De vijfde kolonne der alevieten

De geschiedenis van de shiitische ‘alevieten’ gaat ver terug. De profeet Mohamed schiep tijdens zijn leven niet alleen een nieuwe godsdienst, maar ook een staat. Zijn eerste politieke opvolger werd na zijn dood in 632 door de verenigde gelovigen gekozen. Deze Abu Bakr wees vervolgens zelf zijn opvolger aan, de tweede kalief Omar - bij deze keuze hadden de gelovigen niets in te brengen. Een deel van de gelovigen (de latere alevieten) beschouwden Omar als de usurpator van het kalifaat dat volgens hen door de profeet zelf was toegewezen aan zijn schoonzoon Ali.

Omar besloot kort voor zijn dood in 644 dat een groep van zes personen, onder wie Osman en Ali, beide schoonzonen van de profeet, uit hun midden een kalief diende te kiezen. Na de nodige verwikkelingen werd Osman de nieuwe leider, die echter al snel werd vermoord. Met de moord op Osman begon het debat of een kalief kon worden afgezet als hij zijn plichten onbehoorlijk vervulde en over de manier waarop hij moest worden gekozen. Na Osman kwam Ali aan de beurt, maar ook deze werd lafhartig vermoord. De vol gelingen van Osman grepen opnieuw de macht en maakten het kalifaat erfelijk. De alevieten gingen in verzet - tot op heden komt men onder alevieten niet de gebruikelijke namen tegen als Omar of Ayse (Mohameds weduwe die tegen Ali ten strijde trok).
Maar de alevieten verschillen niet alleen in politieke opvattingen van andere moslims. Terwijl de (sunni) machthebbers steeds meer religieuze regels vastlegden in de sjaria, hielden de alevieten vast aan de religieuze oertraditie, inclusief pre-islamitische elementen zoals het begraven van doden in kisten en het ongesluierd laten deelnemen van vrouwen aan rituelen. Omdat vrouwen binnen de alevitische islam grote vrijheid genieten, worden zij in soennitische kring al snel van bloedschande beticht. Wat ook al niet bijdraagt aan de populariteit der alevieten is het feit dat ze vanaf de vijftiende eeuw de kabbalistische nummerspeculatie in zijn joods-Perzische vorm overnamen.
In hun doctrine bekennen de alevieten zich tot de Partij van Ali. Kalief Ali neemt een belangrijke plaats in, hoewel het overdreven is te beweren dat ze Ali, Allah en Mohamed als een soort christelijke drie-eenheid vereren. Toen de Partij van Ali in 1502 staatsgodsdienst werd in Perzie, begon de tot op heden voortdurende ellende voor de alevi’s binnen het Osmaanse rijk. Ze worden beschouwd als de vijfde kolonne. Dat blijkt ook uit de verhalen van de Osmaanse historicus Esad Efendi. Tijdens de Osmaans-Oostenrijkse oorlog van 1690 begaf een alevi, Bektasi, zich in het kamp van de sunni-troepen: ‘En hij ging van soldaat tot soldaat, zeggende: O, stommelingen, waarom vergooien jullie je leven voor niets? Jullie zouden je moeten schamen! Al het gezwets dat jullie horen over de zegeningen van de Heilige Oorlog en het martelaarschap in het gevecht is onzin. Terwijl de Osmaanse sultan plezier heeft in zijn paleis en de christelijke koning zich in zijn land vermaakt, begrijp ik niet waarom jullie je leven zouden moeten opofferen door deze bergtoppen te bevechten.’
Het is dezelfde scepsis die de alevieten nu opnieuw de gebeten hond onder de mondiale moslimbevolking maakt.