De vlezige lippen van Emma Bovary

‘Haar hals rees op uit een plat wit kraagje.’ Gustave Flaubert beschrijft zijn Madame Bovary nauwkeurig. Toch creëert iedere lezer zíjn eigen Emma.

Hoe zag madame Bovary eruit? Als je op Google bij het item ‘Madame Bovary’ op ‘afbeeldingen’ klikt krijg je een adembenemende hoeveelheid plaatjes te zien: boekcovers, filmstills, tekeningen en wat al niet. Vaak is ze als femme fatale afgebeeld, halve hoer, doortrapt, men wil haar verlangen op haar gezicht zichtbaar maken. Nooit is ze op die afbeeldingen mijn Emma Bovary. Die is stilletjes, dromerig, peinzend, verdacht beleefd, behulpzaam, ze praat iedereen naar de mond, ze laat zich bekijken (dat wel), en ze verkeert voortdurend in een staat van ontkenning.

Flaubert zet haar in het begin van zijn roman in een sterk toenemend erotisch, zeg maar rustig seksueel, kader neer. Zie de eerste ontmoeting van de arts Bovary met Emma: ‘Een jonge vrouw in een blauwe merinosjapon met drie volants verscheen in de deuropening om Bovary te ontvangen.’ Eerste blik: de jurk. Weten we nog niks over hoe ze eruitziet, behalve dat de jurk het lichaam bedekt en dat Bovary daarnaar kijkt. Emma neemt iets verderop de taak op zich om kussentjes te naaien waarop het been van haar vader kan rusten: ‘(…) onder het naaien prikte zij zich in een vinger, bracht ze naar haar mond en zoog erop’. Met dat bloedzuigen komt de erotiek luidkeels de roman binnen (van jurk naar bloed!) en even verderop zien we door de ogen van Bovary haar buitengewoon goed verzorgde nagels en volgt een eerste beschrijving van haar uiterlijk. ‘Maar ze had geen mooie handen (…) Echt mooi aan haar waren haar ogen: hoewel bruin van kleur, leken zij zwart door de wimpers, en ze keek onbevangen, met een vrijmoedige maar argeloze blik.’

Wat zit je hier als lezer bij te denken? Een vrijmoedige maar argeloze blik? Hoe ziet dat eruit? Ogen die bruin zijn maar zwart lijken? Komt er via zo’n beschrijving een soort mentale afbeelding in je hoofd die je verbindt met andere beschrijvingen in romans van vrouwen of van vrouwen in ‘het echt’? Wat dacht ik er de eerste keer bij toen ik het las? Dacht ik zomaar iets, iets vaags met een vrouw en bruine ogen? Vrouwen die ik kende? Met mooie nagels en met een bloedzuigende mond? Een tante uit Delft? Een lieve juf op school? Er volgt nog een scène waarin Bovary zijn zweep zoekt en Emma hem vindt en met een ‘vuurrode kleur’ overhandigt. Een zweep? Zij geeft hem die zweep? Wat is hier aan de hand? Flaubert beschrijft ‘juffrouw Emma’s klompschoentjes’ die haar iets groter maakten en waarvan de houten zolen snel omhoog wipten en met een droog geluid tegen het leer van de schoen klapten. Wat een stortvloed aan fetisjistische details!

Bovary beziet Emma zonder meer als een seksueel object, dat is wel duidelijk. Ze heeft ‘vlezige lippen’, lezen we, oef. ‘Haar hals rees op uit een plat wit kraagje.’ Ze heeft zwart haar dat midden op haar hoofd in tweeën is gedeeld door een smalle scheiding. ‘En terwijl haar oren tot de lelletjes schuilgingen’, zit haar haar van achteren in een zwarte wrong opgebonden. Die oorlelletjes zijn natuurlijk fabelachtig. ‘Ze had roze wangen, en als een man droeg zij tussen twee knopen van haar jakje een hoornen lorgnet’ (vertalingen van Hans van Pinxteren). Waar kijkt die Bovary naar? Fantastische beschrijvingskunst. Let op Flauberts mannenblik: hij laat ons, onschuldige lezers (?), met Bovary naar haar jurk kijken, haar nagels, haar handen, haar bebloede vingers, haar ogen, haar lippen, haar voeten en benen, haar haar en haar borsten (haar jakje). Wij mannen weten precies hoe je naar vrouwen kijkt, Flaubert laat het zien. Niks overslaan jongens! Weten we nu hoe ze eruitziet? Nog steeds niet, natuurlijk, maar ondertussen heeft Flaubert ons wel bijna ongemerkt een erotische wereld binnengebracht, een mannenwereld, een wereld van blikken, Emma is onze prooi.

Helemaal dol maakt Flaubert het een paar pagina’s verderop wanneer Bovary haar een nauwelijks gevuld glaasje Curaçao ziet drinken. ‘Omdat het vrijwel leeg was boog zij zich achterover om het te drinken, het hoofd in de nek, de lippen tuitend, de hals gestrekt, lachend omdat zij niets proefde; en met de punt van haar tong tussen haar kleine tanden door likte zij met grote halen over de bodem van het glas.’ Kan het nog opwindender? Flaubert erotiseert haar tot op het bot, en wanneer zij later in het boek haar erotische gevoelens en verlangen daadwerkelijk inzet, maakt hij van haar een tragisch wezen. Dan overtreedt zij taboes en is zij de pineut.

Er zit iets hypocriets in de opzet van deze roman. Eerst maakt Flaubert van haar via de blik van Bovary een seksuele prooi en wanneer ze later aan haar eigen erotiek en verlangen toegeeft, laat hij haar tragisch onder gaan. Eigen schuld! Maar Flaubert begon. Hij bracht ons via zijn fetisjistische metaforiek en blik op de eerste troebele ideeën! Niet Emma, maar Flaubert. Of was ik het als lezer? Ben ik de hypocriet? Wat een schrijfkunst!

Hoe breng je dit alles in beeld als je er een film of een boekcover van wil maken? Hoe krijg je doortrapte erotiek in een plaatje? Wie is Emma: verleidster of slachtoffer? Laten we een experiment uitvoeren: ik leg aan duizend proefpersonen alle beschrijvingen van Emma voor (hierboven citeerde ik er maar een paar) en laat vervolgens duizenden portretten van vrouwen zien. Wie is de beste Emma? Ik weet zeker: iedereen kiest zijn eigen Emma uit. In ieder geval niet Isabelle Huppert in de film van Claude Chabrol uit 1991. Huppert heeft grijze ogen, ze is niet zwart, ze is rossig, ze heeft geen vlezige lippen, ze heeft vast en zeker overal sproeten, je ziet haar niet op klompen voor je, haar oorlelletjes blijven onbetekenend. Haar hals is niet gestrekt, ze biedt zich niet aan. Ze heeft geen Flaubert-blik in zich opgesloten. Haar erotiek is gespeeld, een concept, een mal, ‘je moet haar erotischer maken Isabelle!’, je hoort het ­Chabrol bijna roepen, maar dat kan ze niet, omdat ze Flauberts blik niet weet te doorzien.

Romanschrijvers werken bij persoons­beschrijvingen vrijwel altijd met voorbeelden, Flaubert baseerde zijn Emma op het uiterlijk van allerlei vrouwelijke kennissen. Ook Simon Vestdijk, gerenommeerd en berucht mensbeschrijver, werkte met voorbeelden uit zijn directe omgeving, de Anton Wachter-cyclus staat er bol van. Hij gokte op de geloofwaardigheid van een persoonsbeschrijving, het versterkte volgens hem het realiteitsgehalte van de roman en bood een kans de blik van de verteller in beeld te brengen. De verteller of de hoofdpersoon ziet altijd zichzelf, dat is het uitgangspunt. Neem de eerste beschrijving van Ina Damman: ‘Onbestemd keken de lichtblauwe ogen voor zich uit; het donkere haar boven de matte gezichtskleur gaf een aardige tegenstelling; men kon zien dat haar bewegingen sierlijk moesten zijn.’ Welk beeld maakte ik daarvan? Wat wilde Vestdijk dat we dachten? Iets onbestemds, een meisje tussen jeugd en volwassenheid in. Welk meisje zag ik toen ik het de eerste keer las? Mijn eigen Ina Damman?

Vestdijk (Anton) erotiseert haar hier (nog) niet, in de volgende zin expliciteert hij dat zelfs: ‘Onmerkbaar staken de jukbeenderen iets uit in het ronde, gladde gezicht, en dat besliste over een zekere indruk van koelheid en onbewogenheid, die alleen daarom niet aan het woord kwam, omdat haar figuur en kleren zeiden: een meisje van dertien jaar, – dus lachbuien en zorgeloosheid…’ Wat een rare beschrijving! Vestdijk laat Anton hier al preluderen op de jammerlijke afloop van de roman, hij ziet zijn nederlaag: Ina is koel en onbewogen. Ze is de verpersoonlijking van de onbereikbare godin, hij ziet zijn nederlaag in haar uiterlijk. Dit alles heeft uiteraard niets te maken met de ‘echte’ Ina Damman die Vestdijk wel degelijk kende.

In Het glinsterend pantser (1956) beschrijft Vestdijk de ontmoeting van de verteller met Adri Duprez. Vestdijk-kenners weten dat zijn latere echtgenote Mieke van der Hoeven (met wie hij in 1965 trouwde) voor haar model stond. De verteller raakt over haar danig in verwarring ‘(…) want de grauwblauwe ogen, wat scheefstaand, en toch niet spletig, veeleer van een eigenaardige scherpgesneden rondheid, stonden schrander en waakzaam, iets wat haar weinig moeite scheen te kosten, te oordelen naar een soort eigengereide dromerigheid, waaraan zij zich evengoed over kon geven. Evenals bij sommige edelstenen, was de glans erin tegelijk hard en vloeiend.’ Wat een raarmooie beschrijving! En hij lijkt ook nog, haal er maar op ­Google een portretje bij van Mieke Vestdijk. Maar daar ging het niet om, Vestdijk wilde de verwarring van de verteller uitdrukken, vandaar al die paradoxen erin: ‘scherpgeslepen rondheid’, ‘eigengereide dromerigheid’, ‘tegelijk hard en vloeiend’. Vestdijk formuleert hier verliefdheid. Een heel stuk verder in de roman brengt Vestdijk zijn verwarring over Adri in verband met ‘lelijkheid’. Is ze nu mooi of lelijk? ‘Op alles had ik mij kunnen wapenen: lonken, oogverdraaiingen, glimlachjes, heupverdraaiingen en de hele rest, – maar dan kwam de duivel, en die zei: we zullen deze man, we zullen dit veelervaren heerschap verleiden met lelijkheid. Morgen is ze weer mooi, wees maar niet bang; (…) maar vandaag is ze zo lelijk, dat je ervan staat te hijgen en een verkeerde zijweg inrijdt op je fiets.’ Schitterende tekst; dat Vestdijk in 1965 met haar trouwde kan nu geen verbazing meer wekken.

In eigentijdse romans horen gedetailleerde persoonsbeschrijvingen niet langer tot de schrijfconventie. Ze zijn er nog wel maar altijd kort, schrijvers zoeken de karaktertekening en ideologisering van hun personages tegenwoordig in detaillering van de handeling, het weer, de stad of van de kleding van de personages. In het begin van de roman Half mens (2012) laat Maartje Wortel het personage Michael voor de spiegel staan (narcisme!). Hij ziet zichzelf. ‘Bij het aantrekken van zijn zwarte colbert bekeek hij zijn gezicht en zijn witte poloshirt: of hij zich goed geschoren had, of de boord goed zat, of er geen vlekken op de polo zaten. Hij smeerde wat zonnebrandcrème in zijn haar, dat had zijn vader hem geleerd.’ Niet hoe hij eruitziet, maar wat hij ziet. Een belangrijk verschil met de schrijfwijze van Flaubert en een modernist als Vestdijk.

Franca Treur laat in Dorsvloer vol confetti (2010) veel aan het mentale beschrijvings­vermogen van haar lezers over. We zien de wereld door de ogen van het verbaasde meisje Katelijne dat maar weinig uiterlijke details geeft. Op pagina 7 weten we dat haar vader een snor heeft (‘een snor die nat is van de koffie’, wat een treffend beeld overigens!) en verderop draagt hij een ‘lubberige onderbroek’. Over de moeder meldt ze: ‘Ondanks haar vijfennegentig kilo is de moeder prima in staat de tuin bij te houden.’ Daarna volgt een uitvoerige beschrijving van haar moeders werk in de tuin, waarmee Treur uiteraard een liefdevol beeld van de moeder wil creëren. Treur verdeelt de altijd korte persoonsbeschrijvingen over de hele roman, ze wil de lezer ruimte geven eigen (mentale) beelden van een eigen jeugd terug te roepen. Het gaat in haar roman om ‘wij tegen de rest van de wereld’. Heel mooi is dat te lezen als een paar Duitse kampeerders zich bij de boerderij melden. De vrouw stapt uit en Katelijne ziet in haar de vijand. ‘Ze heeft kort haar, gestifte lippen, en oorbellen en ze draagt een broek.’ Ze ziet in het uiterlijk van de vrouw alles wat in haar streng-christelijke milieu ten strengste is verboden. Haar blik onderstreept de solidariteit met haar milieu, al komen daar in de roman langzamerhand een paar barsten in. Maar weten we hoe de Katelijne van Treur eruitziet? Nee natuurlijk, maar we zien wel onze eigen Katelijne voor ons verschijnen en dat was precies de bedoeling.


Gustave Flaubert, Madame Bovary, vert. Hans van Pinxteren, gebonden, € 32,50

Gustave Flaubert, Madame Bovary, vert. Hans van Pinxteren, paperback, € 15,-

Gustave Flaubert, Madame Bovary, livre de poche, € 5,95

Maartje Wortel, Half mens, € 18,50

Maartje Wortel, Dit is jouw huis, € 14,90

Franca Treur, Dorsvloer vol confetti, € 12,50