‘de vis wordt duur betaald’

Toentertijd was de schouwburg voor ‘gewone mensen’ wat nu de tv is. Daar, op de planken, wenste Heijermans zijn aandeel in de klassenstrijd te leveren. Maar ook zijn vis werd duur betaald.
ZIJN VERZAMELD toneelwerk omvat drie delen dundruk, rond 2500 bladzijden, die door vrijwel niemand meer worden gelezen.

Nee, ook Herman Heijermans schreef niet uitsluitend meesterwerken. Een paar van zijn stukken staan, drie kwart eeuw na zijn dood, niettemin nog steeds recht overeind. Voor de rest documenteren al die eenakters, blijspelen, fantasieen en dramatische schetsen zowel een stuk toneelgeschiedenis als een stuk sociale geschiedenis waarop men niet snel uitgekeken raakt.
Neem een (totaal vergeten) werkstuk als Artikel 188, aktuele schets in een bedrijf. De burgemeester van een middelgrote gemeente vergadert met zijn wethouders, in gezelschap van de plaatselijke commissaris van politie. Zij achten de openbare orde in gevaar. ‘Mijne heren’, zegt de burgemeester, 'zoals u bekend is, heb ik me veroorloofd en zulks met uw aller instemming, om ’t verderflijke toneelstuk Allerzielen van een zekere ongunstig bekend staande Heijermans…’
Kan dit verderflijke toneelstuk wellicht worden vervangen door het drama De Koopman van Venetie?
'De opvoering van dat zaakje, mijnheer de burgemeester, mot 'k beslist afrajen’, zegt de commissaris van politie.
'Waarom, commissaris?’ vraagt de burgemeester.
'Omdat, burgemeester, Cohen en Davids en Augurkjeskruier en zoveel meer ingezetenen, die as fatsoenlijke burgers leven, en niemand 'n stro in de weg leggen, voor d'r hoofd worden gestoten, in opspraak worden gebracht door ’t verhaal, zal 'k maar zeggen, van een koopman die as-die zijn centen van 'n schuldenaar niet krijgen ken, 'n pond vlees uit die man z'n buik wil snijen.’
'Wie is die gek die dat in mekaar heit gezet?’ informeert de wethouder van financien.
'Zekere Schaakspeer, 'n Engelsman’, antwoordt de commissaris van politie.
'Verwondert me niks van 'n Engelsman’, zegt de wethouder van onderwijs. 'Na de moord op de Boeren is 'n Engelsman tot alles in staat!’
Het artikel 188 was in die tijd het bestuurlijke wapen waarmee de lokale overheid over openbare orde en zedelijkheid waakte, zoals die al dan niet werden gepraktizeerd in schouwburgen, herbergen, tapperijen en openlijke huizen van ontucht. Op grond van dit artikel 188 verbood begin 1905 de burgemeester van Leiden de opvoering van Heijermans’ Allerzielen, een drama waarin zowel een nobele als een kwaaie pastoor ten tonele werden gebracht, een stuk dat al met al geen reclame voor het katholicisme was. Dus verhuisden zowel Allerzielen als Artikel 188, het commentaar op dit toneelstuk, naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, waar de sfeer wat toleranter was.
HEIJERMANS HAD een uitgesproken opvatting over het toneelbedrijf. Het was in zijn ogen primair een politiek instrument waarmee het proletariaat wakker diende te te worden geschud. Hij was in dit streven vrijwel een eenling; zijn partijgenoten Herman Gorter en Henriette Roland Holst veronderstelden dat de arbeidsklasse beter met esoterische verzen was gediend. Het toneel in Heijermans’ tijd beoogde in de eerste plaats vermaak, ongeacht rang of stand. Het was, constateerde hij in 1899 in een openbare voordracht, 'een fabriek van klasseplezier, slechts in nuance verschillend van cafe-chantant, circus, ballet’. De toneelspelers waren trouwens even rechteloos als de handarbeiders. Toneelspelen, zei Heijermans, was een vorm van pure loonslavernij - en hij citeerde, integraal, de Algemeene Voorwaarden van de Koninklijke Vereeniging. Dat is inderdaad dramatische lectuur. Niets mocht. Alles werd met draconische boetes bestraft. 'Onnoodig langzaam’ spreken kostte een tot vijf gulden. 'Twisten, luid spreken, zingen, lachen, zich op den voorgrond van het tooneel ophouden, zich laten roepen en andere dergelijke storingen tijdens de repetitien’ werd bestraft met een boete van vijfentwintig cents tot drie gulden. 'Op verbeurte van een gulden is het de artiesten verboden zich op lezingen en repetitien met handwerken bezig te houden en te dejeuneeren.’
Een acteur of actrice die ook maar de geringste neiging tot dissident gedrag vertoonde, werd genadeloos, zonder recht op beroep, op de schamele gage gekort. 'Vindt ge bij eenig andere kunstenaar zulke bepalingen, bij een schrijver, een schilder, een beeldhouwer?’ vroeg Heijermans zich af.
Hij had makkelijk praten. Toen hij zelf een paar jaar later aan het hoofd van een toneelgroep stond, opereerde hij niet minder puur-kapitalistisch, niet uit tirannieke aandriften, maar omdat hij nu eenmaal al die monden moest voeden en de gedachte niet kon verdragen andermaal failliet te gaan, iets wat tegenwoordig in het handelsverkeer een algemeen geaccepteerde economische strategie, maar in Heijermans tijd een onoverkomelijke schande was, die de betrokkene niet zelden tot zelfmoord dwong.
Het werk van Heijermans is tot op heden gepersonifieerd in de vissersweduwe Kniertje die onder het mompelen van de verzuchting 'De vis wordt duur betaald’ het toneel afsloft met een pannetje soep onder haar boezelaar. In werkelijkheid worden deze beroemde woorden gesproken door de vissersvrouw Truus, terwijl het pannetje, bij nauwkeurige lezing van de tekst, geen soep maar een paar koude coteletten blijkt te bevatten. Het was een hele troost voor de weduwe, die zowel een man als twee zonen aan de zee heeft moeten offeren.
Het betreft Heijermans drama Op Hoop van Zegen, dat hem tot ver over de grenzen beroemd heeft gemaakt. En met hem zijn leading lady Esther de Boer-Van Rijk, die trouwens in vele van zijn stukken de vrouwelijke hoofdrol heeft gespeeld. Zij was de tirannieke weduwe Eva Bonheur en de al even onaangename booi Annemie in De meid, zij was Anna-Maria in De opgaande zon, Jeanne in Beschuit met muisjes en Moeke in Van ouds de Morgenster, het stuk dat Heijermans ter gelegenheid van haar vijftigjarig toneeljubileum (in 1923) heeft geschreven.
Maar bovenal was zij Kniertje. Esther de Boer-Van Rijk heeft deze rol, blijkt uit haar gedenkschriften (Ik kijk terug, 1934) tot gekwordens toe moeten vertolken. 'Wij speelden weer eens “Op Hoog van Zegen”…’ 'Wij speelden weer eens de “Hoop”…’ 'Op straat werd ik nagewezen: “Daar heb je Kniertje”…’ 'Het ging ons weer eens financieel miserabel. Dus maar weer een benefiet-avond voor Mevrouw De Boer-Van Rijk als “Kniertje”.’ Twaalfhonderd keer heeft zij dat pannetje coteletten de plankieren afgedragen, drieduizend keer heeft zij het stuk moeten repeteren, want Geert, Barendje, Truus, Marietje en Kobus het diakenhuismannetje werden regelmatig ververst, terwijl zij, de belichaming van de rol, van het begin tot het einde met haar creatie getrouwd is geweest. 'Hoeveel ik ook van het werk houd, dat was op den duur niet meer te harden.’
Eens liet zij zich door haar dochter verontschuldigen omdat de zoveelduizendste repetitie haar 'te zenuwachtig’ maakte. Prompt kreeg zij een barse brief van de N.V. Toneelvereening, Heijermans, Directeur: 'Wij laten ons, en zeer beslist, niet langer Uw ondankbare en lastige houding welgevallen.’
Heijermans regeerde zijn gezelschap met dezelfde ijzeren hand die hij in zijn vroegere collega’s had veroordeeld. 'In een kommercieele maatschappij kunt ge niets anders verwachten dan een kommercieel toneel’, had Heijermans ooit gezegd. Dus probeerde hij thans, met een schuin oog naar de kassa, zijn gezelschap overeind te houden door eigenhandig bewerkte kluchten en kapotgespeelde succesnummers op te voeren.
HEIJERMANS KON niet anders. De overheid was in zijn tijd voornamelijk zedenmeester, geen subsidierende, cultuurbevorderende factor, en een schouwburg met een merendeel aan lege stoelen bracht zijn gezelschap onmiddellijk in existentiele moeilijkheden.
De toneelcritici waren zelden van zijn ideologische boodschap gediend en plachten vrijwel elk nieuw toneelstuk van zijn hand af te kraken. Er was zijns inziens maar een toneelcriticus die het vak verstond: Herman Heijermans, recensent van De Telegraaf - in deze constatering had Heijermans trouwens grotendeels gelijk. Op premieres liet hij zich door zijn echtgenote representeren. Zelf wachtte hij met kloppend hart in het cafe, een straathoek van de schouwburg verwijdend, de reacties van het publiek af. Met fronsende wenkbrauwen las hij een paar dagen later de gebruikelijke, even bevooroordeelde als oliedomme kritieken. 'In Holland is ’t schrijven van 'n oorspronkelijk stuk een misdaad’, constateerde Heijermans nadat Dora Kremer, zijn eersteling, een sof was geworden. 'Men valt er op aan, als havikken op 'n kreng. Ieder sleurt een brokje mee, tot een kaalgevreten skelet overblijft. Dat was zo. Dat is zo. Dat zal zo zijn: omdat Holland klein is, omdat improduktieve mensen op ’t gebied van venijn ultra-produktief zijn.’
Zijn hoop was gevestigd op het toenmalige toneelpubliek, dat hem vaak steunde en soms in de steek liet, niet toevallig op de momenten dat zijn toneeldramatische intuitie had gefaald. Op evenveel momenten ging zijn proletarische boodschap erin als Gods woord in een ouderling. De bioscoop bestond nog niet of nauwelijks, de schouwburg was voor 'gewone mensen’ vertrouwd terrein. Daarop wenste Heijermans zijn aandeel in de klassenstrijd te leveren. Met succes. 'Hard en raak heeft hij de vijand getroffen’, constateert B. Hunningher (Toneel en werkelijkheid, 1947), 'en zijn scherp requisitoir tegen de kapitalistische maatschappij en haar verworden moraliteit vond weerklank in de harten der duizenden, die jarenlang avond aan avond de schouwburgzalen vulden om zich door de kracht van zijn emotionele beelding te laten grijpen en stuwen tot een geestdrift, als geen andere toneelschrijver in Nederland heeft kunnen wekken.’
Dat is een adelsbrief, afgegeven door een hooggeleerde kenner en liefhebber van Heijermans’ oeuvre, die tegelijkertijd niet blind was voor het feit dat het werk 'zeer ongelijk van waarde’ was. Het is een oordeel dat tot op heden ons beeld van Heijermans domineert, het beeld van een schitterende, interessante toneelschrijver, met bitterheid en boosheid in zijn hart, gespecialiseerd in vlijmscherpe dialogen, op basis van een ideologische materie die vandaag de dag voor 98 procent als verouderd wordt ervaren. Er bestaan in Nederland geen gewetenloze reders meer die, om wille van de assurantien, hun lekke vissersschepen de Noordzee opsturen, en de Nederlandse toneelspelers worden niet meer op hun gage gekort als zij het wagen op de repetitie een broodje kaas te eten. Zeker, de dames en heren hebben nog veel te klagen, bijvoorbeeld over het feit dat de cultuurspreiding hen verplicht schouwburg Veenlust te Veendam en theater De Lampegiet te Veenendaal te bedienen, maar uiteindelijk trekken zij, na gedane arbeid, comfortabel en waardevast van Drees. Wij kijken met eigentijdse scepsis naar de schlemielen waarin Heijermans was gespecialiseerd, al die lammen, eenbenigen en blinden en hun maatschappelijke credo is, hoe dan ook, niet meer van deze tijd.
'Ik hoor meer. Ik hoor meer’, zegt de blinde Johan uit Het antwoord. 'Als jij geen ogen zou hebben, zou je ook meer horen - Ze zingen in de verte het Vrijheidslied - Hoor je niet?’
HEIJERMANS wordt beschouwd als de grootste onzer toneelschrijvers, maar in 1964, toen men zijn honderdste geboortedag herdacht, was er nog steeds geen behoorlijke biografie over hem verschenen. Zijn bewonderaar Simon Carmiggelt sprak over 'een herontdekking’, geen herdenking. 'Volle zalen en lange reeksen van voorstellingen bewezen dat Heijermans’ toneelwerk leeft.’ Nu Heijermans in 1996 in de persoon van de historicus Hans Goedkoop eindelijk de biograaf heeft gevonden waar hij recht op heeft, moet men constateren dat de levende Heijermans voornamelijk betrekking heeft op de schrijver die niet de socialistische maar de universele thema’s behandelt: de doodsangst en hebzucht in Schakels, de levensangst en lafheid in Eva Bonheur. Goedkoop, een kind van zijn tijd, constateert dat Heijermans, met het socialisme, inmiddels is uitgedroomd. 'Dat het goede ooit verlost zou worden van het kwade, dat de onschuld zich een weg zou banen uit een maatschappij van schuld, het maakt bij partijgenoten hoogstens nog de glimlach los van wie inmiddels ouder is en tot zijn spijt wel beter weet.’
Men kan die complete, vijfentwintighonderd pagina’s omvattende Heijermans ook op een andere wijze lezen: als de toneeldramatische pendant van socialistische klassiekers als De dageraad der volksbevrijding of Die onze Kracht ontwaken deed. Deze Heijermans is beslist niet verouderd, omdat de historie immers niet verouderen kan.
Wat een man! Wat een oeuvre! Wat een zendingsdrang! Wat een dramatisch instinct! De recensenten, 'het aan de grenzen van het no bel kunstgebied konkelend, kwekkerend rapalje-zoodje’, hadden werkelijk ongelijk. Zelfs de middelmatigste Heijermans was geen partij voor het in die tijd gebruikelijke confentietoneel: Eens gekocht blijft gekocht van Justus van Maurik of De akker schaamt zich niet van Jan van Erpen. Men bedenke wat er in zijn tijd voor een waardevrije flauwekul de parterre in werd geslingerd. Lees, bij wijze van contrast, eens wat van de toneelstukken van Marcellus Emants, misschien wel een groter romancier dan zijn onbesuisde tijdgenoot, maar beslist geen groter toneelschrijver. Als het getij verloopt…, blijspel in een bedrijf, hoofdpersoon Hermine, barones van Weenstra, weduwe van baron van Rijckloff tot Genemuiden - 'Het stuk speelt in Den Haag.’ Haar zuster, toneelspel in vier bedrijven, hoofdpersoon Floris van Neerstraeten, eerste luitenant bij de rijdende artillerie - 'De handeling valt voor te Arnhem in den tegenwoordigen tijd.’ Het is verstoft en vergeten, het is zonder belang en zonder enige hartstocht. Terwijl Heijermans, ook de Heijermans van Het zevende gebod, burgerlijke zedenkomedie in vier bedrijven, en Het pantser, romantisch soldatenspel in drie bedrijven, even onspeelbaar maar in elk geval nog alleszins leesbaar is.
LAAT IK HET nog speelbare deel van zijn toneelwerk mild op tien procent becijferen. Speelbaar - maar hoe? Niet meer rollenden oogs en machtigen gebaars, de wijze waarop Heijermans zijn publiek voor zich probeerde te winnen. Er bestaat een plaatopname van Kniertjes monoloog uit het laatste bedrijf van De Hoop, natuurlijk in de interpretatie van Esther de Boer-Van Rijk. Zij goldt als de belangrijkste Nederlandse actrice van haar tijd. Haar gejammer is, naar modernere maatstaven, echter reeds na luttele minuten onverdraaglijk. Er bestaat een plaatopname van Schakels, een voorstelling van de Haagse Comedie, uit 1971, met Ko van Dijk in de hoofdrol, grandioos geacteerd, duchtig gemoderniseerd ('wel gedorie’ is vereigentijdst tot 'verdomme-nog-aan- toe’), die ons al heel wat acceptabeler in de oren klinkt.
Kan het niettemin niet anders? H. A. Gomperts heeft ooit het voorstel gedaan om Heijermans te spelen zoals de Fransen (soms) Moliere doen: gechargeerd en ijskoud. Daar is, bij mijn weten, nooit iets van terecht gekomen. De schaarse Heijermansprodukties waarvan wij vandaag de dag getuige zijn, ogen allemaal als 'antiquiteiten, typische produkten van het vrije circuit’, zoals Hans Goedkoop bij de presentatie van zijn boek zei.
De hedendaagse Heijermans is 'toneel voor het vermaak van de burgerij’ geworden, aldus Goedkoop in zijn slothoofdstuk. 'De schrijver die zijn leven lang de kwalen van de tijd beschreven had, wordt voornamelijk nog ingezet om voor een avond aan die kwalen te ontsnappen.’
Het is een diepe waarheid, tevens de ironische balans van een strijdbaar leven. De verschijning van Goedkoops Heijermans-biografie viel, al even ironisch, samen met het slot van de tournee die het vrije circuit met Eva Bonheur heeft gemaakt, 'genoeglijk toneelspel in drie bedrijven’. Zij is overal geweest, drieennegentig voorstellingen lang, van schouwburg De Maagd in Bergen op Zoom tot cultureel centrum Geert Teis in Stadskanaal, van schouwburg Ogterop in Meppel tot het Nieuwe De la Mar-Theater in Amsterdam. Helder geregisseerd, ingetogen gespeeld, zelfs door Jules Croiset, de vertolker van de wijsgerige Jasper, handelaar in instrumenten en opgezette dieren. Een lach en een traan, realistische decors, klapgraag publiek, koffie in de pauze, glaasje na afloop in Americain, honorabel maar onavontuurlijk divertissement, niets beter of slechter dan het Hollands drama tijdens een avondje Avro. Het is waar: vroeger werd het publiek door Heijermans geemotioneerd, thans wordt het door Heijermans voornamelijk geamuseerd.
Er moet met Heijermans iets anders, avontuurlijker, gedurfder mogelijk zijn. Niet met zijn socialisten, die inmiddels inderdaad in hun eigen pathetiek ('Waar zit jij, God! Jij God! Jij God! Hahahaaaa!’) zijn gesmoord. Wel via die typische, tijdlozere Heijermans-figuren als Jasper en Pancras Duif en Matthijs de Sterke, 'figuren die hardheid en sentimentaliteit combineren, die soms zeer wreed en onverwacht kunnen handelen’, het moet mogelijk zijn om via een nieuwe, gedurfdere interpretatie 'de code van de schrijver te kraken’, schreef Ger Thijs in zijn recensie van Goedkoops biografie. Thijs is artistiek leider van het Nationale Toneel, een gezelschap dat zich langzamerhand - en met succes - in het afstoffen der klassieken heeft gespecialiseerd.
Hoelang is het trouwens geleden dat in Den Haag een echte Heijermans heeft gestaan?
Geduld, toneelliefhebber, even geduld.