Kunst: Louvre Abu Dhabi

De vinger van de sjeik

In het eerste universele museum van de Arabische wereld staan een koran, een bijbel en een thora gebroederlijk naast elkaar. Het charmeoffensief van het Louvre Abu Dhabi draait op volle toeren.

Medium img 5155
Louvre Abu Dhabi, architect Jean Nouvel

Ergens in de zanderige berm langs de lange snelweg tussen Dubai en Abu Dhabi, leunend op twee betonnen voeten, staat het hoofd van Vincent van Gogh. Het is een zelfportret uit 1887, geschilderd een paar jaar voor zijn dood, en het eerste kunstwerk dat je tegenkomt op tien billboards met reproducties uit de kunstgeschiedenis. Van Gogh kijkt met een schuin oog naar de twee keer vier banen razend verkeer onder hem, in de honderd kilometer achter hem volgen nog onder anderen George Washington op een schilderij van Gilbert Stuart, De fluitspeler van Édouard Manet en La belle ferronnière van Leonardo da Vinci, een onbekende jonge vrouw die haar blik dromerig opslaat naar de lucht. Wat ze met elkaar delen is dat het nieuwkomers in de regio zijn, een mix van gasten ingevlogen uit Franse musea en de eerste, permanente bewoners van het Louvre Abu Dhabi, aangekocht bij veilinghuizen, galeries en collecties toen ze het afgelopen decennium op de kunstmarkt verschenen.

Op 6 maart 2007 tekenden de overheden van Frankrijk en de Verenigde Arabische Emiraten een contract van zo’n 1,3 miljard dollar: 520 miljoen betaalde Abu Dhabi aan Frankrijk voor het gebruik van de naam ‘Louvre’ voor een periode van dertig jaar en zes maanden, 747 miljoen voor het lenen van steeds driehonderd kunstwerken uit de collectie van dertien Franse musea plus training en management voor een periode van tien jaar en de inrichting van wisselende tentoonstellingen voor vijftien jaar.

In juli 2007 werd de Agence France-Muséums opgericht om de komst van het nieuwe museum van A tot Z te begeleiden, met conservator Jean-François Charnier aan het hoofd. Er moest een collectie komen en een team van overwegend Franse conservatoren van grote musea ging aan de slag met een aankoopbudget dat volgens The New York Times in 2009 bestond uit meer dan 56 miljoen dollar per jaar. De eerste aankoop was een Piet Mondriaan, Compositie met blauw, rood, geel en zwart uit 1922. De curatoren kochten het schilderij op een veiling van de collectie van Yves Saint Laurent en partner Pierre Bergé voor 21,5 miljoen euro. De Franse sterarchitect Jean Nouvel, die in Parijs al het Institut du Monde Arabe ontwierp, kreeg de opdracht voor een iconisch gebouw en er werd een Franse directeur voor het nieuwe museum aangesteld, Manuel Rabaté.

Frankrijk zelf kreeg in mei 2017 een nieuwe president. Aan het eind van de beslissende verkiezingsdag in Parijs toog Emmanuel Macron naar het Louvre waar hij zijn aanhang toesprak voor de glazen piramide van het museum, en de overwinning vierde.

Jarenlang werd er gejuicht bij een aankoop, gejoeld bij de verschijning van weer een rapport over lokale arbeidsomstandigheden, het hardst door de Gulf Labor Artist Coalition, gespeculeerd bij weer uitstel van de opening. Maar op 11 november 2017, tien jaar na het tekenen van het contract, opende het Louvre Abu Dhabi na een bezoek van president Macron en de kroonprins van Abu Dhabi voor publiek. Beelden van een koepel boven een lommerrijke binnentuin met imposante kunst, waar het daglicht als een zwerm witte sterren naar binnen valt, gaan sindsdien de wereld over. Maar elders in de tuin, wat verstopt achter een glazen wand, hangt nog een opmerkelijk kunstwerk. Een tekening die vertrekt vanuit de vingerafdruk van de leider van Abu Dhabi, ook president van de Verenigde Arabische Emiraten, sjeik Zayed bin Sultan Al Nahyan, en uitwaaiert in honderden cirkels, met de vinger als de kern van een eeuwenoude boom. ‘De ontkieming van een lijn, die transformeert tot golvende rimpelingen, laat zien hoe een oneindige ruimte kan voortkomen uit een simpele actie.’ Verspreiding van Giuseppe Penone is een diepe buiging voor een grote leider, en dat voor een kunstenaar van de arte povera.

Het gerucht doet de ronde dat sinds de opening geen mens op het museum af kwam, maar op een zaterdagochtend in maart is de uitgestrekte parkeerplaats goed gevuld. Het Louvre Abu Dhabi staat op een opgespoten stuk grond voor de kust, eiland Saadiyat, en wordt op het vasteland goeddeels aan het oog onttrokken door de wolk smog die hier veruit de meeste dagen van het jaar op de horizon rust. Maar ook van dichtbij is het gebouw moeilijk te bekijken, zo oogverblindend wit zijn de muren in de voorjaarszon. De architectuur zelf is weinig spectaculair vergeleken bij de zichzelf in de lucht borende, om hun as draaiende en zo ver als natuurkundig maar mogelijk voorover hellende torens elders in de stad. De koepel van Nouvel hangt lager dan gedacht boven het azuurblauwe zeewater en wordt deels uit het zicht gehouden door vele kleine kubussen die er tegenaan liggen, als noodgebouwen die op een dag kwamen aandrijven. Het klimaat kent geen genade: langs de belettering bij de entree lopen nu al bruine vegen, woestijnzand of neerslag van de extreme luchtverontreiniging.

Jean Nouvel bedacht zijn museum als een stad in zee, inclusief steigers zodat deze ook vanaf het water bereikbaar is. Maar de enige boten die er vandaag aanmeren zijn vlotten met arbeidsmigranten, de mannen die eiland en museum met duizenden bouwden en nu deel uitmaken van de facilitaire dienst. Ze dragen oranje hesjes en houden bezems in de hand: overal waar het zeewater de witte muren van de kubussen raakte, tekent zich een hardnekkig soort aanslag af. Stroken bruingroene drek van soms een meter breed die het nieuwe museum de uitstraling geven van een lang vergeten zwembad. De mannen op de vlotten schrobben, je hoort de borstels soms binnen.

Of je nu uit Frankrijk, Algerije of Saoedi-Arabië komt, ooit gebruikten we allemaal dezelfde vuistbijlen

Daar is alles gelukkig nog spic & span, prettig ruim van opzet en koel. Het Louvre Abu Dhabi heet het eerste universele museum in de Arabische wereld te zijn. Gebracht als een gewaagd concept van conservator Charnier zal deze aanpak ook de enige mogelijke zijn geweest. In het voorwoord bij de collectiecatalogus noemt Charnier onder meer de moeilijkheid van het aankopen in een tijd waarin gevoeligheden over herkomst hoog opgelopen zijn. Met name antieke kunst en archeologische vondsten behoren volgens huidige inzichten toe aan het land van herkomst – daar had het oorspronkelijke Louvre nog geen last van. Een tweede, nog groter struikelblok is dat de kunst simpelweg op is. Dat geldt zeker voor de grote meesters van wie het leeuwendeel van hun oeuvres al lang in collecties is ondergebracht. Charnier: ‘Naleving van internationale wetgeving is een absolute standaard voor het Louvre Abu Dhabi en dus was een andere aanpak nodig om de relatieve schaarste van werken te compenseren, namelijk artistieke dialoog in plaats van het traditionele narratief van de kunstgeschiedenis en de obsessie met stijl en genre.’

De universele insteek leverde een bonte verzameling op. Er kwamen 620 werken in de collectie, waarvan er momenteel 235 op zaal worden getoond samen met driehonderd bruiklenen van de Fransen. Er is toch een mummie uit Egypte aangeschaft (behorend aan prinses Henuttawy, 950-900 v. Chr., tevens een billboard langs de snelweg), Franse vuistbijlen uit de steentijd en sarcofagen uit Libanon. Er zijn topstukken te zien waaronder de sculptuur met twee hoofden uit 6500 v. Chr., gevonden in Ain Ghazal, Jordanië, en een van de eerste representaties op formaat van de mens (een bruikleen van het Departement van Antiquiteiten van Jordanië). Er is de bronzen gevleugelde draak uit China, een woest beest met klauwen en schubben midden in een zaal, een icoon voor die beschaving die kon worden aangekocht. Net als de ‘Mari-Cha’-leeuw, een bronzen leeuw uit het middeleeuwse Middellandse-Zeegebied met op zijn huid Arabische inscripties. Maar er zijn ook vreemde eenden. The Bohemian (1861-62) van Édouard Manet bijvoorbeeld is een gek schilderij met een vrijpostig poserende zigeunerjongen krap in zijn lijst. Enig leeswerk leert dat Manet in 1867 zijn doek Les gitans uit onvrede aan stukken sneed en één deel uitwerkte tot een nieuw schilderij, La régalade, nu in het Art Institute of Chicago. De andere twee stukken verdwenen tot het Louvre Abu Dhabi ze kreeg aangeboden. Zij heten daar nu The Bohemian en Still Life with Bag and Garlic.

Medium dsc 0180
James McNeill Whistler, Arrangement in Grey and Black No. 1 (Whistler’s Mother), 1871

Een plakkaat met regels aan de muur bij de ingang waarschuwt bezoekers in drie talen voor de universele reis die ze te wachten staat. ‘Houd er rekening mee dat het Louvre Abu Dhabi kunstwerken uit alle perioden en culturen toont’, staat ook nog op het entreebewijs gedrukt. 23 zalen leiden het publiek, overwegend toeristen, de wereldgeschiedenis door, van ‘De eerste dorpen’ naar ‘Het wereldpodium’ met een groteske lichtsculptuur van kunstenaar Ai Weiwei als sluitstuk. Onderweg worden beschavingen naar hartenlust met elkaar gerijmd. De eerste zalen bijvoorbeeld zijn prachtig, met gouden dodenmaskers uit Noord-China, Libanon of Syrië en Peru in een vitrine naast elkaar, alleen in tijd meer dan duizend jaar van elkaar verwijderd. Er zijn hoofden van Romeinse keizers in brons en gelijkende gezichten uit dezelfde tijd uit Egypte. De boodschap is verbroederend: of je nu uit Frankrijk, Algerije of Saoedi-Arabië komt, ooit gebruikten we allemaal dezelfde vuistbijlen. In de categorie ‘Heilige teksten’ werden een pagina uit de ‘Blauwe Koran’ uit Noord-Afrika, een bijbel uit middeleeuws Frankrijk én een thora uit Jemen uit 1498 voor de collectie aangekocht.

Toch voel je aan alles dat de collectie niet is opgebouwd, verzameld of veroverd, niet onderhevig was aan eigenzinnige museumdirecteuren of de visie van elkaar opvolgende conservatoren, maar in een bulk werd aangekocht. Het is een doorsnede van de markt in het afgelopen decennium, en dat kon ook niet anders. Verrassend zijn sommige aankopen wel, opvallend open minded, met bijvoorbeeld enkele naakten, mannelijk en vrouwelijk, en een thora. De zorgen en de kritiek vooraf waren groot: zou een en ander in een Arabisch land wel kunnen? Het kon, en het Louvre slaagde met vlag en wimpel voor de westerse test.

Een deel van de realiteit wordt daarmee echter buiten de deur gehouden. Het universele verhaal van Charnier is, op een enkel object uit de regio na, verstoken van een lokale context. En hoe vrij het er binnen de muren van het museum aan toegaat, het Louvre huist in een emiraat dat structureel de rechten van burgers schendt, en vooral die van niet-burgers, naar schatting zo’n negentig procent van de in het land aanwezige mensen. Binnen het museum zijn allen gelijk, buiten ligt dat gevoeliger. In de beginjaren van Saadiyat, toen het contract werd ondertekend, waren er nogal eens kwesties rond Israëlische burgers. Er is de slepende kwestie van de woon- en werkomstandigheden van naar schatting acht miljoen migranten in het land. Om nog te zwijgen over de straffen die staan op het leveren van kritiek op het regime of het uiten van sympathie voor Iran en sinds kort ook Qatar, of op homoseksualiteit. De gevangenissen zitten er vol van. Aan de ‘naleving van internationale wetgeving’ gaf Frankrijk een eigen draai. Binnen heerst een inclusief, universeel klimaat dat erfgoed op een gouden blaadje presenteert, buiten zijn verenigingen die lokaal erfgoed tegen de bouwlust zouden kunnen beschermen verboden.

Nee, de herkomst van de kunstwerken in het Louvre Abu Dhabi zal waterdicht zijn. Maar waarom zijn ze hier eigenlijk naartoe gebracht, en voor wie?

Medium dsc 0074
Bronzen gevleugelde draak uit China

‘Spiegelmusea’, zo noemt Alexandre Kazerouni instituten als het Louvre Abu Dhabi. Hij is onderzoeker aan de École normale supérieure in Parijs en auteur van Le miroir des cheikhs: Musée et politique dans les principautés du golfe Persique (2017, Presses Universitaires de France). Spiegelmusea, omdat ze westerse verwachtingen reflecteren. Het eerste museum van deze soort herkende Kazerouni in het Museum voor Islamitische Kunst in Doha, Qatar. Ontworpen door de Chinees-Amerikaanse architect I.M. Pei en ingericht met weliswaar islamitische kunst, maar van het kaliber dat geliefd is op de westerse markt, was het bij opening in 2008 niet minder dan een dikke knipoog naar het Westen – I.M. Pei is de architect van de Louvre-piramide in Parijs.

Kazerouni deed als politicoloog tussen 2007 en 2013 promotieonderzoek in de regio en musea vormden een interessant referentiepunt vanwege hun oorspronkelijke functie in het gebied. Sinds de onafhankelijkheid van de Britten, begin jaren zeventig, kwamen ze overal in de regio op als uitingen van nationalisme. Ze vertelden een lokaal verhaal en waren gericht op een eigen publiek. Maar toen kwam de olie, gevolgd door een bedreiging van de gevestigde macht, en toen verscheen een nieuw soort museum aan de horizon.

Het viel hem op dat alleen in Qatar en Abu Dhabi westerse instituten op het gebied van cultuur, sport en onderwijs voet aan de grond kregen. Denk aan het wereldkampioenschap voetbal van 2022 in Qatar. Aan de campussen van nyu en de Sorbonne in Abu Dhabi, aan het Louvre en het Guggenheim. Dat is niet alleen omdat zij er beide het geld voor hebben, niet alleen omdat zij zich willen voorbereiden op een leven na de olie. Over de telefoon vertelt Kazerouni hoe zijn onderzoek aantoonde dat de twee emiraten een omgang met nationale identiteit met elkaar delen die als oorzaak kan worden aangewezen: de volledige diskwalificatie van de eigen middenklasse. Hij schetst de samenleving als volgt: bovenaan staan de leiders en hun familie, de ‘adel’, en daaronder de elite, de zakenmannen die afstammen van de oude parelvissers. Dan volgt de groep arbeiders die voor hen werkten, de arbeidersklasse van voor het olietijdperk, vissers, winkeliers, voormalige slaven en arme migranten uit Iran die in de jaren zeventig genationaliseerd werden. Hun kinderen werden de ambtenaren van het land, zij vormden in de jaren tachtig een stevige middenklasse en gingen aankloppen bij de leiders, aanspraak maken op rechten en een deel van de olie-opbrengsten.

De herkomst van de werken zal waterdicht zijn. Maar waarom zijn ze hier eigenlijk naartoe gebracht, en voor wie?

Het ministerie van Cultuur en de ambtenaren uit deze groep, die al decennia bij de regionale cultuur betrokken zijn, staan bij de nieuwe projecten plots buitenspel. Buitenlanders krijgen het werk, in het geval van het Louvre de Fransen, ook al hebben ze geen expertise over de lokale cultuur. Ze zijn ‘gehoorzaam’, aldus Kazerouni. Daar komt bij dat de leiders op deze manier hun netwerk in het Westen kunnen vergroten. Waarom dat zo cruciaal is? Kazerouni: ‘Het antwoord is simpel: de veiligheid en defensie van deze landen is afhankelijk van de westerse militaire machten. De interne verdeling van de macht is grotendeels gestoeld op omgang met de westerlingen. Dus wat de leidende families in Qatar en Abu Dhabi probeerden, toen ze de groei van de macht van de ambtenarij zagen, van een autonome middenklasse die een deel van de olie- en gasopbrengsten opeiste, is om deze groep te verzwakken door ze buiten te sluiten van de kanalen waar de verdeling van de macht echt wordt beslist. Bij de westerlingen.’

De relatie van de Emiraten met het Westen was tot begin jaren negentig beperkt tot het Verenigd Koninkrijk, de oude macht. De Verenigde Staten waren als grote bondgenoot van buurland Saoedi-Arabië haast onbereikbaar en de relatie met landen als Frankrijk was geconcentreerd op de handel in wapens en olie. Kazerouni: ‘De leiders realiseerden zich dat het niet genoeg was. Om de westerse militaire macht, de westerse democratieën, achter zich te krijgen was een ander kanaal nodig: de publieke opinie.’ En: ‘Het hele idee van de culturele projecten, in de breedste zin van het woord, van kunst tot sport en de academische wereld daartussen, is om een netwerk van vrienden te creëren, om de culturele elite van de westerse grootmachten te interesseren voor jouw voortbestaan.’

Vijftiende-eeuws Italië, daar vergeleek Nicolas Pelham, Midden-Oosten-correspondent van TheEconomist, de Golfstaten onlangs mee, want net als bij de stadstaten van de Renaissance werden in de Golf nietszeggende baaien getransformeerd tot steden van wereldformaat (London Review of Books, ‘The Precarious Rise of the Gulf Despots’, 22 februari 2018). ‘De Al Sauds van Saoedi-Arabië, de Nahyans van Abu Dhabi, de Maktoums van Dubai, de Sabahs van Koeweit en de Thanis van Qatar spiegelen de Borgia’s van Rome, de Medici van Florence, de Sforza’s van Milaan, de Estes van Ferrara. De drie zuilen van de oude orde – familie, stammen en geestelijken – vallen om.’ Maar Pelham voorspelt dat de zegetocht van de Golf-leiders van korte duur zal zijn. ‘Voor hun laatste staaltje va-banque-politiek hebben ze lokale allianties uit elkaar getrokken en bescherming gezocht bij buitenlandse machten. Kleinzielig gekibbel – op de eerste plaats over belangen in het buitenland, dan in eigen huis – dreigt hun neergang te versnellen.’ De Verenigde Arabische Emiraten noemt hij overigens ‘mogelijk de meest totalitaire van de Golfstaten’.

Arabië is kwetsbaar, een club bondgenoten en vijanden samen op een eiland. Er wordt met elkaar opgetrokken in de strijd in Jemen, gebroken met Qatar na openlijk geflirt met Iran. Maar ook voor buitenlandse machten lijkt het een hobbelig terrein. Neem de rest van Saadiyat Island Cultural District, de buren van het Louvre. Het Zayed National Museum, een samenwerking met het British Museum waar in 2009 voor werd getekend met een ontwerp van Norman Foster staat op de tocht. Het tienjarig contract met het museum loopt binnenkort af en de plek waar het museum had moeten staan, dat het pronkstuk had moeten worden, staat leeg. Van het Guggenheim dat zich hier zou vestigen, een grandioos ontwerp van Frank Gehry, waarvoor het contract in 2007 werd getekend, is de eerste steen nog niet gelegd. De status is onduidelijk, paniek wordt door het museum ontkend, maar oud-directeur Thomas Krens, die het project ooit in werking stelde, speculeerde in een podcast op diplomatieke redenen: ‘Het is misschien niet zo’n goed idee om vandaag de dag een Amerikaans museum te hebben, met in essentie een joodse naam, met een land dat diplomatiek niet erkend is door de Emirati, namelijk Israël, op zo’n prominente locatie op zo’n grote schaal’ (In Other Words, ‘Globalization and Its Discontent’, 21 maart 2017).

Frankrijk lijkt vooralsnog steviger in het zadel te zitten. Afgelopen week sprak Louvre-directeur Jean-Luc Martinez bij de opening van de tentoonstelling The Louvre at Tehran, de eerste grootschalige westerse tentoonstelling in, nota bene, Iran. Volgens The Art Newspaper kreeg de directeur de vraag of Abu Dhabi geen ergernis geuit heeft over dergelijke projecten (‘Louvre’s Director: We Are Active in 75 Countries’, 12 april 2018). ‘Nooit’, antwoordde Martinez, het Louvre is een exclusieve deal die nergens anders herhaald kan worden. Gevraagd naar de missie van zijn voorganger Henri Loyrette om, vlak voor het uitbreken van de burgeroorlog, zaken te doen met de Syrische president Bashar al-Assad, voorspelde Martinez dat, gezien de belangrijke rol van Franse archeologie in het gebied, ze er sooner or later terug zullen komen. Het Louvre ‘is geen gijzelaar van politieke belangen maar liever een middel om te helpen bij het circuleren van kennis en wederzijds begrip.’

Medium dsc 0125

Met het Louvre Abu Dhabi laat Abu Dhabi zien niet terug te deinzen voor een naakte nimf in marmer, of voor een thora. Het land toont de ruimdenkende islam, de islam zoals een land als Frankrijk dat graag zou zien. Toen onlangs in het museum een landkaart werd ontdekt waarop Qatar als land ontbrak, werd deze onmiddellijk vervangen.

Het charmeoffensief draait op volle toeren. Uit een profiel in The New Yorker van de kroonprins van Saoedi-Arabië, Mohammed bin Salman, blijkt hoe de Arabische lente, de opkomst van Islamitische Staat en de Moslimbroederschap de noodzaak voor hervorming in de regio versnelden (‘The Ascent’, 9 april 2018). De kroonprins, M.B.S. genoemd, wil met zijn Vision 2030 het land klaarmaken voor een tijdperk na de olie, met een gematigde islam in het hart van het Midden-Oosten, inclusief bioscoopbezoek en auto besturende vrouwen. Hij is beste vrienden met de kroonprins van Abu Dhabi, sjeik Mohammed bin Zayed Al Nahyan, M.B.Z. genoemd. In november zou hij, via een omweg, de koper van Salvator Mundi van Da Vinci zijn geweest, het duurst verkochte schilderij ooit. Bestemming: het Louvre Abu Dhabi.

In Qatar opende dit jaar ondertussen de Nationale Bibliotheek, een ontwerp van Rem Koolhaas/oma. In december zal het Nationaal Museum van Qatar af zijn, een ontwerp van opnieuw Jean Nouvel met gebouwen in de vorm van de schubbige bladeren van de woestijnroos.

Ook werd bekend dat Saoedi-Arabië voor het eerst zal meedoen aan het Filmfestival van Cannes en Frankrijk in het land het eerste opera- en concertgebouw zal realiseren. Tevens tekenden de landen een deal van naar schatting twintig miljard voor een ‘nieuw’ Petra, een culturele toeristenbestemming. Inclusief een museum dat twee tot drie keer zo groot moet worden als het Louvre Abu Dhabi, een voorstel dat M.B.S. aan Macron zou hebben gedaan een dag na de opening van dat nieuwe museum in Abu Dhabi. Er zou volgens The Art Newspaper nu een Frans agentschap worden samensgesteld om een en ander te begeleiden.

En vorige maand trakteerde Macron de kroonprins op een etentje in Parijs, in het Louvre, rond de opening van de tentoonstelling van Eugène Delacroix. Ongetwijfeld stonden ze stil voor het meesterwerk van de Franse schilder, La Liberté guidant le peuple. Het memoreert de Julirevolutie van 1830, door Delacroix verbeeld als Marianne, een vrouw met ontbloot bovenlijf die de revolutionairen over de barricaden naar de overwinning leidt. Een geweldig schilderij, een sterk staaltje nationalisme – alleen was het toen het volk dat in opstand kwam tegen de koning, geleid door de vrijheid.