wat daar gebeurde is natuurlijk compleet moreel verwerpelijk. Al die zogenaamde verdachten die zonder enige vorm van proces werden opgesloten en gemarteld. Maar gedurende zijn presidentschap zie je dat het hem gewoon niet lukt om die belofte in te lossen.

Hetzelfde geldt voor het doorvoeren van zijn idee voor het toegankelijk en betaalbaar maken van gezondheidszorg, Obamacare. Een voor Amerikaanse begrippen revolutionair plan, maar tijdens het realiseren ervan zie en voel je hoe machteloos hij staat. Het is een man waarvan iedereen torenhoge verwachtingen had, maar die zijn plannen niet of slechts met heel veel moeite heeft kunnen realiseren.’

2. Koning Boudewijn van België (van 1951 tot 1993)

'Koning Boudewijn is mijn inspiratiebron voor Hendrik VI: een door en door religieuze man met een zeer strenge, katholieke moraal die geregeld botste met zijn taak en status als koning. Net als Henri VI ging hij daardoor gebukt onder het koningschap, maar hij was en bleef wel koning.

Medium boudewijnweb

Op één dag na dan. In 1990 diende de regering een wet in om abortus te liberaliseren. Deze abortuswet werd goedgekeurd door het parlement, maar de koning weigerde te tekenen. Het toestaan van abortus kon hij simpelweg niet in overeenstemming brengen met zijn christelijk geweten. Een dilemma waarvoor een rechtsgeldige oplossing gevonden moest worden. Om deze politieke impasse te doorbreken, is besloten dat hij geen koning zou zijn op de dag dat de wet bekrachtigd zou worden. Gedurende één dag, op 3 april 1990, had België dus geen koning. Je zou kunnen zeggen dat hij politiek ingrijpt door zich terug te trekken. Daarin verschilt hij natuurlijk van Henri VI die zich totaal vervreemdde van de macht en politieke besluitvorming om hem heen en een kluizenaar-koning werd.’

3. Steve Jobs

'Steve Jobs vind ik een fascinerende leider, omdat hij gevoel had voor de schoonheid van een product. Hij staat natuurlijk bekend als een echte zakenman, als technisch en innovatief, maar hij had ook een creatieve kant, een artiestenhart. Hij had aandacht voor het uiterlijk en de vormgeving van alles wat hij ontwierp. Ik kan me nog goed de introductie van de iPod herinneren. De posters en de billboards die hoorden bij de reclamecampagne met die dansende, in silhouet afgebeelde figuren. Prachtig! Hij heeft de computer en de laptop, die in hun beginjaren toch echt tot het domein van de nerds behoorden, toegankelijk gemaakt voor een groot publiek.

Het zijn nu producten waar je mee gezien wilt worden. Hij dacht: ik ga het anders aanpakken en hij wist ook precies hoe hij dat moest doen, hoe hij daarover moest communiceren. Hij was dus een leider met een duidelijke missie en visie. Kortom: mijn inspiratiebron voor Henri V.’

4. Riccardo Muti en Leonard Bernstein

'Ik geef wel eens een lezing over leiderschap en dan gebruik ik deze twee dirigenten om aan te geven wat ik een voorbeeld van goed en van slecht leiderschap vind. Ten eerste de Italiaanse dirigent Riccardo Muti die bekend staat om zijn bijzonder expressieve en dominante manier van dirigeren.

Zoals hij voor het orkest staat, zijn armen driftig op en neer bewegend, het stokje stevig in zijn hand geklemd, die verbeten grijns op z’n gezicht, je zou het orkest en daarmee de muziek bijna vergeten. Hij lijkt wel het orkest. Dit vind ik dus een voorbeeld van slecht leiderschap: de muziek zou centraal moeten staan, niet de dirigent.

Leonard Bernstein pakt het heel anders aan. Ik kan me een moment herinneren dat hij niet eens z’n stokje gebruikt en een heel orkest leidt enkel en alleen met zijn gezicht. Door z’n wenkbrauwen zo nu en dan op te trekken of door z’n lippen op een bepaalde manier te tuiten. Soms sluit hij zelfs even z’n ogen. Dat vind ik een voorbeeld van goed leiderschap: geen wilde armgebaren, geen agressief zwaaiend stokje, geen dramatische blikken, hij gebruikt enkel mimiek en het orkest volgt hem.’

5. Nelson Mandela

'Nelson Mandela mag natuurlijk niet in deze lijst ontbreken. Een man die het grootste deel van zijn leven heeft gestreden tegen het apartheidsregime en die achttien jaar in gevangenschap heeft geleefd op Robbeneiland. Het bijzondere vind ik dat hij, toen hij eenmaal president was, iets deed wat niemand voor mogelijk had gehouden. Veel mensen dachten dat er een burgeroorlog uit zou breken toen Mandela aan de macht kwam, maar dat gebeurde niet. Hij koos namelijk niet voor de aanval, maar voor verzoening. Herinneringswaardig in dit opzicht vind ik het Wereldkampioenschap Rugby in 1995.

De wereldcup werd voor het eerst in Zuid-Afrika gehouden na de boycot vanwege de apartheidspolitiek. De organisatie van het kampioenschap lag politiek gezien dus gevoelig, te meer omdat rugby de sport van de Afrikaner en daarmee een symbool van het apartheidsregime was. Maar wat deed Mandela toen het nationale rugbyteam, ook wel ‘de Springbokken’ genoemd, won? Hij liep het veld op om de spelers te feliciteren en hij droeg de traditionele Springbok-jersey en cap. In een stadion waar 63.000 mensen zaten, waarvan 62.000 Afrikaner. Dit gebaar zou de geschiedenis ingaan als het moment waarop Zuid-Afrika één natie werd. Het nadeel is natuurlijk dat hij hierdoor een one-issue president werd; over zijn economisch of sociaal beleid hoorde je zelden iets. Maar toch een memorabele leider die op een politiek zeer gevoelig moment en met de pijn van het apartheidsregime nog vers in ieders geheugen precies wist hoe hij moest handelen.’