Kerstverhaal

De vijfde colonne

Hij zat op het terras van Luxembourg en hoorde iemand zeggen: ‘Ik heb zestien jaar in de reclame gezeten, maar daarna ben ik er meteen mee opgehouden.’

Medium de 5e colonne

Terwijl hij een espresso dronk, las hij in Trouw een artikel over de islamitische terreurdreiging in Nederland. Volgens de geraadpleegde deskundigen was die dreiging groot. Hij liet de krant iets zakken en keek over de rand. Het Spui bood een normale aanblik. Een tram reed voorbij, bij Athenaeum Boekhandel liepen mensen in en uit en op de hoek bij Hoppe begon het op deze zonnige vrijdagmiddag al druk te worden met mensen die met een glas bier in de hand stonden te praten. De kraampjes van de boekenmarkt werden goed bezocht. Bij het Lieverdje stond een man met behulp van een emmer zeepsop, twee stokken en een doek met een rond gat enorme zeepbellen te produceren. Hij doopte de doek in de emmer en hield hem tussen de stokken omhoog, waarna een film van zeep in het gat, door wind of beweging, uitbolde tot bellen die langzaam wegdreven. Een paar mensen stonden te kijken hoe ze tegen de bovenleiding van de tram uiteenspatten.

Drie jongemannen stonden met hun rug ernaar toe. Het waren een blanke en twee mediterrane types, ongetwijfeld Marokkanen. Ze stonden met elkaar te praten en hadden ieder een zwarte sporttas. Lachend omhelsden ze elkaar en legden hun rechterhand op hun hart. Daarna ritsten ze de tassen open en haalden er kalasjnikovs uit. Ze staken er magazijnen in, klapten de kolven uit en laadden ze door zonder zich om de blikken der omstanders te bekommeren. Een langslopende man zag het gebeuren, maar liep rustig alsof er niets aan de hand was. De jongemannen riepen ‘Allahoe akbar!’ en begonnen korte salvo’s af te geven. Verspreid over het Spui vielen mensen om. Een man die met een witte plastic tas uit Athenaeum kwam, viel achterover weer naar binnen. Intussen stond de zeepbellenblazer met zijn stokken omhoog en vulde een bel zich met lucht. De toeschouwers keken om naar het geluid van de kalasjnikovs, maar sloegen niet op de vlucht. Volgens hem had dit zowel met gebrek aan voorstellingsvermogen als met vrees voor verlies van decorum te maken. De blanke gooide een handgranaat tussen de kraampjes van de boekenmarkt, wat de boeken als een zwerm vogels deed opvliegen, terwijl de Marokkanen de drinkers bij Hoppe onder vuur namen. Pas nu brak er paniek uit. De drinkers probeerden de Heisteeg in te vluchten, sommigen met hun glas nog in de hand. Turend over zijn krant, nipte hij van zijn espresso. Een van de Marokkanen stak, een passerende fietser neerschietend, de weg tussen het Spuiplein en het terras over en bleef tegenover hem staan. ‘Vuile kankerjood!’ zei hij en richtte zijn wapen op hem. Op dit niveau wenste hij niet te converseren. Hij deed zijn krant omhoog en verdiepte zich weer in het artikel.

‘Hallo, Harry.’

Hij liet de krant zakken en zag Felix voor zich staan; een kleine, ronde vijftiger met grijs, krullend haar en grote, kinderlijke ogen. Hij droeg een wit plastic tasje van Athenaeum en lachte hem hartelijk toe.

‘Felix’, zei hij. ‘Waar is Inez?’

‘Ze komt zo. Ze moest nog iets doen in de stad.’

Hij liet Felix plaatsnemen op een van de twee stoelen die hij tot ergernis van andere klanten met stapels kranten en tijdschriften bezet had gehouden.

‘Goed idee om hier af te spreken’, zei Felix. ‘Dat moeten we vaker doen.’

‘Absoluut.’

Er kwam een ober op hen af en ze bestelden nog een espresso voor hem en een cappuccino voor Felix.

‘Wat heb je gekocht?’ vroeg hij, knikkend naar het tasje van Athenaeum.

‘O, wat romans voor de vakantie’, zei Felix. ‘Zal wel weer niks zijn. Ik begin eraan, maar na vijftig of honderd bladzijden geef ik het op. Enfin, zo steun ik de literatuur.’

‘Literatuur is nutteloos en slecht voor de ogen’, zei hij. ‘Maar niet verder vertellen.’

‘Wanneer komt jouw nieuwe boek nou eindelijk?’ vroeg Felix. ‘Jou lees ik altijd in één ruk uit.’

‘Nog even geduld, alstublieft.’

‘Kan je er iets over vertellen?’

‘Het gaat over de strijd tegen het islamitisch terrorisme’, vertelde hij. ‘De hoofdfiguur is een huurmoordenaar die voor de staat moslimextremisten opruimt. Maar eigenlijk gaat het over het probleem dat je niet weet welke moslims je nog kunt vertrouwen.’

‘Interessant onderwerp’, zei Felix. ‘Volgens mij is daar nog geen enkele roman over.’

‘Er is ook nog steeds geen roman over Srebrenica’, zei hij. ‘De Nederlandse literatuur gaat nergens over.’

‘Misschien dat ik daarom die boeken nooit uitlees’, lachte Felix. ‘Heb je al een titel?’

‘De vijfde colonne.’

Ze keken naar de bellenblazer die een wel bijzonder grote zeepbel aan het luchtruim prijsgaf. De ober zette hun bestellingen neer.

‘Zeg, ik vind het wel prettig dat Inez er nog niet is’, zei Felix, ‘want nou kan ik je even vragen hoe het gaat. Ik bedoel –’ Hij maakte met duim en wijsvinger het gebaar van geld.

‘Prima’, zei hij en probeerde ontspannen te klinken. ‘Het gaat goed.’

‘Mooi’, zei Felix. ‘Maar als je krap zit moet je het zeggen, hè.’

‘Felix’, zei hij met een lach, ‘je hebt al zoveel voor me gedaan. Ik ben je nog zevenduizend euro schuldig. Zevenduizendtweehonderdenvijftig, om precies te zijn.’

Felix maakte een wegwuivend gebaar. ‘Ik doe het graag. En ik kan het missen, nietwaar?’

Hij knikte maar. Het viel niet te ontkennen.

‘Ik geloof in je, Harry’, zei Felix. ‘Dat weet je toch?’

Ze keken elkaar aan tot het ongemakkelijk werd.

‘Hoe is het met Inez?’ vroeg hij.

Felix schudde lachend zijn hoofd. ‘Harry, ik ben de gelukkigste man ter wereld.’

Dat kan ik me voorstellen, had hij bijna gezegd. Hij beperkte zich tot begripvol knikken.

‘Ik heb het over seks, Harry. Het is echt ongelooflijk. Die vrouw – oooh!’

Hij probeerde Felix zo neutraal mogelijk aan te kijken.

‘Een man als ik vraagt zich altijd af of het om zijn geld gaat’, zei Felix. ‘Maar deze keer weet ik zeker dat het om mij gaat. Dit is echt liefde, Harry.’

‘Ik ben blij voor je, Felix.’

‘Ik ben blij voor mezelf.’

Hij lag op bed in een hotelkamer en klooide met de zapper van de televisie. De deur naar de badkamer stond open en hij hoorde haar plas in de pot klateren. Een langgerekte wind resoneerde in het porselein.

‘Ik zit niet te poepen, hoor!’ riep ze, haar gêne weglachend.

‘Je mag zoveel poepen als je wil’, riep hij terug. ‘Jij hebt voor de kamer betaald.’

Het hotel lag aan de rand van een industrieterrein, tegenover een benzinepomp en naast een begraafplaats met crematorium.

Ze trok het toilet door en kwam de kamer in. Ze had een prachtig lichaam, lang en lenig, met kleine, discrete borsten. ‘Cheapskate!’ zei ze lachend.

‘Ik ben geen cheapskate’, zei hij. ‘Ik ben gewoon arm.’

‘O, dus laat je mij voor alles betalen.’

‘Jij betaalt niet’, zei hij. ‘Felix betaalt.’

‘Touché’, zei Inez en liet zich naast hem in bed vallen. ‘Wil je eten?’

‘Ja’, zei hij en liet de televisie uitfloepen.

Ze boog zich naar de twee plastic tassen aan het voeteneind met de afhaalmaaltijden die ze hadden meegenomen. ‘Wil je Thais of Indisch?’ vroeg ze.

‘Indisch.’

Ze maakten de dozen open en begonnen met plastic bestek te eten. Het eten was koud geworden.

‘Misschien moet je een baan gaan zoeken’, zei ze.

‘Ik kan niet onder een baas werken’, zei hij.

‘Dus teer je liever op de zak van mensen als Felix.’

‘Nou overdrijf je een beetje. En Felix vindt het niet erg.’

‘Denk je dat hij het niet erg vindt dat je z’n vriendin ligt te ballen?’

‘Wat niet weet, wat niet deert.’

‘Je bent best wel cynisch, Harry.’

‘Mensen als Felix kopen vriendschap’, zei hij. ‘Ze bestaan door hun geld, het geeft ze een gevoel van macht.’

‘Hij is gewoon aardig’, wierp ze tegen.

‘Geld is het enige wat hij te bieden heeft’, zei hij. ‘Hij corrumpeert iedereen om zich heen. Zijn ex, zijn kinderen, jou, mij – iedereen.’

‘Felix is een schat’, zei ze.

‘Absoluut’, zei hij. ‘Is er nog wat gado gado?’

‘Waarom kun je eigenlijk niet onder een baas werken?’

‘Ik heb een baas gehad. Ik zei papa tegen hem. En zoals de joden zeggen over de Tweede Wereldoorlog: never again.’

‘Ben je nou joods of niet?’ vroeg ze.

‘Dat is een goed bewaard geheim.’

‘Felix zegt van niet.’

‘De hoofdfiguur is een huurmoordenaar die voor de staat moslimextremisten opruimt. Maar eigenlijk gaat het over het probleem dat je niet weet welke moslims je nog kunt vertrouwen’

‘Felix kan het weten.’

‘Waarom zou iemand nou joods willen zijn?’ vroeg ze.

‘Je versiert er mooie vrouwen mee.’

‘Ah’, zei ze en stak een triomfantelijke vinger op, ‘maar dan zien ze dat je niet besneden bent!’

‘Ja, maar dan is het al te laat.’

‘Wat vinden mensen nou toch zo interessant aan joden?’ vroeg ze, terwijl ze een lepel pad thai naar haar mond bracht.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ach, wat zal men zeggen? Het zijn vaak interessante individuen met een interessante collectieve geschiedenis.’

‘Het is best wel een racistische religie’, vond ze. ‘Ik wist niet dat joden alleen met joden trouwen.’

‘Dat is de theorie’, zei hij. ‘De praktijk is anders.’

‘Felix’ moeder kijkt naar me alsof ik stront ben! Ze zegt nooit iets uit zichzelf tegen me.’

‘Dat heeft niks met joods of niet joods te maken’, zei hij. ‘Ze wil gewoon het beste voor haar zoon.’

‘Ik ben het beste! Hij zegt dat hij nog nooit zo gelukkig is geweest.’

‘Lieverd, kijk even om je heen. Je ligt in bed met een andere man in een hotel naast een crematorium. Een behoorlijk onjoodse situatie.’

‘Touché’, zei ze en keek naar het gordijn voor het raam dat uitzag op het groen rond de begraafplaats. ‘Denk je dat ze ook ’s nachts cremeren?’

‘Nee, dan zou je de vlammen zien.’

‘Komen er vlammen uit?’ vroeg ze met een walgend gezicht.

‘Ja, vooral bij dikke personen.’

Yuck!’

‘In mijn nieuwe boek laat de Staat der Nederlanden moslimextremisten verdwijnen in de vuilverbranding.’

‘Ja, je nieuwe boek’, zei ze. ‘Wanneer is het af?’

‘Nog even geduld, alstublieft.’

‘Dat zeg je de hele tijd al.’

‘Wen er dus maar aan.’

‘En intussen laat je Felix voor je betalen.’ Ze lachte haar prachtige tanden bloot.

‘Ik schrijf tenminste’, zei hij. ‘Wat doe jij nou helemaal?’

Ze liet zich achterover vallen en vouwde haar handen achter hoofd. Haar kleine borsten staken spits omhoog. ‘Ik hoef niet te werken, ik ben een vrouw.’

‘Je bent een hoer, Inez.’

‘Mm mm’, beaamde ze met een lage stem en rolde naar hem toe. ‘Wat is daar mis mee?’ Ze stak het puntje van haar tong in zijn oor en liet haar hand over zijn borst omlaag glijden.

‘Niets’, zei hij hulpeloos. ‘Weet je zeker –’ Hij huiverde onder haar aanraking.

‘Wat?’ kreunde ze en begon aan zijn oorlel te sabbelen terwijl ze een been over hem heen legde en omhoog schoof.

‘Dat hij het niet weet?’ vroeg hij met een stokkende stem. ‘Felix. Van ons.’

‘Nee’, zei ze en boog zich over hem heen, waarbij haar lange haren over zijn buik streken.

De zeepbellenblazer op het Spui was inmiddels weggespeeld door een vuurspuwer. Het was een vroegoude man met een ontbloot, uitgeteerd bovenlichaam en een tandeloze mond. Hij spoog een brandbare vloeistof uit een plastic fles langs twee fakkels die hij omhoog hield, waarna een kortstondige vlam opsteeg. De hitte was voelbaar.

‘Stel’, zei hij. ‘Stel dat het oorlog wordt tussen Nederland en Israël.’

‘Een zeer hypothetische situatie’, grinnikte Felix. ‘Maar oké, for the sake of argument.’

‘Stel dat het oorlog wordt’, vervolgde hij, ‘voor wie zou jij dan zijn?’

Felix zuchtte. ‘Jezus, wat een vraag. Ik denk toch Israël.’

‘Terwijl je een Nederlander bent.’

‘Ja.’

‘Terwijl je in Nederland geboren bent.’

‘Ja.’

‘Terwijl je geen woord Hebreeuws spreekt en maar hoe vaak in Israël bent geweest?’

‘Twee keer. Veel te heet.’

‘En toch ben je voor Israël.’

‘Ja’, zei Felix, ‘uiteindelijk voel ik toch meer verwantschap met Israël.’

‘Omdat er joden wonen’, concludeerde hij.

‘Ja.’

‘Daar gaat het in De vijfde colonne ook over’, zei hij. ‘Als de pleuris uitbreekt zullen de gematigde moslims toch de kant van de extremisten kiezen. Waarom? Omdat ze daar meer verwantschap mee voelen dan met de Nederlanders.’

‘Angstaanjagend idee’, zei Felix.

‘Dit boek moet geschreven worden’, zei hij. ‘En ik ben de enige die het gaat schrijven.’

‘Hoe lang denk je er nog mee bezig te zijn?’ vroeg Felix.

Hij tuitte zijn lippen. ‘Een jaar.’

‘Red je het – financieel?’

‘Ik denk het wel.’

‘En anders weet je het, hè?’

‘Dank je, Felix.’

De sterk naar petroleum ruikende vuurspuwer hield hun een bakje met een paar munten voor. Het was niet de bedoeling ze eruit te nemen en Felix deed er een euro bij.

‘Ik heb respect voor zulke mensen’, zei Felix. ‘Je hebt er niks aan, maar ze doen tenminste iets.’

‘Hello, guys!’

Inez was aan hun tafeltje opgedoken. Aan iedere hand had ze een tas van een kledingzaak. Ze kuste Felix op de mond en hem op de wangen, maar gaf hem buiten Felix’ zicht een knipoog.

‘Hadden jullie het over mij?’ vroeg ze en kwam erbij zitten.

‘Hoe kom je daar nou bij?’ zei Felix. ‘Er zijn veel interessantere onderwerpen.’

‘Ik heb trek in champagne’, zei Inez. ‘Wil jij champagne, Harry?’

‘Ik wil wel champagne’, zei hij.

‘Laten we champagne drinken!’ juichte ze. ‘Felix betaalt.’

‘Wie anders?’ zei Felix.

‘Touché’, zei Inez.

Felix wenkte de ober.


Heere Heeresma jr. is schrijver en publiceerde onder meer Moeder, Een echte jood als ik en De held van Srebrenica