De Vlamingen en de jeugd

Medium webcover8

Lange tijd begon én eindigde de geschiedenis van de Vlaamse jeugdliteratuur in 1838 met Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen. Conscience schreef het boek niet eens specifiek voor kinderen, maar omdat het een echte volksfavoriet was, bereikte het verhaal vele jeugdigen en werd daardoor een (kinder)klassieker. Na De Leeuw was er lange tijd nauwelijks verandering waarneembaar in het saaie Vlaamse «jeugdliteraire» landschap. De kinderboeken uit de eerste driekwart van de vorige eeuw krijgen tegenwoordig kwalificaties als stoffig, oubollig, belerend en katholiek. Er resteren geen klassiekers uit die tijd. Er staan in de jaren vijftig geen auteurs op als Annie M.G. Schmidt, die in Nederland de kinderliteratuur een heel nieuw elan gaf. En er zijn in de beginjaren tachtig geen schrijvers als Joke van Leeuwen, Wim Hofman en Toon Tellegen die met hun verrassende kinderboeken het Nederlandse jeugdliteraire klimaat ingrijpend veranderden.
Maar in de jaren negentig beginnen de Vlamingen ten opzichte van de Nederlanders aan een verwoede inhaalrace onder aanvoering van prozaschrijvende linecrossers Anne Provoost (Vallen, 1994) en Bart Moeyeart (Blote handen, 1995). Een belangrijke rol speelt ook Kristien Aertssen, illustrator en docent aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Met haar naïeve, kleurrijke en zwierige beelden kiest ze voor eigenheid en baant de weg voor een Belgische golf van illustratortalenten als Carll Cneut, Gerda Dendooven, Goele Dewanckel, André Sollie, Isabelle Vandenabeele en Klaas Verplancke.

In tien jaar tijd (vanaf 1990) verdubbelt het aantal Vlaamse kinder- en jeugdboeken. Vallen wint in 1995 behalve de Woutertje Pieterse Prijs, de Boekenleeuw en de Gouden Uil als eerste Vlaams jeugdboek een Zilveren Griffel. Het jaar daarop is er voor Blote handen ook een Zilveren Griffel. In 1998 vindt op de kinderboekenbeurs in Bologna de succesvolle tentoonstelling Gianti Fiaminghi (Vlaamse Reuzen) plaats, met werk van Vlaamse illustratoren. Daarna kapen de Belgische prentenboekenmakers de ene grote internationale prijs na de andere weg. En ook de titel van de tentoonstelling Colouring Outside The Lines: Flemish Illustrators Making their Mark dit jaar in Bo-logna zegt genoeg over de artistieke aanpak en bijzondere positie van de Belgische illustratoren.

Anno 2006 lijkt de race gelopen. De Vlamingen liggen ruim op kop. Het borrelt en bruist in Vlaanderen. Onze zuiderburen verrassen met hun adolescentenromans en prentenboeken. Ze vallen op door hun taalgevoel en stijl, maar bovenal, en dat geldt voor zowel de illustratoren als auteurs, door hun durf om af te wijken. Ze zijn non-conformistisch. Ze bewegen zich vrij en kiezen hun eigen weg, waarbij het uitgangspunt is dat het lezen van of kijken naar een boek vooral een unieke, scheppende ervaring moet zijn.

In bijvoorbeeld Dulle Griet, een prentenboek waarin Pieter Bruegels meesterwerk Dulle Griet (1561-1562) opnieuw wordt bekeken, getuigt Carll Cneut van een ongekende durf en creativiteit. Terwijl Geert De Kockere met zijn tekst Bruegels schilderij vrij eenduidig interpreteert – Dulle Griet wordt geïntroduceerd als Greetje, die naarmate ze opgroeit steeds «stouter» wordt tot ze zich uiteindelijk als een krankzinnige, laaiende feeks aan de duivel overgeeft – biedt Cneut met zijn verfijnde uitgebalanceerde schildertechniek de kijker ruimte om een geheel eigen betekenis te geven aan Bruegels paneel, dat achter op het prentenboek in vol ornaat wordt getoond. Enerzijds volgen Cneuts intrigerende prenten Bruegels schilderij, anderzijds maakt Cneut van zijn Griet een mens met een ziel, doordat hij haar verscheurde innerlijk, dat uiteindelijk tot zelfmoord leidt (verbeeld door twee donkerrode pagina’s) subtiel toont. Wanneer Dulle Griet, op zoek naar de duivel, tot in de hel is afgedaald, vervagen de hellemonsters tot schaduwen tegen een vage duistere achtergrond en zijn haar radeloosheid en eenzaamheid van haar gezicht af te lezen. En wanneer op de slotprent het kleurrijke, beweeglijke volk in een feestelijke kring om het lijk van Dulle Griet danst, voel je diep medelijden met Griet en rijst de vraag wie nu eigenlijk echt krankzinnig is.

Dulle Griet staat niet alleen. Evenzeer vermeldenswaardig is Klaas Verplancke met zijn bijzondere Nopjes en Reus, twee langwerpige poëtische prentenboeken met zacht gekleurde tekeningen vol humorvolle details (een plaatselijke sneeuwbui verandert Reus’ knie in een besneeuwde bergtop) die, al kun je ze apart lezen, elkaar meesterlijk aanvullen. Als je de boeken naast elkaar legt vormen de covers één prent, alsof het kleine onschuldige vrouwtje Nopjes op de rug van Reus zit. Bovendien wordt in Nopjes voorgelezen «uit het verhaal van Reus». En in Reus «verhuist» Reus samen met Windekind «naar een paar bladzijden verderop, naar het huis (verhaal) van Nopjes». Het rode dak van dat huis is een boek, want: «een boek is een dak, er was eens is de zolder, en ze leefden nog lang en gelukkig/ ligt in de kelder. Daartussen woont de halve wereld op duizend vellen papier/ en dat is mijn huis». Oftewel: «in een boek is er altijd plaats genoeg, zelfs voor een reus».

Verplancke verwoordt en verbeeldt heel mooi de eeuwige zoektocht van groot en klein naar een plek in de wereld die je thuis kan zijn en hoe boeken bij die zoektocht kunnen helpen.

Merkwaardig is dat in Nederland – hoe treurig en kortzichtig – het grootste deel van de Vlaamse kinderboekenproductie weinig (media)-aandacht krijgt. Dulle Griet, Nopjes en Reus zijn de Nederlandse literaire markt het afgelopen jaar niet binnengedrongen. Hoe kan het dat wij noorderlingen zo beperkt over de grens kijken? Hoe kan het dat het grensverkeer dat plaatsvindt voornamelijk eenrichtingsverkeer, België in, is? Wordt de Nederlandse kinder -en jeugdliteratuur op een te hoog voetstuk geplaatst? Staren wij te veel naar onze eigen navel? Of is er sprake van overdreven marktbescherming?

Vrijwel het enige jeugdliteraire grensverkeer dat plaatsvindt, doet zich voor bij uitgeverij Querido, die behalve de grensoverschrijdende linecrossers Provoost en Moeyaert heel wat, inmiddels veelvuldig gelauwerd Vlaams talent als Kathleen Vereecken, Marita de Sterck, Jan Simoen, Els Beerten, André Sollie, Bea de Koster, Ed Franck en Gerda Dendooven onder haar hoede heeft genomen. Het valt niet te ontkennen dat de literaire en artistieke kwaliteit van wat deze Querido-Vlamingen produceren gemiddeld hoog ligt. De vorig jaar verschenen adolescentenroman Nooit gaat dit over van dubbeltalent André Sollie valt op door spaarzaam taalgebruik en poëtische zinnen als «de zomer was al oud, maar de warmte zat nog als een theemuts om het huis op deze zaterdagavond». In deze korte sobere vertelling over een homoseksuele liefde heeft elk beeld een onuitgesproken betekenis die spanning aan het verhaal geeft.

En onlangs lieten ook Gerda Dendooven en Bart Moeyaert weer van zich horen met respectievelijk het fascinerende prentenboek Het verhaal van Slimme Krol en hoe hij aan de dood ontsnapte en het door de Duitse Wolf Erlbruch prachtig geïllustreerde Olek schoot een beer, een bijzondere bewerking van Strawinsky’s ballet De vuurvogel, waarbij de Vlaamse componist Wim Hendrickx speciaal muziek componeerde.

Maar waarom lezen of horen wij in Nederland niets over Aline Sax, die recentelijk met Wij, twee jongens haar vakmanschap definitief heeft bewezen? Sax schreef een meeslepende en vlot geschreven historische én Bildungsroman over Adriaan De Belder. Die maakt met zijn tweelingbroer en zijn vader in 1910 de oversteek naar het Beloofde Land, en moet uiteindelijk alleen in smerig New York zien te overleven. In Jack vindt hij de liefde van zijn leven, waarna hij moet kiezen tussen zijn alsnog gearriveerde tweelingbroer en Jack.

Ook de intrigerende psychologische jeugdroman van Jan de Leeuw, Nachtland, zou hier wel wat aandacht mogen krijgen. Het boek stond op de longlist van de Gouden Uil en werd door de Vlaamse jeugdjury als favoriet gekozen (wat in schril contrast staat met Francine Oomens Hoe overleef ik met/zonder jou, de arme keus van de Nederlandse Jonge Jury).

Hetzelfde geldt voor De geest van Pegasus, de tweede onmodieuze dromerige jeugdroman van Harm Tilstra, waarin de dertienjarige Adir, die opgroeit in het Circus van Alledag en zijn hele leven ervan droomt te kunnen vliegen, zijn eigen plek probeert te vinden. Tilstra speelt subtiel met de grens tussen droom en werkelijkheid en overtuigt de lezer dat de clown in het circus net zo onmisbaar is als Shakespeares fool in het leven.

En hoe kan het dat een historische jeugdroman als Jonkvrouw van Jean-Claude van Rijckeghem & Pat van Beirs, winnaar van de Vlaamse Boekenleeuw en de Thea Beckmanprijs voor beste historische jeugdroman en eervol vermeld door de Gouden Zoen Jury, in de kwaliteitskranten alleen tussen de regels door is genoemd? Het vlot vertelde verhaal over de veertienjarige Marguerite van Male die tussen 1348 en 1450 werkelijk heeft geleefd, is te oorspronkelijk om ongelezen in de (redactie)kast te laten liggen. Van Rijckeghem en Van Beirs hebben hun fantasie de vrije loop gelaten en creëerden een geloofwaardige opstandige jonge vrouw, die zich als erfgename van Vlaanderen in de donkere Middeleeuwen tegen de achtergrond van de Honderdjarige Oorlog met list probeert te handhaven. Ze verzet zich hevig tegen haar vader, die haar ergste vijand wordt, omdat hij haar krankzinnig geworden moeder opsluit in een klooster. Ze probeert te kiezen voor een eigen leven, terwijl haar vader haar wil uithuwelijken. In de Middeleeuwen, zoals in Jonkvrouw met geur en kleur wordt beschreven, regeerden het geloof, de smerigheid van het leven, de pest en de angst voor de dood. Dus wat had je als vrouw, «speelgoed voor de duivel», te kiezen in die tijd in Vlaanderen, «in de onmetelijkheid van de polders waar het land zo vlak is dat aarde en hemel aan de einder met elkaar de liefde lijken te bedrijven»?

Natuurlijk moeten redacteuren, critici en vakjury’s kiezen uit een groot aanbod. De kinderboekenproductie is gigantisch en nauwelijks te overzien. Maar nieuw talent en oorspronkelijkheid moeten worden opgemerkt, gestimuleerd en gewaardeerd. Helemaal wanneer het afkomstig is uit het Nederlandse taalgebied. In deze tijd van globalisering is het de hoogste tijd om de grens tussen de Vlaamse en Nederlandse Republiek der Letteren definitief op te heffen. Laat de Vlamingen meedingen naar alle Nederlandse jeugdliteraire prijzen. Om met de woorden van oud-hoofdredacteur van De Leeswelp en jeugdboekenrecensent van De Standaard der Letteren Marita Vermeulen te eindigen: «Het Vlaamse kinderboek leeft en is zichtbaar.» Zodanig dat Vermeulen zelfs – in alle bescheidenheid – de vraag durft te stellen of «het klaar is om de concurrentie met het buitenland aan te gaan». Een overbodige vraag, want het antwoord is bekend. De echte vraag is of anno 2006 het Nederlandse kinderboek dat ook is.