Eric Zemmour © Konstantinos Papamichalopoulos

Naar het model van de Verenigde Nederlanden roept hugenotenstad La Rochelle in 1627 zijn onafhankelijkheid uit. Dit tot grote zorgen van kardinaal Richelieu, die vreest dat de kuststad een staat binnen de katholieke Franse staat zal worden en als zodanig de koning zal bedreigen, eventueel met hulp vanuit Engeland. Besloten wordt tot een beleg. Nadat de toegang tot het vasteland is afgesloten laat Richelieu een dijk van anderhalve kilometer lang en twintig meter hoog aanleggen. De Franse vloot blokkeert de ingang van de haven. Op die manier raakt de stad geleidelijk verstoken van levensmiddelen. Bewoners eten katten, honden, paarden, tot het niet meer gaat en op 28 oktober 1628 capituleert het protestantse bastion roemloos.

Het beleg van La Rochelle figureert prominent in Le suicide français (2014), het succès à scandale van de Franse publicist Éric Zemmour (vijfhonderdduizend exemplaren verkocht). Dat is niet voor niets, want voor Zemmour, die in april een gooi hoopt te doen naar het Franse presidentschap, zijn er belangrijke parallellen te trekken met het heden. De hugenoten van toen zijn de moslims van nu. La Rochelle staat voor de banlieues en de Hertog van Buckingham voor de rijke Golf-Arabieren. Door onoplettendheid van de Franse elites heeft het kunnen gebeuren dat de grote steden ‘omsingeld’ zijn geraakt door ‘islamitische forten’. Een eigentijdse Richelieu is nodig om daarmee af te rekenen. Toen hij in een interview werd bevraagd over de passage stelde Zemmour onomwonden dat de islam ‘de vijand’ was en een burgeroorlog nog slechts een kwestie van tijd.

Bij gebrek aan een Richelieu, een Napoleon of De Gaulle heeft Zemmour nu dus besloten om eigenhandig de taak op zich te nemen. Het lijkt nog slechts een kwestie van dagen of hij stelt zich officieel kandidaat voor het presidentschap. ‘De twaalf werken van Hercules’, kopte het identitair-rechtse weekblad Valeurs Actuelles onlangs. Aan Zemmour om de augiasstal die Frankrijk heet uit te mesten.

Zemmour shockeerde eerder met uitspraken over vrouwen, homo’s en joden. Hij trok – hoewel zelf joods – de onschuld van de wegens landverraad veroordeelde joodse kapitein Alfred Dreyfus in twijfel en kwam – tot ontzetting van velen, niet in de laatste plaats de joodse gemeenschap – met een verdediging van het met de nazi’s collaborerende Vichy-regime. Hij hintte eens op de deportatie van vijf miljoen moslims en propageert de theorie van de Grand Remplacement, een complottheorie die stelt dat westerse elites de autochtone witte bevolking proberen te vervangen door moslims en zwarte mensen.

Zemmour eist een verbod op familiehereniging, wil Frankrijk uit de navo halen en het gebruik van ‘niet-Franse’ voornamen verbieden. Dit alles om dat wat hij ziet als de Franse identiteit veilig te stellen. Of beter: dat wat daar nog van over is, want elites hebben volgens hem de afgelopen vijftig jaar uit alle macht geprobeerd om deze identiteit stuk te maken. Zemmour heeft meerdere veroordelingen wegens haatzaaien op zijn naam staan, maar zijn harde nationalistische boodschap legde hem geen windeieren.

Afgelopen maanden ontpopte hij zich als een geduchte concurrent van Marine Le Pen, lange tijd de gedoodverfde uitdager van president Macron. ‘Zemmour, dat is l’extrême droite décomplexé’, hield de liberaal-conservatieve essayist Alain-Gérard Slama me recent voor tijdens een wandeling langs de Seine. Een uiterst rechts dat zich niet verhult, maar zich juist in het volle daglicht toont. Dat is opmerkelijk, want het idee was lang dat, wilde dit rechts een kans maken op de macht, het de harde kantjes eraf diende te vijlen. Daarop was ook de strategie van dédiabolisation van Marine Le Pen het afgelopen decennium gericht. Ze wilde haar partij ontdoen van het etno-nationalisme van haar vader, Jean-Marie. Maar met Zemmour is dat juist helemaal terug.

Hij pleit onomwonden voor een terugkeer naar het witte en katholieke Frankrijk van de jaren vijftig – een droomwereld die nog niet is aangetast door niet-westerse migranten of de ondermijnende denkbeelden van 1968. Een wereld waarin vrouwen en homo’s hun plaats kennen en politici zich niet door Brussel of Washington laten ringeloren. De vergelijkingen met Donald Trump zijn in de Franse media niet van de lucht, en hoewel er grote verschillen bestaan tussen de iele essayist en de onbehouwen zakenman valt daar wel iets voor te zeggen.

Beiden waren al bekend bij het publiek ver voor ze in de politiek gingen, en allebei weten ze hoe ze door schandaal te veroorzaken steeds in het brandpunt van de publieke belangstelling blijven. Zoals destijds bij Trump kunnen ook de media geen genoeg van Zemmour krijgen, ook de linkse niet. Weekblad l’Obs publiceerde onlangs nog een omineus dossier waarin Zemmour langs de meetlat werd gelegd van Franse ultra-nationalisten en monarchisten uit het interbellum die hij als helden ziet. Net als Trump weet Zemmour de vinger te leggen op angsten die diep in de samenleving sluimeren, en net als Trump geeft hij daar een nationalistische draai aan. En steeds is er sprake van een existentieel gevaar, een danger mortel, doorgaans in de vorm van migranten.

Waar Trump sprak over verkrachtende Mexicanen, daar heeft Zemmour het over brandschattende bendes Roma, Kosovaren, Maghrebijnen en Afrikanen. Allebei presenteren ze zich als outsiders die zeggen af te rekenen met het decadente en corrupte establishment, dat de belangen van het hardwerkende volk te grabbel heeft gegooid. En allebei kunnen ze rekenen op steun van machtige zakenmannen die hun ideeën delen. In het geval van Zemmour is dat de Bretonse magnaat Vincent Bolloré, tevens eigenaar van CNews, een populaire 24-uurs-nieuwszender, waar Zemmour niet weg te slaan is.

Ieder op hun eigen manier weerspiegelen Trump en Zemmour de aspiraties van hun beider landen, en zijn het tegelijk ook oplichters die met alles wegkomen. Trump appelleert aan de Amerikaanse obsessie met individueel succes en rijkdom; Zemmour aan het Franse zwak voor cultuur en eruditie. Maar waar Trump zijn zakenimperium bouwde op schulden, winkelt Zemmour naar believen in de geschiedenis. Net als bij Trump krijgen tegenstanders geen vat op Zemmour. Amerikaanse journalisten konden factchecken tot ze een ons wogen, menig Franse historicus liep gefrustreerd de tv-studio uit na een verloren confrontatie met de verbaal uiterst begaafde Zemmour.

Éric Zemmour voor een debat ter promotie van zijn boek La France n’a pas dit son dernier mot. Versailles, 19 oktober © Chesnot / Getty Images
‘Zijn joods-zijn beschermt hem’, zei Jean-Marie Le Pen onlangs. ‘Als ik de dingen zou zeggen die Zemmour zegt, zou ik onmiddellijk op de brandstapel worden gezet’

Het noopte de bekende migratiehistoricus Gérard Noiriel in 2018 tot de publicatie van Le venin dans la plume, een bijtend boek dat een vergelijking maakt tussen de negentiende-eeuwse polemist Edouard Drumont en Éric Zemmour. ‘Historici zijn geen partij voor Zemmour, omdat hij zich aan geen enkele regel voor wetenschappelijk onderzoek houdt’, zegt Noiriel telefonisch. Volgens Noiriel schuilt de polemische kracht van Zemmour erin dat hij voortdurend speelt op de emotie, op het scheppen van een ‘wij’ en een ‘zij’.

Le venin dans la plume (Het gif in de pen) legt de opvallende overeenkomsten in retoriek bloot tussen Zemmour en Drumont, auteur van het beruchte antisemitische pamflet La France juive (1886). Steeds weer is er de natie – la France eternelle – die door buitenstaanders wordt bedreigd; bij Drumont door de joden, bij Zemmour door moslims. Tegelijk is er altijd ook de notie van decadentie: de zittende elites hebben zich mee laten slepen door universalistisch verlichtingsdenken en hebben zodoende niet langer oog voor het particuliere, het unieke dat Frankrijk al duizend jaar tot Frankrijk maakt – het zo ten prooi latend aan de vijanden die het bedreigen.

Deze vijanden verenigen zich in wat de roemruchte antirevolutionair Joseph de Maistre ooit la secte noemde en die zich in de radicaal- rechtse verbeelding tot op de dag van vandaag in steeds wisselende samenstelling manifesteert. Bij De Maistre is het, behalve de protestanten, de vrijmetselaars en de joden, ook iedereen die zich beroept op abstracte principes, het individuele bewustzijn, of die een rationele ordening van de maatschappij voorstaat. Het zijn de idealisten, de materialisten, de utilitaristen, sowieso alle reformisten en revolutionairen. Dat is ‘de sekte, en ze slaapt nooit’. Vandaag de dag vallen naast moslims zeker ook de de ‘cultuurmarxisten’ en de ‘islamogauchisten’ onder. En vanzelfsprekend alles dat riekt naar ‘woke’.

Noiriel wijst in zijn boek ook op omgevingsfactoren die hebben bijgedragen aan het succes van zowel Drumont als Zemmour: een crisis van het liberalisme, die voor ongelijkheid en spanning in de samenleving zorgt, alsook de opkomst van nieuwe media (kranten voor een massapubliek bij Drumont; sociale media en 24-uurs-nieuwszenders bij Zemmour).

Trump wist zich meester te maken van de Republikeinse Partij; Zemmour moet het buiten een gevestigde politieke partij stellen. Maar sinds de verrassende overwinning van Macron in 2017 weet hij dat dit geen belemmering hoeft te zijn. Hij beoogt een synthese tussen de conservatieve bourgeoisie in de steden en het Frankrijk van de gele hesjes. Samen met Le Pen is hij in de peilingen goed voor zo’n dertig procent van de stemmen. Tel daar nog een paar procent van de soevereinist Nicolas Dupont-Aignan bij op en je begrijpt waarom bij Les Républicains (LR) de alarmbellen aan het rinkelen zijn geslagen.

Inmiddels spreken kandidaten van de centrum- rechtse partij in de meest scherpe bewoordingen over thema’s als veiligheid en immigratie. Een scheuring valt niet uit te sluiten. Afgelopen week kondigde partijprominent Renaud Muselier aan LR vanwege de snelle verrechtsing te verlaten. In een verklaring beriep hij zich op zijn grootvader, die in het verzet gezeten had, en stelde dat de grens met radicaal-rechts fluïde was geworden.

Zelfs Macron, die als zittend president liefst zo lang mogelijk buiten de politieke arena wil blijven, zag zich genoodzaakt om op Zemmour te reageren. Macron hekelde de ‘vernauwing’ van het debat over de Franse identiteit en de obsessie met ‘voornamen’.

In de recentste peilingen vlakt Zemmour wat af, maar hij maakt nog steeds een goede kans om door te dringen tot de tweede ronde. Uit hoe zijn thema’s het debat op rechts beheersen blijkt eens te meer dat het radicaal-rechtse momentum allerminst voorbij is. Sterker: het zoekt steeds nadrukkelijker aansluiting bij een oudere extreem-rechtse traditie. Tot voor kort was dat ondenkbaar, de kloof die de Tweede Wereldoorlog had geslagen was simpelweg te groot. Zemmour tracht die nu te overbruggen; in Nederland is het Thierry Baudet die dat actief probeert.

Zemmour doet dat via een omweg: hij wil aantonen dat het Vichy-regime van maarschalk Pétain niet het absolute kwaad is waartoe het na de oorlog is uitgegroeid. Hoe valt anders te verklaren dat het overgrote deel van de Franse joden de oorlog heeft overleefd? Zó diabolisch kon Vichy dus ook weer niet zijn. Maar volgens vakhistorici is dat voorbarig. Zij zeggen: Vichy maakte inderdaad aanvankelijk een onderscheid tussen Franse joden en buitenlandse joden, maar dat feit alleen verklaart niet waarom in vergelijking met omliggende landen relatief veel Franse joden de oorlog overleefden. ‘Wie dat op het conto van Vichy schrijft miskent het diep-antisemitische karakter van dat regime, zegt de bekende holocaust-onderzoeker Jean-Marc Dreyfus. Vichy aarzelde geen seconde toen het door de nazi’s gevraagd werd om buitenlandse joden uit te leveren, en naarmate de oorlog vorderde werd er steeds minder onderscheid gemaakt tussen Franse en buitenlandse joden. Als de Franse joden werden “gered”, dan was dat door het einde van de oorlog, niet door Vichy.’

Volgens Étienne Girard, auteur van Le radicalisé, een beknopte biografie van Zemmour, is er een politieke verklaring voor het relativeren van Vichy. In zijn verlangen om multicultureel links te verpletteren zou Zemmour het oude gaullisme willen verenigen met de erfgenamen van het pétainisme, traditionalistisch katholieken met name. Bovendien kan hij zo aansluiten bij de intellectuele traditie van het Franse nationalisme, zoals dat werd gepropageerd door antisemieten als Maurice Barrès en Charles Maurras, figuren over wie Zemmour in zijn boeken lof zingt. ‘Het pétainisme van gisteren ontdemoniseren om het harde rechts van morgen mogelijk te maken, wie zag dat aankomen?’ schrijft Girard.

Baudet beoogt iets soortgelijks. Wat hem dwarszit is de stellige overtuiging dat de interpretatie van de Tweede Wereldoorlog is gemonopoliseerd door uitgesproken tegenstanders van de natiestaat. Hierin wordt het door Baudet gekoesterde nationalisme aangewezen als veroorzaker van alle ellende, met de holocaust als inktzwart eindpunt. Maar in het revisionisme van Baudet wáren de nazi’s helemaal geen nationalisten. Op 17 november wond hij zich in de Tweede Kamer nog op over het ‘hele discours van de Europese Unie, dat gebaseerd is op een bepaalde interpretatie van de Tweede Wereldoorlog, (…) over wat nationalisme al dan niet tot gevolg zou hebben.’

De centrale these is dat na De Gaulle’s dood alles slechter werd. Zemmour: ‘Wat veertig Franse koningen hebben opgebouwd, is in veertig jaar tijd afgebroken’

Baudet wil het nationalisme redden van de nazi’s, soit. Het is niet zijn eerste intellectuele salto mortale. Maar dat uitgerekend iemand van joodse afkomst aansluiting zoekt bij de traditie van het Franse etno-nationalisme is een macabere ironie. Iemand die dit als geen ander beseft is Zemmours oude vriend Jean-Marie Le Pen. ‘Zijn joods-zijn beschermt hem’, becommentarieerde Le Pen onlangs. ‘Als ik de dingen zou zeggen die Zemmour zegt, zou ik onmiddellijk op de brandstapel worden gezet’.

Zemmour op bezoek aan de Made in France-fair in Porte de Versailles. Parijs, 14 november © Thomas Samson / AFP / ANP

Éric Zemmour wordt in 1958 geboren als zoon van Sefardische joden die kort na het uitbreken van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog naar het Franse vasteland waren gevlucht. Hij groeit op in Drancy, even boven Parijs, waar op dat moment de eerste flatwijken worden gebouwd. Zemmour zou daar later met enige nostalgie over schrijven, en ook over hoe hij er veel later, door een zwarte man die hem herkent van televisie, gemaand wordt zich uit de voeten te maken. Zemmours vader werkte als ambulancerijder; zijn moeder was huisvrouw.

Later verhuist het gezin naar de buurt rond treinstation Gare du Nord, waar hij een joods lyceum bezoekt. Als tiener droomt hij weg bij romans van Dumas, Stendal en Balzac. Zijn favoriete personage is Eugène de Rubempré, het hoofdpersonage uit Balzacs Les illusions perdues, een journalist die het liefst historische romans zou schrijven. Vooral de scène waarin Rubempré een artikel voorleest te midden van een groep actrices, die hem vervolgens bewonderend toejuicht, bevalt de jonge Zemmour. ‘Toen had ik het’, zou hij daar later over zeggen, ‘ik wil journalist worden!’

Na het lycée slaagt hij erin te worden toegelaten tot de Parijse eliteschool Sciences Po, maar doorstromen naar de nóg elitairdere ambtenarenopleiding ena lukt niet. In plaats daarvan belandt hij als copywriter bij een reclamebureau. Dat is niet bepaald wat hem voor ogen staat en hij herinnert zich de woorden van Maurice Barrès, de ultra-nationalist wiens romans hij op dat moment verslindt: ‘Jong, oneindig gevoelig, en soms wellicht vernederd, dan ben je klaar voor de ambitie.’ Via via slaagt hij erin een plek te bemachtigen bij de vrijgevochten krant Le Quotidien de Paris, en van daaruit door te stoten naar Le Figaro.

Over Zemmours begintijd bij dit conservatieve dagblad gaat het verhaal dat hij bij de hoofdredactie wil afdwingen dat zijn naam boven aan zijn artikelen wordt afgedrukt in plaats van onder aan, wat de gewoonte is. Hij wordt op staande voet ontslagen (zonder dat daar gevolg aan wordt gegeven). Als politiek journalist volgt Zemmour het Front National en bouwt hij een vriendschap op met Jean-Marie Le Pen. Binnenskamers toont hij zich voorstander van een grote partij op rechts, waarvan ook het FN deel uitmaakt.

Na een paar jaar weet hij door te stoten naar de televisie. Hij publiceert zo nu en dan een boek, maar zijn doorbraak komt met Le premier sexe (2006), een knipoog naar De Beauvoirs beroemde verhandeling en een aanklacht tegen wat Zemmour de ‘feminisering van de samenleving’ noemt. De vrouwenemancipatie is doorgeschoten, meent hij; Franse mannen zijn gedomesticeerd tot luiers verschonende castraten. Dit zou nog tot daaraan toe zijn, ware het niet dat de jonge Arabieren die zich op het Franse grondgebied bevinden nog wél viriel zijn. ‘Het zijn de veroveraars van een stad zonder muren; de andere jongens observeren hen met een mengeling van angst en jaloezie.’

De oplossing lag niet direct voor de hand, want een castratie maak je niet zomaar ongedaan. Sommigen probeerden het, maar dan als sublimatie, in de vorm van een stem op Le Pen, als een ‘soort fallus bij volmacht’. Zemmour zou niet hebben kunnen bevroeden hoezeer dit thema in radicaal-rechtse kringen zou worden opgepakt, zeker na de vluchtelingencrisis van 2015.

Le premier sexe vestigt Zemmours reputatie als polemist en opent de deuren naar de grote talkshows, want zo gaat dat nu eenmaal. De voorlopige kroon op zijn werk is het eerder aangehaalde Le suicide français, een traktaat dat past in een lange traditie van Franse ondergangsliteratuur en waarvan ook Michel Houellebecq een exponent is. Sinds de dood van generaal De Gaulle in 1970 is alles eigenlijk slechter geworden, zo zou je de centrale these kunnen samenvatten. ‘Wat veertig Franse koningen hebben opgebouwd, werd in veertig jaar tijd afgebroken’, schrijft Zemmour. De traditionele familie, de republikeinse school met haar tucht en rijtjes stampen, de Franse soevereiniteit, het primaat van de politiek, de trotse kleine boer, de winkelier, de viriele heteroman, het staatsgezag, de nationale trots – dat alles is ‘opgelost in de “ijzige wateren” van de individualisering en de zelfhaat’.

De achteruitgang die Zemmour eigenlijk overal waarnam was het gevolg van een keten van beslissingen en gebeurtenissen. Dat gold voor de banlieue, maar ook voor bijvoorbeeld de hypermarchés die de kleine middenstand uit de stadscentra hadden verjaagd en daarmee, behalve lelijkheid en smaakvervlakking, ook voor kaalslag zorgden. Of voor de scholen die ten onder gingen aan een opeenstapeling van goedbedoelde maar fnuikende hervormingen. Het desastreuze eindresultaat was door niemand tevoren uitgedacht, laat staan gewild, maar toch draaide het daar telkens op uit.

Directe schuldigen waren er niet, verantwoordelijken wel, de politieke en intellectuele elites met name. De politieke elite omdat die de poorten had opengezet voor vrijhandel en moslims; de intellectuele elite omdat die het deconstructivisme van de jaren zestig had omhelst. Dit had alle traditionele structuren ondermijnd: familie, natie, werk, de school, het staatsgezag. Het maakte de argeloze burgers een gemakkelijke prooi voor de markteconomie die ze omvormde tot zielloze en verweekte consumenten.

Het tekent het verraad dat de politiek, van links tot rechts, volgens Zemmour heeft gepleegd. Bijvoorbeeld op het dossier van immigratie: rechts dat de werkgevers ruim baan gaf om goedkope arbeidskrachten te importeren; links dat vervolgens niets deed om immigranten tot assimilatie te dwingen en hen aan hun lot overliet. Een oplossing is er eigenlijk niet. De Gaulle is dood en begraven, net als het Frankrijk dat hij achterliet. De toekomst ligt ergens tussen Disneyland en de Balkan, tussen een attractiepark en een burgeroorlog.

Het is geen boodschap om een verkiezingscampagne mee in te gaan, en daarom publiceerde Zemmour afgelopen zomer inderhaast nog een vervolg met een wat positievere titel: La France n’a pas dit son dernier mot. Hierin ziet het er nog steeds vrij somber uit, maar niet alles is verloren. De Gaulle had zijn zaakjes op orde: eerst kwam Frankrijk, vervolgens de staat en dan pas het recht. Maar in de loop van de tijd is die volgorde omgedraaid. Volgens Zemmour hangt de toekomst van Frankrijk af van de vraag of die hiërarchie hersteld kan worden. Of hij de tweede ronde haalt weten we in april. De toon in Frankrijk heeft hij al wel gezet.