De rouw van Edgar Allan Poe

De vloek van de herinnering

Het doorgronden van de schoonheid en de dood — daar ging het Edgar Allan Poe om. Maar meer nog stonden zijn leven en werk in het teken van rouw om gestorven vrouwen.

Eliza Poe was op haar 24ste een van de mooiste, populairste en succesvolste Amerikaanse theateractrices. Aan haar broze schoonheid — ze was klein van postuur met donker haar en donkere ogen — viel niet af te lezen dat ze vroeg in haar carrière zo'n driehonderd rollen op haar naam had staan. Recensenten waren vooral onder de indruk van haar zang- en danstalent. In 1806 trouwde ze met de jonge acteur David A. Poe. In tegenstelling tot Eliza was David Poe volstrekt ongeschikt voor het theater. Slechte kritieken leidden ertoe dat hij zich overgaf aan de drank. Al gauw verdween hij uit het leven van Eliza en hun drie kleine kinderen. Vanaf dat moment ging het bergafwaarts met de beeldschone Eliza. Ze werd dodelijk ziek van «het een of andere besmettelijke virus». Toen de inwoners van Richmond, Virginia, haar thuis bezochten, troffen ze niet de beroemde actrice Eliza Poe aan, maar een bleke, uitgemergelde schaduw van zichzelf. Aan haar ziekbed waakten drie kinderen: William Henry Leonard (4), Edgar (3) en de zuigeling Rosalie. Eliza Poe sprak voor haar dood op 8 december 1811 lang met de kinderen om afscheid te nemen. Maar voor de kleine Edgar zou zijn moeder nooit werkelijk sterven. Als een geest zou de herinnering aan haar altijd bij hem blijven.

Het beeld van zijn moeder was wel degelijk aanwezig toen Edgar Allan Poe, 27, in het huwelijk trad met de dertienjarige Virginia Clemm. Het kindvrouwtje leek erg op Eliza Poe. Voorts nodigde Poe de moeder van Virginia, zijn tante nota bene, uit om bij hen te komen wonen. Zowel tante als nichtje voldeed aan Poe’s levenslange zucht naar een moeder/echtgenote-figuur. Zoals Eliza Poe was Virginia een zangeres. Edgar kocht meteen een piano. Op een avond in januari 1842 zat Virginia te zingen. Maar dan stopte ze opeens, hoestend — bloed spoot uit haar mond.

Zo begon haar vergeefse strijd tegen de dood. Poe werd gek van angst. Hij verbood iedereen ook maar iets te zeggen over de mogelijkheid dat Virginia zou sterven aan tuberculose. Tegelijk inspireerde haar aandoening, en ook de dood van zijn moeder, hem; hij had nu ervaring uit de eerste hand met stromen bloed, wasbleke gelaatstrekken, de geur van ziekte, het geluid van geweeklaag. Bovendien had de schrijver de tijdgeest mee. Kenneth Silverman wijst in zijn Poe-biografie, met de sprekende titel Mournful and Never-ending Remembrance (1991), op de context waarin Poe zijn eerste werken schreef. Rond 1831 bestond er een beheptheid met de dood in de Amerikaanse cultuur. Deze «cult van herinnering» diende als substituut voor bedreigde christelijke ideeën over het hiernamaals. Door fanatieke herinnering konden de doden immers weer tot leven worden geroepen. Men maakte zich ook zorgen over de wijze waarop de commercie en de industrialisatie het privé-leven gingen overheersen. In veel grote steden werden begraafplaatsen omgespit om plaats te maken voor verdere urbanisatie. Maar de preoccupatie met de dood ging nog dieper. Het lamenteren om gestorven geliefden kreeg een romantisch karakter, zoals Washington Irving in die tijd schreef: «There is a voice from the tomb sweeter than song.»

Niemand was meer geobsedeerd door de zoete stem van de dood dan Edgar Allan Poe. In zijn gedichten en verhalen is de dood alomtegenwoordig, vaak als gestalte of zelfs als vorm van leven. Hierdoor is de relatie tussen leven en dood dubbelzinnig. Een lijk is nooit slechts een stuk vlees, maar iets dat tot leven kan komen. Omgekeerd zijn zogenoemde levenden vaak niets meer dan ziel loze lichamen. De levende doden en de dode levenden, het hiernamaals en de greep van het verleden op het heden — voor Edgar Allan Poe raakten deze thema’s de kern van de vraag die hem elke dag bezighield sinds dat moment aan het sterfbed van Eliza Poe: wat is de dood?

Een minnaar die treurt om zijn overleden geliefde, een raaf die almaar zegt: «Never more» — dit zijn de simpele ingrediënten van een groot kunstwerk: het gedicht The Raven (1845). Het werk verraadt veel over de obsessie van Edgar Allan Poe met de dood. In het essay The Philosophy of Composition (1847) constateert de schrijver dat droefheid de hoogste manifestatie van schoonheid is. Alle soorten schoonheid leiden onontkoombaar tot tranen. Daarom is droefheid — melancholie — een bij uitstek dichterlijke stemming. Hieruit volgt dat de dood het meest melancholische van alle onderwerpen is. In het geval van het overlijden van een beeldschone vrouw ontstaat een band tussen de schoonheid en de dood. Voor Poe is de dood «het meest poëtische onderwerp dat er bestaat».

Niemand is beter in staat vorm te geven aan dit onderwerp dan een treurende minnaar. En dus is het middernacht. En droefheid overmeestert de minnaar. Hij zweert haar naam, Lenore, nooit meer uit te spreken. Dan hoort hij een tikkend geluid aan de deur. Hij doet open, tuurt de duisternis in, ziet niks, hoort niks — behalve het gefluisterde woord: «Lenore!» De zwarte raaf vliegt binnen. Het macabere gesprek begint. De man wil weten of zijn geliefde leeft in het hiernamaals. De vogel kent slechts één antwoord, meedogenloos: «Nevermore». Een cadans ontstaat waarbij de man vragen stelt — niet omdat hij een zinnig antwoord verwacht, maar om de reactie «nevermore» te ontlokken. In dit woord vindt de minnaar berusting, aangezien het naast de finaliteit van de dood ook schoonheid impliceert. Hij is wel gedoemd voor eeuwig te treuren om zijn gestorven minnares, maar tegelijkertijd wordt haar door middel van de herinnering het eeuwige leven geschonken. De schoonheid van de dood ligt in de herinnering aan de gestorvene, aan de «sweet sound from the tomb» waarover Irving schreef.

In zijn essay over The Raven verwijst Poe naar de symboliek van de raaf, namelijk «rouwvolle en nimmereindigende herinnering», waaraan Silverman de titel van zijn biografie ontleent. Onmiskenbaar bestaat er een connectie tussen de vraag wat de oorzaken en gevolgen van de dood zijn — Poe’s grote preoccupaties — en het trauma dat de schrijver als jongen opliep toen zijn moeder overleed. Silverman wijst op Freuds analyse van hoe een jongen treurt om de dood van zijn vader. De jongen zegt: «Ik weet dat m'n vader dood is, maar ik begrijp niet waarom hij niet thuis komt eten.» Iets soortgelijks was met Poe aan de hand. Ooit zei hij tegen een uitgever: «Ik geloof dat geesten de nacht misbruiken teneinde onwaakzamen om de tuin te leiden. Hoewel, ik geloof niet in geesten.» Deze tegenstrijdigheid duidt erop dat Poe wel degelijk geloofde in «iets» na de dood. Silverman komt tot de conclusie dat The Raven het resultaat is van Poe’s brandende begeerte zich zijn moeder te blijven herinneren. De «bleak December» in het gedicht zou bijvoorbeeld verwijzen naar de maand waarin Eliza Poe overleed.

Het onwillekeurig onthouden van de doden staat centraal in het korte verhaal dat misschien wel Poe’s grote meesterwerk is: Ligeia. De openingszin is onvergetelijk

«I cannot, for my soul, remember how, when, or even precisely where, I first became acquainted with the lady Ligeia.» Daar gaat het nu juist om: blijven herinneren teneinde geestelijk gezond te blijven. Maar het meesterlijke ligt vooral in de wijze waarop Poe aantoont dat de herinnering een vloek kan zijn.

In Duitsland trouwt de verteller met de mysterieuze, beeldschone Ligeia. Wanneer zij overlijdt, treedt hij met de oninteressante Lady Rowena in het huwelijk. De verteller kan zijn geliefde maar niet vergeten. Samen met Rowena verhuist hij naar een Engels klooster. Daar wordt zij ziek. De verteller waakt naast haar bed. In typische Poe-stijl beschrijft de verteller in detail het stervensproces: bleek marmeren gezicht, verschrompelde lippen en uiteindelijk een ijskoud lichaam. Rowena, gekleed in een lijkwade, ligt uitgestald op bed. Maar dan, midden in de nacht, is een zucht hoorbaar. En weer, en weer. De verteller is ziek van angst terwijl het «vreselijke drama van wederopwekking» zich afspeelt. Het verhaal eindigt op het hoogtepunt: het lijk komt tot leven en haalt het doodskleed van zijn gezicht. Zoals altijd bij Poe vallen de ogen de verteller het eerst op: «… these are the full, and the black, and the wild eyes of my lost love — of the lady — of the LADY LIGEIA!»

Het verhaal is een prachtige allegorie van de kracht van kunst. Door herinnering, door de verbeelding, wekt de verteller zijn geliefde weer tot leven. Op dezelfde wijze heeft Poe zijn verhaal gecreëerd: door middel van herinnering — in de vorm van de gedachtenwereld van de schrijver — geeft hij vorm aan een fictieve werkelijkheid. Met behulp van woorden, de fysieke woorden die wij op papier lezen, blaast hij zijn karakters leven in, zoals Ligeia wederopstaat dankzij haar minnaar die weigert haar te vergeten.

Beeldschone dode vrouwen die tot leven komen en gestalte geven aan de vloek van herinnering, zijn een terugkerend motief in het werk van Poe. In The Fall of the House of Usher verschijnt de in een doodskleed gewikkelde Lady Madeleine voor haar tweelingbroer Roderick, die langzaam bezig is gek te worden. Aan de verteller legt hij uit dat Madeleines dood het einde betekent van het geslacht Usher. Zijn waanzin bereikt een climax wanneer hij bekent dat hij zijn zuster had vermoord door haar levend in een graftombe te stoppen. Haar witte doodskleed is doorweekt met bloed wanneer zij te voorschijn komt uit de tombe. De dode neemt wraak op de levende: Madeleine valt voorover, boven op Usher, waarna beiden dood neervallen en het huis in elkaar stort. Uit het verhaal blijkt Poe’s geloof dat de tegenpolen leven en dood, lichaam en geest in werkelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

De invloed van Usher is net als de rest van het oeuvre van Poe sterk voelbaar in de hedendaagse horror. In klassiekers zoals Night of the Living Dead (1968) van George Romero en Halloween (1978) van John Carpenter heeft de dood geen finaliteit. Integendeel, het sterven is slechts het begin van het verhaal. Interessant is de wijze waarop herinnering in deze films dezelfde functie vervult als in Poe’s werk. In Carpenters film keert de levende dode Michael Myers terug naar het voorstadje waar hij jaren eerder als jongetje zijn familie had uitgemoord. De collectieve herinnering aan deze moorden is levend gebleven. Zoals in Poe’s verhalen, bijvoorbeeld Ligeia, komt een personage in Halloween «tot leven» dankzij herinnering. Interessant is dat horror meer dan welk ander genre ook het vervolg-fenomeen kent. Inmiddels zijn er een handvol Halloween-films. De reden? De herinnering van film kijkers aan geliefde personages als Michael Myers zorgt ervoor dat ze keer op keer tot leven worden gewekt.

Poe was ook een voorvader van het subgenre body horror. Dat blijkt het beste uit zijn verhaal The Facts in the Case of M. Valdemar. Hierin experimenteert een hypnotiseur op een stervende man en probeert de dood tegen te houden met behulp van zijn talent. Onder hypnose sterft de man, Ernest Valdemar. Maar dan reageert hij met de lugubere woorden: «Ik ben dood.» Maanden gaan voorbij. Poe beschrijft in detail hoe het lichaam ontbindt. Toch zijn er tekenen van leven: de zwarte tong beweegt terwijl de woorden «dood, dood» hoorbaar zijn. Een verschrikkelijke finaliteit schuilt in de laatste, onverschillige zin: «Upon the bed… there lay a nearly liquid mass of loathsome — of detestable putridity.»

De morbide wijze waarop de schrijver focust op de puur lichamelijke aspecten van de dood wordt vaak teruggevoerd op de tuberculose waaraan Virginia leed. Het begin van The Masque of the Red Death liegt er niet om: «The ‹Red Death› had long devastated the country. No pestilence had ever been so fatal, or so hideous. Blood was its Avatar and its seal — the redness and the horror of blood.» In The Masque — een van de beste voorbeelden van het genre short story — overheerst het denkbeeld dat niemand kan ontsnappen aan de dood. Regisseur Roger Corman diept dit thema op boeiende wijze verder uit in zijn filmversie (1964) van Poe’s verhaal. Prins Prospero (Vincent Price) geeft voor de rijken een feest in zijn kasteel terwijl de armen in het land bij bosjes sterven wegens een pestepidemie. Het feest — een «wellustige scène», schreef Poe — is aanvankelijk een overwinning van de mens op de dood. De decadentie van dit idee krijgt prachtig vorm in Cormans verhaal wanneer de gasten, gemaskerd en gekleed in alle kleuren van de regenboog, zich overgeven aan een macabere dans. Onverwacht verschijnt een geheel in rood geklede, gemaskerde figuur. Langzaam, ritmisch beweegt hij tussen de gechoqueerde dansers door. Een woedende Prospero valt de Rode Dood aan met een mes. De prins vindt echter zelf de dood. Een voor een volgen de gasten hem. Het einde is aangebroken: «And Darkness and Decay and the Red Death held illimitable dominion over all.»

Over de dood van Edgar Allan Poe schreef Charles Baudelaire: «Dit sterfgeval was wellicht een zelfmoord die lang werd voor bereid.» Een perfecte analyse. De schrijver stierf in de herfst van 1849 onder mysterieuze omstandigheden. Bekend is dat hij ’s nachts ergens in Baltimore dronken werd aangetroffen en naar het Washington Medical College werd gebracht. Twee dagen lang ijlde hij. Op de laatste dag werd hij om drie uur ’s morgens wakker. Dr. John J. Moran had dienst. Hij slaagde erin Poe te kalmeren. Even later draaide de schrijver zijn hoofd naar de arts en fluisterde de woorden: «Lord help my poor soul.» Toen blies Edgar Allan Poe zijn laatste adem uit.

Wist Poe op dat moment een antwoord op de vraag wat de dood is? Hoe het ook zij, de wijze waarop hij stierf, paste bij zijn leven. Op een vreemde manier stonden zijn laatste momenten in het ziekenhuis al vast sinds hij als driejarig jongetje aan het sterfbed van Eliza Poe zat, of toen Virginia op haar 25ste eindelijk overleed aan tuberculose. Deze voorvallen traumatiseerden de schrijver onherroepelijk. Ook moest hij zijn leven lang vechten voor erkenning als serieus kunstenaar, had hij voortdurend geldproblemen en kon hij na Virginia nooit weer een betekenisvolle relatie met een vrouw hebben.

En altijd maar weer is er het beeld van Eliza. Dat is misschien nergens sterker aanwezig dan in Poe’s minder bekende novelle The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket. In dit verhaal, een voorloper van Herman Melville’s Moby Dick — beleeft Poe’s titelpersonage als verstekeling en later als zeeman allerlei avonturen aan boord van verscheidene zeilschepen. Treffend is de wijze waarop de schrijver epische beschrijvingen combineert met intens persoonlijke confrontaties met de dood. Deze vinden plaats in claustrofobische ruimtes: het voorraadruim van een schip, een donkere grot. Deze metaforiek hangt samen met Poe’s pathologische hunkering naar een verzorgende moederfiguur. Honger is de rode draad in het verhaal. Wanneer Pym samen met andere zeelieden probeert te overleven op het dek van een schip, moeten ze naar beneden duiken om te zoeken naar proviand in het met water gevulde ruim. Eén van twee uitkomsten is mogelijk: voedsel vinden of de dood tegemoet zwemmen. Zo gaan geboorte en dood hand in hand; in de wereld van Poe kan een baarmoeder binnen enkele seconden veranderen in een graftombe.

Biograaf Silverman traceert de aanwezigheid van Eliza Poe nog dieper in het verhaal. In het laatste deel van hun avontuur worden Pym en zijn vrienden op de Zuidpool geconfronteerd met wilden die almaar roepen: «Tekeli-li.» Volgens Silverman was dit woord de achternaam van een Hongaar die het onderwerp was van het populaire melodrama The Siege of Mongatz. En wie was de ster die aan het begin van de negentiende eeuw schitterde in een hoofdrol in dit stuk? Eliza Poe.

Eliza… de honger is onstilbaar. Pym onderneemt een laatste, hallucinerende boottocht, door water dat eruitziet als melk. Een sfeer van gedempte onwerkelijkheid heerst: «white, ashy material fell»… «a sullen darkness now hovered above us»… «a luminous glare arose»… «there came… a soundless wind…» De verteller lijkt berusting te vinden in zijn eigen doodswens. Voort vaart het bootje, onafwendbaar in de richting van een waterval, waar een «opengereten kloof ons verwelkomt». Daar, waar de waterval de slachtoffers «omarmt», wacht een in een doodskleed gewikkelde menselijke figuur. Eliza Poe? De Dood? Een combinatie van beiden? Walging en begeerte, waanzin en berusting, de schoonheid en de dood — al deze dingen smelten samen. Hoe aanlokkelijk is de figuur nu wel niet: «And the hue of the skin of the figure was of the perfect whiteness of the snow.»