Plato, kodak, pryce

De vleugels van een vlieg

Charlotte Pryce, The Tears of a Mudlark, 2018 © Courtesy of the artist

Hoewel de dia-carrousel al vijftien jaar is afgeschaft, wordt er nog steeds kunst mee gemaakt. Maar hoe maak je van die losse beelden een verhaal? Op het IFFR staat de dia centraal in het programma Blackout en in het Deep Focus Short-programma rond kunstenaar Charlotte Pryce.

Altijd zat er wel eentje op z’n kop of in spiegelbeeld. Ging het te snel. Of liep het apparaat vast, en moest je handmatig proberen de zaak weer in beweging te zetten. Dia-avondjes begonnen met het opstellen van een scherm en het dichtdoen van de gordijnen en eindigden als de toeschouwers genoeg kerkinterieurs, zonnebadende familieleden en pittoreske lokale bevolking hadden gezien voor het hele jaar. Bij de studie kunstgeschiedenis bleef de diavoorstelling nog lang in gebruik, zo eenvoudig was het om zo twee kunstwerken naast elkaar te tonen, er ééntje te laten staan en vervolgens ernaast meer details te tonen. Het gesjouw en de paniek wanneer een lade per ongeluk omviel en alle dia’s op de grond lagen namen ook de meest chaotische hoogleraren voor lief.

Met de komst van de digitale camera, beamers en de sociale media zijn de dia’s uit de huiskamer en de collegezaal verdwenen. In 2004 stopte Kodak met de productie van het belangrijkste hulpmiddel voor het tonen van de beelden, de dia-carrousel. Toch weten kunstenaars en filmmakers de dia nog steeds te waarderen, in Rotterdam zijn dit jaar zelfs twee programma’s gewijd aan de geprojecteerde statische afbeeldingen. Over wat er precies te zien zal zijn, hóe het eruitziet, is het zo vooraf lastig speculeren: de samenstellers benadrukken beiden, los van elkaar, dat het met alleen een laptop onmogelijk is de kunstwerken ‘totaal’ te ervaren. Dat hoor je niet bij een bioscoopfilm. Er is waarschijnlijk geen medium waarin het zo vaak zo inhoudelijk over de gebruikte techniek gaat. En dat is misschien juist de charme van de dia.

De eerste dia-carrousel voor consumenten bracht Kodak in 1939 op de markt, samen met de dia-kleurenfilm – voor het eerst was kleur vrij en makkelijk toegankelijk voor de fotoconsument. Toch waren er al veel eerder dia’s te zien. In Nederland had de eerste Nederlandse hoogleraar kunstgeschiedenis, Wilhelm Martin, in 1907 al lichtbeelden opgenomen in zijn colleges in Leiden. Reproducties van kunstwerken uit musea en van monumenten uit de hele wereld kwamen zo ongekend dichtbij. Ze waren in positief en zwart-wit gedrukt op een glasplaatje, vaak op de rand voorzien van informatie. Beelden die je kon bestellen bij internationaal opererende uitgeverijen, gespecialiseerd in dia’s en foto’s van schilderijen, beelden en architectuur, alles in zwart-wit.

Beeldend kunstenaars raakten zelf pas rond de jaren zestig enthousiast over de mogelijkheden van het medium, in Rotterdam ligt de nadruk bij het Blackout-programma zelfs helemaal op de kunst van na 2004, dus vanaf het moment dat de carrousel geschiedenis was. Ook het onderwerp in die kunstwerken is vaak historisch, een middel om vergeten of verdraaide geschiedschrijving opnieuw te belichten. Het Blackout-programma richt zich bovendien ook nadrukkelijk – maar niet uitsluitend – op de niet-westerse, postkoloniale geschiedschrijving.

Een heel direct voorbeeld daarvan is het werk Non-chronological History van de Thaise Prapat Jiwarangsan uit 2013, waarbij namen van belangrijke personages uit de geschiedenis van het moderne Thailand in willekeurige volgorde geprojecteerd worden. Was het een film geweest, dan lag die volgorde vast, maar omdat het dia’s zijn en je de projector hóórt schuiven, weet je dat de associatie iedere keer anders kan zijn.

Op een andere manier historisch gelaagd is het werk van de in 1984 in toenmalig Joegoslavië geboren Kristina Benjocki. In haar Sedimentation of Memory uit 2017 gebruikt ze brokken steen uit de Cannerberg bij Maastricht als ondergrond voor een projectie van dia’s van fragmenten uit de geschiedenis van die berg. In 1944 werd er gebouwd aan de V1-raket, en van 1954 tot 1992, dus tijdens de Koude Oorlog, zat er in de berg een Navo-post: het was het controlecentrum van Noord-West-Europa bij nucleaire oorlogsdreiging. In 1992 zetten twaalf wereldleiders hun handtekening in dezelfde berg bij het Verdrag van Maastricht, een plek die nog steeds wordt onderhouden door vrijwilligers. Benjocki brengt de historische lagen naar de oppervlakte, pas bij de presentatie zal blijken of het geheel meer is dan de afzonderlijke onderdelen.

Want hoe maak je van de losse beelden een verhaal? Sommige kunstenaars vertrouwen op de associatievermogens van de toeschouwers, anderen geven liever iets meer houvast. Zoals de Britse Aura Satz (1974), die voor Her Luminous Distance uit 2014 ook de manier waarop de dia’s in elkaar overgaan regisseert en voorziet van geluid. Het werk gaat over de vrouwelijke wetenschappers die belangrijk zijn geweest voor de astronomie. Centraal staan de Human Computers, vrouwen die vanaf het eind van de negentiende eeuw rekenwerk deden voor de (mannelijke) wetenschappers bij onder andere Harvard, maar tegelijkertijd ook zelf ontdekkingen deden en wetenschapper waren. Een van de taken die ze hadden was het vaststellen van kleine verschillen tussen foto’s van een sterrenhemel. Daarvoor ontwikkelden ze de ‘Projector Blink Comparator’, een apparaat waarmee je snel tussen twee beelden kon wisselen. Precies dat apparaat gebruikt Satz nu ook om de door haar verzamelde beelden te tonen. In haar verzameling uiteraard foto’s van sterren, maar ook van de vrouwen zelf, onder anderen Henrietta Swan Leavitt (1868-1921), een dove astronoom die onder meer ontdekte hoe afstanden tussen hemellichamen te berekenen zijn en een standaard ontwikkelde voor het meten van de helderheid van sterren, waar ze nauwelijks erkenning voor kreeg. Satz combineert de beelden met foto’s van maankraters die postuum zijn genoemd naar die vrouwelijke astronomen. In 2015 maakte Satz een tweede werk over deze menselijke computers, Between the Bullet and the Hole, over vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog onderzoek deden naar ballistiek, waarbij het net als bij de sterren ook gaat over het analyseren en bepalen van snelheid en traject.

Het vertellen van een verhaal, zo essentieel in de filmwereld, is lastiger voor beeldend kunstenaars met hun statische, maar toch opeenvolgende dia’s. Bepaalt de kijker bij een foto of schilderij zelf de kijkduur, bij een dia-vertoning is de regie daarvan in handen van de kunstenaar. Zet meerdere dia’s achter elkaar en je krijgt een verhaal, duidelijk of niet. Denk aan de dia-avondjes thuis, daar ontstond ook altijd een verhaal bij. Bovendien zijn de dia’s die de kunstenaars gebruiken vaak al bestaande beelden, waardoor het voor de kunstenaar ingewikkeld is een eenheid te suggereren.

Charlotte Pryce, W.H. Hudson’s Remarkable Argentine Ornithology, 2013 © Courtesy of the artist
Met de ‘laterne de peur’ kon je skeletten en duivels laten verschijnen en verdwijnen

Een kunstenaar die nauwelijks bestaande beelden toont is Charlotte Pryce (Verenigd Koninkrijk, 1961). Rondom haar werk is in Rotterdam een apart programma samengesteld, dat dicht tegen de diaseries van Blackout aanleunt. Sinds 1986 maakt en ontwikkelt Pryce haar eigen 16-millimeter kleurenfilms: grofkorrelig, zoemend, bijna organisch gloeiend beeld. Als onderwerp neemt ze vaak de vage grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen een afbeelding met tekst uit een boek die ze van dichtbij filmt, naast een bloem, een blad, een insect. Sommige films zijn geluidloos, andere hebben later toegevoegd geluid of soms ook tekst.

Bij Concerning Flight: Five Illuminations in Miniature uit 2004 focust ze bijvoorbeeld op de verschillende fases en manieren van het vliegen in het dierenrijk. Hoe vast te leggen hoe dat mogelijk is, hoe de vleugels van een vlieg, van een vogel, ervoor zorgen dat het beest blijft zweven? Pryce doet verwoede pogingen, probeert te focussen op een zwerm spreeuwen boven een grasveld, op een opstijgend insect op een blad, heel kort zelfs een fabriek, van microscopisch dichtbij tot in de wolken, maar geen beweging blijft gefixeerd. Als een tegenpool van Muybridge, die de bewegingen van dieren juist kon analyseren dankzij de fotografie, blijft het vliegen voor Pryce een mysterie. Géén expliciet statement, wel een en al meeslepende verbazing.

Art Directions

Wat film is, of zou kunnen zijn, wordt onderzocht tijdens Art Directions, het uitgebreide kunstprogramma van het International Film Festival Rotterdam (23 januari - 3 februari 2019). Voor deze speciale bijlage werd De Groene Amsterdammer, voor de gelegenheid omgedoopt tot De Groene Rotterdammer.

De geschiedenis van het geprojecteerde stilstaande beeld gaat verder terug dan de uitvinding van de fotografie. Puristen kunnen zeggen dat het allemaal begon bij Plato’s allegorie van de grot, waarbij een vuur de lichtbron was, en de schimmen op de muur waarnaar de gevangenen moesten kijken, de enige werkelijkheid die ze kenden. Korter geleden lijkt Christiaan Huygens halverwege de zeventiende eeuw de eerste die een speciaal apparaat beschreef waarmee afbeeldingen tot leven konden worden gebracht: de toverlantaarn.

Het apparaat heette ook wel ‘laterne de peur’, een kermisattractie waarmee je duivels en skeletten kon laten verschijnen en verdwijnen. De lichtbron was in eerste instantie een kaars of olielamp, waarvan het licht met spiegels versterkt en verbogen werd. De afbeelding werd getekend of geschilderd. En door te spelen met het licht, meerdere afbeeldingen langs elkaar te schuiven, en door er spannende muziek bij te spelen en commentaar te geven, kwam het geprojecteerde beeld tot leven. Later kwamen er fotobeelden op de glasplaat, nog later zelfs film, vanwege de brandbaarheid en de hete lamp een gevaarlijke combinatie.

Charlotte Pryce heeft ook de toverlantaarn opgepakt. De twee projecties die ook in Rotterdam te zien zullen zijn, als onderdeel van een verzamelprogramma, zijn iedere keer anders en worden live in de filmzaal uitgevoerd, als bij een marionettenspel, beide duren ongeveer twintig minuten.

In The Tears of a Mudlark uit 2018 vertelt Pryce het levensverhaal van een randfiguur, die beelden van zijn verleden deelt. Gebruik makend van oude toverlantaarnbeelden, langwerpige plaatjes die langs de lens schuiven, waardoor je je het oog van de camera waant, kruipt Pryce met haar publiek in het hoofd van de hoofdpersoon, die op zijn beurt verdwaalt in de ogen van een insect. ‘Kan een beeld alleen latent blijven, onderontwikkeld, in iemands ogen?’ vraagt de hoofdpersoon zich af.

Bij de toverlantaarnvertoning van W.H. Hudson’s Remarkable Argentine Ornithology uit 2013 dwaal je met Pryce door de Argentijnse vogelwereld. Het begint met beelden van het vogelboek waar de hoofdpersoon boven wegdroomt, langzaam komen we dieper in het oerwoud, groen oerwoud trekt voorbij, dierengeluiden en vogels, totdat opeens, pats, het glas breekt. De stem zegt: er was geluid van brekend glas, het lantaarnplaatje was gebarsten. De film, nu direct blootgesteld aan de hete lamp, smolt voor onze ogen. Als het mogelijk zou zijn een herinnering te stelen, dan was dit het verlies.

Dit is film in de minst filmige vorm, eenmalig, niet of nauwelijks reproduceerbaar, gebaseerd op menselijke handelingen tijdens de voorstelling. Daar kan geen digitale camera tegenop.


De tentoonstelling Blackout is van 24 januari t/m 3 februari te zien in Kunsthal Rotterdam (gesloten op 28 januari). Gedurende het festival worden verschillende korte films van Charlotte Pryce vertoond als onderdeel van het themaprogramma Deep Focus Short. Daarnaast zullen de toverlantaarnvoorstellingen W.H. Hudson’s Remarkable Argentine Ornithology en The Tears of a Mudlark live worden opgevoerd.