Een Poolse arbeider wacht op zijn lift naar het werk, Den Haag © Peter de Krom / ANP

Na een paar maanden van contacten leggen met Bulgaren, Roemenen en Polen in Den Haag en omgeving heb ik het idee dat het verschijnsel arbeidsmigratie als een haaienvin is. Vanaf onze veilige kust zien we alleen de vin. We vermoeden dat er een haai in het water zit, of een ijsberg, maar omdat niemand de veilige kust wil verlaten om te gaan zwemmen met de vermoedelijke haai, gaan we niet echt op onderzoek uit.

Naar schatting wonen er veertigduizend niet-geregistreerde migranten in Den Haag, vaak afkomstig uit Bulgarije, Polen of Roemenië. Zeven procent van de bevolking, veelal harde werkers. ‘Degenen die de stad draaiende houden’, zei een Bulgaarse me eens om vijf uur ’s ochtends. Maar wie zijn deze arbeidsmigranten eigenlijk? Ik probeerde ze duidelijker in beeld te krijgen. In ieder geval behoren zij tot diegenen in de stad die als eerste wakker zijn. Als je om half vijf in de ochtend op de Hoefkade bent, kun je de Bulgaren spreken. Ik heb er in de wijk ook met Polen, Grieken en Turken gesproken, voordat zij door busjes werden opgehaald. ‘Als je daarvandaan naar het andere deel van Den Haag rijdt, richting de Laan van Meerdervoort en de wijken daarna, is alles nog in het donker gehuld. Het deel van de stad vanaf de Laan van Meerdervoort is altijd als laatste wakker’, verduidelijkt de Bulgaarse Pavlina. Pavlina is oppas, bloemenplukker, kelnerin, alleenstaande moeder en inmiddels Haagser dan veel Hagenaren.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders Mira Feticu over haar onderzoek naar de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten in Den Haag.

Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Oorspronkelijk wilde ik laten zien wat voor harde werkers de migranten zijn. Ik wilde ze aan Nederland laten zien. Maar hoe dieper je in hun wereld duikt, hoe meer het leven van migranten uit Midden- en Oost-Europa trekjes van een onderwereld begint te krijgen, soms is het net een borgia uit Dante’s Inferno. Let wel: de migranten zijn daarin het lijdend voorwerp. Die wereld van migranten die worden uitgebuit door uitzendbureaus of door leidinggevenden, lijkt vaak een andere planeet, waar de Haagse politici nog geen telescoop voor hebben. Af en toe vangen we er signalen van op, er gaan mensen dood of de media schrijven iets over de omstandigheden waarin ze werken, maar het blijft een ‘show’ te ver van het bed van de Haagse politici. Het is een La piovra, op z’n Haags.

‘Waarom zit de politiek zo ver van het onderwerp?’ vraag ik aan Hans Thunnissen van Polska Porada, een onafhankelijk adviesbureau voor migranten. We zitten op zijn kantoor ergens tussen de kassen in het Westland. Thunnissen uit zijn onvrede over de autoriteiten en de politiek. ‘Aan pvda-wethouder Martijn Balster in Den Haag schrijven we regelmatig brieven waarin we de problemen van de migranten aankaarten. We geven ook veel oplossingen, in ieder geval willen we helpen. We hebben nog nooit een antwoord gekregen.’ Hij glimlacht. ‘Er wordt gezegd dat ze elke vrijdagmiddag sigaar roken met de inleners, de grote bedrijven. Wij zijn te klein voor hen.’

‘Komen de migranten naar ons land om hier te blijven? Want dit is de vrees van veel Nederlanders.’ Ik leg de vraag voor aan fnv-bestuurder Bart Plaatje. ‘Eén derde komt hier om te werken. Eén derde zijn jongeren die op avontuur zijn en één derde wil hier blijven. Maar via een uitzendbureau kun je je niet inschrijven bij de gemeente. En als je werkt, kun je ook moeilijk de taal leren. Maar deze mensen hebben de meeste waarde in deze maatschappij, kijk alleen al naar wat er is gebeurd in de lockdown. Wie zijn de pakketbezorgers? Juist. Heel Nederland is afhankelijk van migranten. Zeventig procent van het werk in de logistieke sector in Nederland wordt gedaan door arbeidsmigranten, vooral Roemenen, Portugezen, Bulgaren. Het Westland draait op migranten uit Oost-Europa, zonder hen zou alles stilliggen.’

Ik begon mijn onderzoek met een vragenlijst die ik de migranten voorlegde. Algemene vragen over taalgebruik, huisvesting, integratie. Bijna alle Bulgaren, Roemenen en Polen (ongeveer zeventig) die hem invulden, gaven geen antwoord of hadden geen mening bij vraag 10 over onaangename ervaringen in Nederland. Niet omdat ze die niet hadden gehad, werd me off the record verduidelijkt, maar omdat ze geen problemen wilden krijgen. Toen ik hen uitgebreider sprak, begreep ik dat ze het gewend zijn om te slikken, ze willen niet klagen. Het gebeurde meermalen dat de migrant niet kwam opdagen op een afspraak. Uit angst, begreep ik. Waarom? Waarom ze gevallen van uitbuiting niet melden? Een van de antwoorden maakte me stil: in eigen land werden ze ook niet geholpen, waarom zouden ze hier wel geholpen worden? Niemand geeft immers om hen.

In de eerste maanden van mijn onderzoek had ik geen idee dat er onder de ijsberg een hele wereld bestaat. Ik wachtte op de migranten in mijn eigen, redelijk veilige wereld, boven het ijs. En ik hield me aan de veilige verhalen vast boven het ijs. Ik verwonderde me bijvoorbeeld over de stroom ideeën van migranten die boven het ijs zitten, die een kamer of appartement in de stad kunnen betalen, die zelfstandig wonen en niet via hun werkgever.

Een paar uur lang sprak ik met Sergiu, een Roemeense schilder, oorspronkelijk uit Moldavië, die jarenlang in Frankijk woonde en vijf jaar in Nederland is. Hij is restaurateur en knapt, samen met een team van Russen, de oude plafonds op van de mooie, historische Haagse huizen. Ik zie een foto van ‘voor en na’ en ik complimenteer hem. De complimenten komen makkelijker uit mijn mond dan mijn opmerkingen over de schilderijen met naakten, alleen maar vrouwen, die de muren van zijn kamer bedekken.

Ik sta versteld van de enorme stroom ideeën, onder de hoofdstroom, als we de Nederlandse ideeën zo kunnen aanduiden. Dat het onderwijs in Oost-Europa beter zou zijn. Of dat kunst hier echt niets is, zoals Sergiu het formuleert, ontevreden dat niemand meer ‘academisch’ kan schilderen.

Na het interview fiets ik in het donker naar huis en bedenk dat het een leven vergt om deze twee stromen te verenigen. Het kost jaren om je ideeën te veranderen, aan te passen. Integreren is een proces van een leven. Mensen zouden betaald moeten worden om dit moeilijke proces te voltooien, ten minste gesteund.

Sergiu is trots op de Roemeense educatie. Zijn kinderen halen makkelijk tienen. ‘Niet te vergelijken met hier.’ Ik begrijp dat dit een van de redenen is waarom zijn vrouw met de kinderen in Cluj, in Roemenië, woont en Sergiu hier: het onderwijs dat de kinderen in Roemenië krijgen. Ik glimlach een beetje in mezelf. Ik sta bij de pas tussen twee werelden.

Vorig weekend bedankte mijn dochter van achttien, die honderd procent Nederlands is, me voor het feit dat ik niet in Roemenië ben gebleven en dat ze hier naar school gaat. ‘Een 10 in Oost-Europa is een 8 in het Westen’, heb ik, vernederlandst, tegen Sergiu gezegd, niet geheel zonder venijn. Ik wist dat hij hier de hele avond over zou gaan nadenken, want het botst met zijn zekerheden. Ik vertelde hem dat de educatie in het Westen democratischer is; in het Oosten moet je de middelen hebben om je kind een goede opleiding te geven.

Alle migranten die ik heb gesproken in Den Haag hadden kinderen. En vrijwel zonder uitzondering heb ik genoteerd dat de kinderen in hun geboorteland zijn gebleven. Soms bij de moeder, heel vaak bij de grootouders. Ik durf niet aan iedereen te vragen wat erger is: opgroeien met honger en kou of zonder ouders? Of: hoe aanwezig bent u in het leven van uw kinderen?

Als ik mijn fiets stal, bedenk ik dat integreren net zo abstract is als geluk. We streven ernaar, maar we moeten ons tevreden stellen met wat we hebben. Voor wie is de Nederlandse politicus bang? Voor deze mensen die niet hebben gekozen om hun manier van denken te veranderen of bergen te verplaatsen, maar die ‘alleen’ een beter leven voor hun kinderen wilden?

Ik bewonder de moed, de onbezonnenheid van de migrant. Met mijn ervaring van nu weet ik niet of ik zelf de sprong opnieuw zou wagen. De migrant is veel meer dan de ‘kansarme’ zoals hij wordt genoemd. Hij is ook een Odysseus die jarenlang op ‘zee’ blijft, op zoek naar een huis. Vaak een nieuw huis. De vele goden die de slimme Odysseus zoveel tegenspoed bezorgden, zijn vandaag de dag de Nederlandse politici of de uitbuiters. Ik zie in elke migrant een Odysseus die vaak na vele jaren tussen twee culturen niet meer weet wie hij is.

Zonder migranten uit Midden- en Oost-Europa zou het werk in het Westland stilliggen © David van Dam / de Beeldunie

Van de drie groepen Oost-Europese migranten – Polen, Roemenen en Bulgaren – bleken de Bulgaren aanvankelijk het moeilijkst te benaderen. Er zijn twee grote categorieën Bulgaren in Den Haag: de Turks sprekende Bulgaren en de Bulgaren met een Roma-achtergrond. Je zou nóg een categorie kunnen noemen, de hoogopgeleide Bulgaren, maar ik vraag me af of je ze in een derde categorie kunt plaatsen. Uit Roemenië weet ik dat veel busjes met een Bulgaars kenteken in de stad ook Roemeense busjes zouden kunnen zijn. Roemenen konden hun auto’s lange tijd goedkoper registreren in Bulgarije.

Het lot zorgde ervoor dat de Nederlandse loodgieter van het gebouw waarin mijn kantoor is gevestigd de verstopte waterafvoer niet kon ontstoppen. Toen hij voor de eerste keer langskwam, zei hij: ‘Fluitje van een cent.’ Maar de prop in de buis bleek hardnekkig. De tweede dag kwam hij met een waterzuiger, maar de brok was koppig en de loodgieter moest het opgeven. Hij zou een gespecialiseerd bedrijf inschakelen.

‘Als ik in Nederland ben, heb ik overal pijn; als ik in Bulgarije ben heb ik helemaal geen klachten meer’

En inderdaad, dat bedrijf belde voor een afspraak en spoedig daarna deed ik open voor een meneer met roots in Turkije, zo dacht ik. Ik vertelde hem over de Nederlandse loodgieter die had gemeend de verstopping in vier minuten op te lossen. De man met de Turkse roots antwoordde op bijna te serieuze toon: ‘Zulke mensen hebben we nodig bij ons bedrijf.’ Het duurde vijftien minuten, maar na die vijftien minuten was het wel opgelost. De man vroeg een doekje om het gemorste water op te dweilen. ‘Niet nodig’, zei ik. ‘De loodgieter voor u liet ook alles gewoon liggen, ik heb alles schoon moeten maken.’ De Bulgaar, want dat was hij, lachte. Welke tand hij precies miste, kon ik niet goed zien.

Ik merkte op dat hij niet alleen effectief, maar ook netjes werkte, en hij glimlachte weer. Hij miste meerdere tanden. ‘Bilian’, zei hij. ‘Ik heet Bilian, maar iedereen noemt me Bakkie.’ Hij liet zijn gebit weer zien. ‘Snapt u? Omdat ik van koffie houd, weet u, een bakkie koffie.’ Ja, ik snapte het.

Ik begreep ook dat hij tussen 1994 en 2002 illegaal in Nederland had gewerkt om ‘centjes te verdienen’, maar sinds kort een Nederlands paspoort had. Hij vertelde dat hij in die tijd goed geld verdiende, maar dat alles al op was. Ja, hij had kinderen, maar die hadden niets met Bulgarije, ze waren erg vernederlandst. ‘Ze zijn geen Bulgaar meer’, verzuchtte hij. Hij klaagde dat het nog een lange weg was tot zijn pensioen, en dan zou hij terug naar Bulgarije gaan, naar zijn geboorteplek, niet ver van de grens met Roemenië, waar ‘de winter winter is, en de zomer zomer’. Daar is alles hoe het moet zijn. Zelfs zijn schoonmoeder, die hij ook naar Nederland had gehaald, is daar gelukkig. ‘Als ik in Nederland ben, heb ik overal pijn; als ik in Bulgarije ben heb ik helemaal geen klachten meer.’

Die avond laat ben ik, op zijn advies, naar de Paul Krugerlaan gegaan, waar veel Bulgaren komen. Er was ook veel politie aanwezig, ten minste vijf politieauto’s en twee ambulances. Niemand had zin in een praatje met mij.

Om vijf uur in de ochtend rijden mijn tolk Pavlina en ik naar het Paul Krugerplein in het Haagse Transvaalkwartier. Drie jaar geleden sprak ik hier Bulgaren die in de kassen werkten. Toen was ik op zoek naar Roemenen, maar vond er geen. Er gold toen geen avondklok die bepaalde dat je tot half vijf binnen moet blijven. Maar ondanks de avondklok van nu vertrekken de laatste bussen al om vijf uur. Af en toe treffen we nog iemand op een straathoek wachtend op een late bus.

We spreken Stoian (31), die samen met zijn vrouw in Nederland verblijft. Hun dochter van zeven hebben ze in Bulgarije gelaten. Hij en zijn vrouw werken in de kassen. We praten ook met Mehmet (27), die voor tien euro per uur glasvezel aanlegt. Timide, maar nieuwsgierig is ook Katja, die op haar 43ste al twee keer oma is geworden. Ze is goed verzorgd en doet me denken aan de mensen in mijn Roemeense dorp, die de luxe van een beugel niet kenden. Alles wat Katja wil is terug naar huis, naar Bulgarije. Waarom niet hier blijven? Lachend schudt ze haar hoofd en je ziet duidelijk de flinke spleetjes tussen haar tanden.

De laatste persoon die we deze ochtend ontmoeten, in de buurt van de Hoefkade, is een klein vrouwtje dat niet reageert op mijn stem. Ze herkent de taal niet en voelt zich niet aangesproken hoewel ze de enige in de buurt is. Haar blik wil wel vertellen hoeveel ze heeft meegemaakt en tegelijk zegt die dat wij, mijn tolk Pavlina en ik, haar toch niet zullen kunnen begrijpen. Maar omdat ze al anderhalf uur op de bus wacht die haar naar het koelhuis waar ze werkt moet brengen, wil ze wel iets vertellen. Ze richt zich tot Pavlina, en Pavlina maakt vervolgens alleen maar ongedefinieerde geluiden. Ik moet aan haar mouw trekken om ook te horen wat Nora, want zo heet deze kleine vrouw, vertelt.

Nora is 48, gekleed in een jas van uitzendbureau Flexibel, maar aan haar bordeaux gekleurde nagels zie je nog iets van een kleine, vergane glorie. Ze heeft drie kinderen, die allemaal getrouwd zijn; haar eerste man is tien jaar geleden overleden en haar tweede wordt beschuldigd van een verkrachting die elf jaar geleden heeft plaatsgevonden in Bulgarije, op een moment dat hij niet eens in Bulgarije was. Vier jaar geleden werd hij in Nederland opgepakt. Nora werkt nu in het koelhuis om zijn advocaat en het levensonderhoud te kunnen betalen. Ze hoopt hem hier in de gevangenis te kunnen houden. Ze maakt zich zorgen om hem. ‘Hij is zo mager geworden’, gebaart ze. En ze vervolgt: ‘Er is geen enkel bewijs tegen hem, maar toch laten ze hem niet vrij.’ ‘Hoezo niet?’ vraag ik. Ik richt me tot Pavlina. Pavlina haalt haar schouders op. De blik van Nora zegt dat ze wel aan tegenslag gewend is. Op haar kleine schouders kan ze de hele wereld dragen. Misschien lijkt ze daarom veel ouder dan ze is. Ze zou hier met haar man oud willen worden, terwijl Bulgarije toch haar land is en ze van Bulgarije houdt.

Uiteindelijk komt de bus. Nora stapt in en gaat achter een andere vrouw zitten, met wie ze meteen begint te babbelen. In de bus lijkt ze kleiner dan ze is, alsof de werkelijkheid waarin we net zaten een matroesjka is. Ik stel me voor dat ze, voor het avond zal zijn, nog kleiner zal worden en andere matroesjkapoppen zal achterlaten. Misschien wordt ze zo steeds kleiner, tot ze verdwijnt – hoewel ik denk dat Nora niet het type is om te verdwijnen, meer het type dat verdraagt en doorgaat. De filosofie van de migrant.

De Bulgaarse Galia is 59 en wacht tot de coronaregels zullen worden versoepeld om – na zeventien jaar in Nederland – terug te keren naar Bulgarije. Voor altijd in haar zomerhuis in Varna. Als er geen pandemie was geweest had ze deze beslissing niet zo snel genomen; corona heeft haar een zetje gegeven. Galia zit vol verhalen en kan naar eigen zeggen, anders dan veel landgenoten, drie dagen aaneen vertellen. Haar eigen verhaal vervlecht ze met de verhalen van anderen en als ik met haar praat, voelt het alsof ik meerdere mensen tegelijk spreek.

Vooral het door Galia vertelde verhaal van de Roemeense Mihaela is me bijgebleven, een Roemeense Roma die ze goed kende. Mihaela had te horen gekregen dat ze longkanker had en binnen een maand was ze dood. ‘Ze rookte tot de laatste dag’, zegt Galia. Erg vindt ze het dat de dochter van Mihaela, die zij in haar eentje opvoedde, nu terug naar Roemenië moet, naar een vader die ze nauwelijks kent.

Galia hoeft geen Nederlands paspoort. ‘Wilde ik niet’, zegt ze. ‘Als ze mijn paspoort openen, zien ze toch dat ik geen Nederlandse ben? Hoe kun je Nederlandse zijn als je Ivanova heet?’

De eerste jaren in Nederland waren het moeilijkst, ze werkte zeven dagen per week, van zeven uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds, voor driehonderd euro per maand. ‘Ik had niet eens tijd om te douchen, ik douchte wel, maar waste mijn haar niet met shampoo, door tijdgebrek. Op mijn eerste dag in Nederland leerde ik achthonderd woorden uit een woordenboek Nederlands-Bulgaars. Ik kwam met de bus uit Bulgarije en in de bus probeerde ik wat te leren, maar de taal was zo moeilijk. Daarom begon ik de woorden te tellen die hetzelfde waren in het Bulgaars: elektriciteit, boiler. Ik telde er achthonderd en zei tegen mezelf: als ik op de eerste dag achthonderd woorden kan leren, zal ik de taal snel onder de knie krijgen.’

Flexwerker op weg naar zijn familie in Polen, april 2018 © Ton Toemen / ANP

Bijna alle rapporten over migranten die ik heb gelezen vermelden dat Bulgaren niet graag willen praten en anders dan Roemenen en Polen zijn. Maar de meeste migranten met wie ik sprak, waren uiteindelijk Bulgaar: kasarbeiders, schoonmakers, loodgieters, glasvezelleggers. De vrouwen waren eerder bereid te praten dan de mannen en ik heb veel Bulgaarse vrouwen ontmoet die het in hun eentje of samen met hun dochter hebben gered, door ontzettend hard te werken, soms zonder pauze, zoals Galia die zonder shampoo haar haren waste.

Ik heb ook veel kunnen lachen met hen. Zoals met Pavlina, tolk en factotum, die me vertelde over hoe ze door haar Nederlandse ex-vriend hoogzwanger op straat werd gezet. Uiteindelijk mocht ze zich inschrijven op het adres van een buurman, want anders had ze hier niet mogen bevallen. Hun kind, nu een tiener, is nooit in het huis van de vader geweest, zegt ze zonder bitterheid, eerder verwonderd, en ze moest de man voor de rechter slepen om met terugwerkende kracht alimentatie en vaderschap af te dwingen. En ondanks dit alles is Pavlina een van de meest vitale en leuke mensen die ik de laatste tijd heb ontmoet. ‘Ik fiets al twintig jaar tegen de Nederlandse wind in’, lacht ze met haar hoge stem. Ze heeft eindelijk een elektrische fiets gekocht, maar ze bedoelde het metaforisch, niet letterlijk.

Veel Bulgaarse vrouwen werken als au-pair in Den Haag. De meesten kennen nog geen woord Nederlands als ze bij hun eerste ‘familie’ zijn, maar ze zijn goedkoop, ze werken hard en veel gezinnen waar ze werken zijn expats die zelf ook geen Nederlands spreken. Buitenlandse werknemers die buitenlandse werknemers in dienst nemen.

Na maandenlang met zoveel verschillende migranten, Polen, Roemenen en Bulgaren, maar ook Portugezen, te hebben gesproken, kom ik tot de conclusie dat niet de taal en het land van herkomst hen onderscheidt, maar hun klasse, hun kring. Waar ze werken en welke educatie ze hebben. De taal was, met tolk of zonder, geen barrière. Ook zonder tolk begrijp je uit hun stilte, als je om half vijf in de ochtend op het Paul Krugerplein staat, hun verhaal. Die verhalen lijken ontzettend veel op elkaar, om die reden ben ik op een bepaald moment ook gestopt met het vragenformulier. Ik wilde de verhalen horen.

Mehmet (28) uit Bulgarije kon geen vast contract krijgen, omdat hij de taal niet spreekt. Zijn baas, eveneens Bulgaar, wel. Die wordt ook beter betaald.

Het gaat niet om integratie, het gaat om decent leven. Integratie lijkt een luxe als je om half vijf ’s ochtends op het Paul Krugerplein staat, een privilege dat voor anderen is, degenen die opstaan als het buiten al licht is.

Er is sprake van afgehakte vingers, omdat de arbeidsmigrant in kwestie begon te ‘praten’

Als het over migranten gaat, spreekt de Nederlander snel in categorieën: ‘de’ Syriër, ‘de’ Roemeen, ‘de’ Bulgaar, ‘de’ Pool. Terwijl iedereen een wereld op zich is, met een eigen geschiedenis. Van de jonge Bulgaar die om vier uur in de ochtend met zijn ogen en handen spreekt terwijl hij staat te wachten op het busje dat hem naar de kassen zal brengen, tot de geprivilegieerde Roemeense expat Valentin, die zichzelf en zijn vriend al als pensionado’s in Gran Canaria ziet. Hij is om meerdere redenen naar Nederland gekomen: de situatie van de gay-gemeenschap in Roemenië en Rosia Montana. Samen met honderden anderen demonstreerde hij destijds dagelijks tegen de mijnbouw met gebruik van cyanide in Roemenië en op Facebook vroeg hij zich hardop af waarom zijn kennissen met kinderen niet protesteerden, het ging immers om hun toekomst. Hij werd vervolgens afgemaakt op de sociale media.

Toen hebben hij en zijn partner besloten te emigreren. Nederland was het vierde land op hun lijstje. Valentin woont nu in een van de beste wijken in Den Haag, maar voelt zich als migrant wel gediscrimineerd. Verkopers zien meteen dat hij expat is en vragen enorme prijzen voor hun producten. Het gebeurt heel vaak. ‘Stereotiep Nederlands’, zegt hij. Maar zijn vriend en hij zijn vanaf het begin geassimileerd. De gay community heeft zoveel voor hen gedaan dat ze zich afvragen hoe het straight personen lukt om te integreren, zonder zo’n gemeenschap om zich heen.

Ik sta voor een Poolse winkel, waar ik al eerder ben geweest, en verrast was hoe groot het Poolse gebak is. Een man die duidelijk bij de winkel hoort, staat buiten te roken. Nee, hij is geen Pool, vertelt hij. Hij is Koerd. ‘Ah’, zeg ik, ‘van de explosies.’ Hij lacht. Hij is een Iraakse Koerd. ‘Vroeger onderdrukt, nu niet meer.’ Auad heet hij. Hij probeert de kassamedewerker, die ik ‘haar’ had genoemd terwijl ‘zij’ een ‘hij’ was, te overtuigen om mijn vragenlijst in te vullen. De jonge hermafrodiet, wiens tedere gezicht me doet denken aan de jongen Tadzio uit Death in Venice, ook van Poolse afkomst, schudt zijn hoofd. ‘Je moet praten’, zeg ik, ‘anders denken de Haagse politici dat Polen niet willen integreren.’ Maar recht op zwijgen hebben zelfs de minderheden. Verderop heb ik meer geluk bij een accountantskantoor met een Poolse vlag. Morgen om 11:30 uur een interview.

‘Als de Polen weggaan wordt Nederland armer’, zegt de vijftigjarige Darius de volgende dag. Darius is opa, gescheiden, vijftien jaar geleden met twee tassen uit Polen gekomen. Om opnieuw te beginnen. En een nieuw begin is hem wel gegund. Vandaag de dag heeft hij zijn eigen boekhoudkantoor in Den Haag, waar hij ‘alles’ voor Polen doet, behalve werk en een huis voor hen zoeken: ‘Afspraken regelen, vertalen, de boekhouding voor degenen, niet weinig in aantal, die het gemaakt hebben in Nederland.’

Darius vervolgt: ‘Nederland is goed voor slimme en hardwerkende mensen. De luie gaan terug.’

Wat hij zelf gaat doen als hij met pensioen gaat? ‘Bora Bora’, lacht hij. ‘Maar ik wil een vakantiehuis en een gewoon huis. Allebei in Nederland.’

Of de Polen hier hard werken?

‘Geen Nederlander werkt zestig uur per week, inclusief de zaterdag, alleen de Polen en Marokkanen’, zegt Darius. Hij weet het ‘uit ervaring’.

Uit de gesprekken die ik zelf met Polen heb gevoerd, komt het volgende beeld naar voren: Polen zitten in alle compartimenten van de Haagse maatschappij en lijken van de drie groepen misschien de meest ingeburgerde. Ook omdat er veel meer Polen dan Roemenen en Bulgaren in Den Haag zitten. Polen willen je ook corrigeren als je ze Oost-Europeanen noemt, Midden-Europeaan vinden ze beter.

Het is moeilijk om niet ook te denken aan de twee Poolse vrouwen die mogelijk hun baby’s verloren omdat hun werk te zwaar was. Ik probeer met hen in contact te komen, maar ze willen niets meer met Nederland te maken hebben. Ik neem kennis van de situatie van de uitzendbureaus in mijn wijk. Of migranten hier blijven of na een aantal jaren terugkeren, is de meest egoïstische vraag die door de politiek wordt gesteld. Het ware probleem is gelegen in de omstandigheden waarin ze werken. Ze spreken de taal niet, vaak tekenen ze een contract zonder het te lezen, omdat het in het Nederlands of Engels is gesteld. ‘Een van de laatste fraudemogelijkheden’, zegt Hans Thunnissen van Polska Porada.

Thunnissen vertelt graag over enkele ‘uitzendbureaus’ die sjoemelen met zaken als ziektewetuitkeringen. ‘Het uwv is niet op de hoogte en zodoende te goeder trouw’, stelt Thunnissen. Hij legt uit hoe het werkt: de medewerkers worden hier veelal via een vooropgezet plan in meegenomen. Ze verblijven een paar maanden in het land van herkomst. In overleg met het uitzendbureau mogen enige werkzaamheden worden verricht, maar de gemaakte uren worden niet opgegeven zodat de uitzendkrachten hier zomaar een extraatje kunnen bijverdienen, want de uitkering blijft doorlopen. Zo hebben deze mensen een dubbel inkomen. En uiteraard krijgt het uitzendbureau zijn deel.

De migranten worden regelmatig geïntimideerd en mishandeld, niet goed of alleen contant uitbetaald, zoals sommige bureaus elke vrijdag op een terrein in Rotterdam doen volgens Thunnissen. Durven klagen betekent geïntimideerd worden; er wordt zelfs gesproken van verkrachtingen.

‘Waar?’ vraag ik meteen.

‘Bij de gasten die snel wisselen van krachten.’

‘Door wie?’

‘Door de teamleiders van de uitzendbureaus. De recruters kiezen niet alle vrouwen. Ze nemen de mooiste in dienst. Eenmaal in Nederland worden ze afhankelijk van het uitzendbureau, dat hun paspoort inhoudt en alles voor hen regelt. Niemand wil met je praten over verkrachtingen en de politie bemoeit zich er niet mee als er geen aangifte is.’

Ik kom terug op het verhaal van de twee Poolse vrouwen, Monika (25) en de iets oudere Dorothea, van wie de baby’s vorig jaar, tijdens corona, dood geboren werden. Bij een kwekerij. Thunnissen vertelt het verhaal van Monika: het was warm, 35 graden, en de zwangere Monika vroeg aan de baas of ze vijf minuten pauze mocht. ‘Liever niet’, was het antwoord. Het uitzendbureau werd gebeld, er kwam iemand, er werd geduwd en getrokken, gevochten en Monika werd geslagen in haar buik. Haar baby werd dood geboren. Naar verluidt is er een schikking getroffen. Ik informeer naar de andere vrouw. ‘Die werd met een pistool bedreigd. Door de shock verloor ze haar baby.’ Mijn verzoek om een interview wordt door Monika en Dorothea afgewezen.

Naarmate mijn onderzoek vordert, worden de verhalen steeds donkerder. Er is sprake van afgehakte vingers, omdat de arbeidsmigrant in kwestie begon te ‘praten’. Ik weet niet meer of ik alles niet juist erger maak voor degene die ik vraag om te praten. Sowieso is het wantrouwen groot. De migrant geeft zich niet bloot. Nog onlangs werden er twee dode migranten op een boot gevonden, regelmatig worden er ook mensen buiten slapend aangetroffen, ze worden weggestuurd zonder een cent op zak.

Thunnissen heeft een kantoor in het Westland, waar hij mij zijn dossiers laat zien. Dossiers over talloze gevallen van misbruik van een migrant. Misbruik omdat hij de taal niet spreekt en niet kan of durft te reageren. Een deel van de papieren mag ik fotograferen. Of het makkelijk is om gerechtigheid voor deze migranten te krijgen? ‘Ik neem altijd een andere weg naar huis’, zegt Thunnissen kalm. ‘Er werd een paar keer op mijn auto geschoten.’

‘Uitzendbureaus moeten een certificaat hebben, inleners kunnen een boete krijgen van achtduizend euro per werknemer als ze in zee gaan met een uitzendbureau zonder. Uitzendbazen kunnen een bestuursverbod krijgen als ze in de fout gaan. Daarnaast moeten zorg en huisvesting los komen te staan van arbeid. En een arbeidsmigrant moet minstens twee maanden werkgarantie hebben bij aankomst in Nederland’, luidt het advies van Emile Roemer in het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, waarvan de oud-SP-voorman voorzitter is. ‘Maar we weten al veel langer dat er dingen misgaan in deze sector. Het onderwerp staat al twintig jaar op de agenda.’

Er zullen altijd migranten naar Nederland blijven komen. Een deel van hen zal hier blijven, een deel zal terugkeren en een deel zal blijven pendelen ‘op zee’, zoals Odysseus. Bij veel van de verhalen van de migranten moest ik denken aan de rivier die bang was om in zee te vloeien, de rivier die wist dat ze door bossen en dorpen had gestroomd en niet meer kon terugkeren naar de plek vanwaar ze was ontsprongen.

Een migrant is een rivier die soms wel terugkeert naar de plek waarvan hij is ontsprongen, maar nooit meer dezelfde zal zijn.

Dit artikel kwam tot stand met steun van Stichting Luis in de Pels, fonds voor politieke en onderzoeksjournalistiek voor de regio Haaglanden