Profiel: Gerrit van der Valk

De vloek van de toekan

Het is dat Gerrit van der Valk officieel Zwitsers staatsburger is. Anders hadden ze ’m bij Leefbaar Nederland zeker gevraagd. Niemand die hartgrondiger baalt van regeltjes, ambtenaartjes, geheime afspraakjes en achterkamertjes. Niemand die oprechter lijdt aan het syndroom van de keihard door de overheid genaaide ondernemer. Niemand bij wie de afkeer van hoge meneren en hun syndicaatjes zo onmiskenbaar van het gezicht valt te lezen. Contacten met Leefbaar Nederland zijn er wel geweest. Een deel van de Scheveningse pier, begin jaren negentig door het Van der Valk-concern aangekocht, is verhuurd aan Henk Westbroek en Broos Schnetz, die er een kopie van het succesvolle Utrechtse rockcafé Stairway to Heaven wilden uitbaten. «Bord Snert», zal Gerrit van der Valk ongetwijfeld gedacht hebben. Ondanks zijn halve analfabetisme is Ome Gerrit, zoals hij binnen de familieclan liefkozend genoemd wordt, bedreven in het verzinnen van woordgrapjes en bijnamen. Ome Gerrit heeft het niet over «de overheid» maar over «de onderheid». Ome Gerrit heeft het over «officier Zandhoop» als de man die hem aanklaagt voor belastingontduiking «officier Zandbergen» heet. Ambtenaren zijn «Titootjes», de Fiod is «de Gestapo». Soms gaat zo’n grapje ook per ongeluk. Zoals in een interview met Hans van Wissen in 1999. Dan heeft hij het over «colporteur» als hij «collaborateur» bedoelt. Dan heeft hij het over «terminaal bad» waar hij «thermaal bad» bedoelt.

Ome Gerrit is van de lange halen, snel thuis. Dat zie je niet alleen aan het eten dat hij zijn gasten in zijn restaurants voorzet — met een kwak appelmoes plus vruchtje afgebluste frieten en schnitzel — dat zie je aan alles binnen en buiten zijn bedrijf. Dat vorige week in de Van der Valk-vestiging in Tiel het parkeergaragedek in elkaar donderde, is geen toeval en had niet overal kunnen gebeuren. Het had alleen in één van de vreetketen van Van der Valk kunnen gebeuren. Want alleen daar heerst de mentaliteit van Ome Gerrit. De mentaliteit van pleur-maar-neer-de-gemeente-ziet-het-toch-niet-en-als-ze-het-wel-ziet-is-het-lekker-al-te-laat. Zo ging het in Tiel en zo ging het overal. Het is een wonder dat de eerder genoemde Scheveningse pier nooit door zijn pootjes is gekrakt. Ome Gerrit in Elsevier van december 1991: «We hebben dat ding in een half uurtje gekocht. Gewoon op zicht. De pijlers zijn net bamboestokjes, zoveel scheuren zitten er in het beton. Maar ze houden het nog wel een jaar of twintig vol, schat ik.»

De eerste die het vorige week voor Ome Gerrit opnam, was Joep van den Nieuwenhuyzen, die failliete bedrijven opkoopt en ze voor veel geld weer van de hand doet, maar begin jaren negentig zijn blazoen besmeurde met een voorkenniszaak. Joep is al heel lang getrouwd met Carlita van der Valk. Dochter van Gerrit. En dus zei Joep in het Algemeen Dagblad dat het instorten vermoedelijk kwam door de aanleg van de Betuwelijn; werkzaamheden, overigens, die enige tientallen kilometers verderop plaatshebben. Dertien auto’s en grote blokken beton waren vorige week zondag pardoes een verdieping lager gezakt. Vroeger was die verdieping gewoon een parkeerdek, maar Ome Gerrit, die slinkse visionair, had een tijd ervoor op eigen houtje en zonder vergunning van de Titootjes er eigenhandig een zaaltje van gemaakt. Op het moment van instorting was juist een computerbeurs beëindigd. Dat er geen doden zijn gevallen, valt toe te schrijven aan het stom geluk dat Ome Gerrit zijn leven lang al overkomt. En toch moet niemand vreemd opkijken als bij het puinruimen lichamen van illegale zwartwerkers geborgen moeten worden. Ome Gerrit, toen voor de zoveelste maal in een van zijn filialen een clandestiene afwasploeg werd opgerold: «Alle mensen die honger hebben en bij ons komen eten, helpen we. Dat is onze plicht als christen. We zijn alleen wel zo nuchter dat we zeggen: werk er ook maar even voor.»

De vrouw van Ome Gerrit heet Toos. In 1947 leerde hij haar kennen. In De dynastie Van der Valk, een door voormalig Panorama-journalist Hendrik Jan Korterink geschreven biografietje waar Ome Gerrit zelf allerlei onwelgevalligs uit mocht knippen, vertelt de Geestelijk Vader Van Het Gratis Extra Opscheppen hoe zijn matrone zich direct als een «echte Valkvrouw» ontpopte: «We hadden een afspraak gemaakt voor een avondje uit, maar dat ging niet door: ik moest plotseling helpen in De Gouden Leeuw. Toos kreeg een ijsje en moest maar even wachten. Ze zag hoe druk het was en wandelde de keuken binnen, bond een schort voor en hielp de hele avond mee.» Vader Martinus van der Valk, die het schrans- en snurkimperium in 1928 in voornoemd restaurant te Voorschoten oprichtte en — zoals het een streng katholiek betaamt — toezag op de partnerkeuze van zijn drie kinderen, gaf zijn zoon direct de felbegeerde goedkeuring. Gerrit zou zijn Toos nooit verlaten. «Geloof me», zei hij tegen Louis Velleman in 1995 in dit blad, «ik heb nooit een ander dan mijn Toos in mijn bed gehad. In mijn bed, ik heb het niet over dat van een ander.»

Dezelfde selectiecriteria als zijn vader paste Ome Gerrit toe op de aanstaande wederhelften van zijn kinderen. Belangrijkste voorwaarde was dat de partner vooral niet te lang in een klaslokaal gezeten had. «Iemand die geleerd heeft is gehandicapt», zei Ome Gerrit in 1991 tegen Elsevier. «Als je veel hersens hebt, zit je op school alleen maar je tijd te verknoeien. En heb je geen hersens, dan is het helemaal doodzonde.» Door de mobilisatie kreeg de in 1928 geboren en leesblinde Gerrit nooit de kans zijn school af te maken. Hij vatte allerlei klusjes op, bedroog ten behoeve van de eigen beurs wat Duitsers, en reisde onder meer naar Amerika waar hij als veehandelaar op onheuse wijze een bescheiden kapitaal bijeenharkte. Een eerste vormende karaktereigenschap trad die dagen op de voorgrond. In plaats van belasting af te dragen of het verdiende naar de bank te brengen, begroef hij het in een kistje onder de grond.

Vader Martinus was intussen hard bezig met de expansie van zijn concern. De formule van De Gouden Leeuw te Voorschoten — voor een tientje een overdaad aan huiselijke pot zonder uitheemse, darmontwrichtende specerijen — werd gekopieerd in onder meer Het Haagsche Schouw in Leiden, de Witte Bergen te Eemnes en in het te Alphen aan den Rijn opgekochte vogelpark Avifauna. Het waren vooral Gerrit en zijn broer Arie die het concern verder opbouwden toen vader Martinus in 1969 overleed. Begin jaren zeventig waren al meer dan twintig Van der Valk-motels en restaurants verrezen. Het logo werd een toekan, want de poten van een valk vond Ome Gerrit te veel op een hakenkruis lijken. Tegen Hans van Wissen: «Ik voel me verwant met verdreven volken, met Hongaren in de jaren vijftig, met de Kosovaren nu, met de joden onder Hitler. Want vérdreven volken worden gédreven. En ik hou van gedreven mensen.»

Met Arie zette Ome Gerrit eigen toeleveringsbedrijven op, waaronder varkensmesterijen, een destilleerderij, een bouwbedrijf en een architectenbureau. Een visvangerij te Chili, een recyclefabriek voor het standaard meubilair en een door de Valk-vrouwen gerund souvenir- annex parfumfabriekje zouden volgen. In 1987 stonden meer dan veertig Van der Valk-motels en restaurants geregistreerd, waaronder enkele in België. Duitsland, de Antillen, Spanje en Zuid-Frankrijk zouden later volgen. In NRC Handelsblad van 4 maart 1987 legde journalist Marcel Metze de troebele boekhoudingssituatie bloot. Over 1984 en 1985 bleken, anders dan de wet gebiedt, geen jaarrekeningen te zijn gedeponeerd. Wel betaalden de Valkjes elk jaar netjes de op dat vergrijp staande maximumboete van tienduizend gulden, veel goedkoper dan wanneer open kaart gespeeld zou worden. Metze ontdekte een schimmige bedrijfsstructuur: alle motels, restaurants en bedrijven bleken in aparte bv’s ondergebracht, in totaal zo’n 120. Als vliegen snorden ze rond de holding Valkenhorst BV, waarvan de aandelen, net als de aandelen van alle bv’s, in handen waren van «de tweede generatie», bestaande uit Arie en Gerrit omdat de andere tien zonen van Martinus het in de machtsstrijd hadden afgelegd. De broers hadden de derde generatie, 85 neven en nichten in getal, de dagelijkse leiding van de afzonderlijke vestigingen toebedeeld, daarbij streng toezicht houdend. De zoons van Arie en Gerrit kregen goedlopende vestigingen als Akersloot, Gilze-Rijen en het vorige week ingestorte Tiel toegeschoven.

Gerrit noemde zijn zonen Gert-Jan «Tiel» en Ad «Gilze-Rijen». De kinderen van Gert-Jan «Tiel» en al die anderen van de vierde generatie zijn vanaf hun twaalfde werkzaam in de bediening. «Het onorthodoxe familieconcern doet denken aan een maffia-organisatie: bevoegdheden zijn nergens vastgelegd, macht ontlenen de top-dogs louter aan hun uitstraling, hun capaciteiten en hun werklust», schrijven Volkskrant-journalisten René Bogaarts en Harry van Gelder in Het teken van de toekan (Meulenhoff, 1996). «Over salarissen wordt niet gesproken: iedereen neemt waar hij behoefte aan heeft, sociale controle voorkomt uitwassen. De winst wordt terug in het concern gepompt.»

Het «sigarendoosmodel», zoals de ouderwetse Van der Valk-bedrijfsstructuur genoemd werd, kwam in februari 1994 onder druk te staan, toen Ome Gerrit met Toos in opdracht van de Fiod van een Curaçao’s strand werd geplukt. «Eerst dacht ik: Bananasplit», zei hij later tegen Velleman. Ome Gerrit werd verdacht van alles waar een malafide restaurant eigenaar maar van verdacht kan worden en tijdelijk stopten ze hem in de Koraal Specht-gevangenis in Willemstad. «Een kaal rommeltje was het», zegt hij later tegen Korterink. «Ik had een papiertje gekregen. Daar stond iets op over artikel 140 of zo. Dat papiertje heb ik maar gebruikt om mijn achterste mee af te vegen. Dat moest ook wel, want er was geen toiletpapier.» Gelijktijdig werden in Nederland invallen gedaan in talloze Van der Valk-vestigingen waar de Arbeidsinspectie jaren achtereen grove overschrijdingen van de Arbeidswet geconstateerd had en waarover de Keuringsdienst van Waren ook niet juichend had gerapporteerd. Met een aantal derde-generatie-Valken bracht Ome Gerrit nog enkele dagen achter de tralies van de Scheveningse gevangenis door. Na een week werd hij op borgtocht vrijgelaten. Broer Arie en enkele zonen kregen fikse straffen aan hun broek. Vlug gooide een benauwde Ome Gerrit het op een 213 miljoen gulden bedragend akkoordje met de «chanteurs en afpersers» zoals hij de mannen van de fiscus placht te typeren. Hij zwoer de concernleiding over te dragen aan de jonge garde en bovendien klaarte te scheppen in de drabbige papierwinkel.

Afgezien van door alle arbeidsrechterlijke overtredingen bleek de nieuwsgierigheid van de Fiod vooral gewekt door het losgeld dat Ome Gerrit in 1983 bij de ontvoering van zijn vrouw Toos op tafel legde: 12,5 miljoen cash. Ruim drie weken was Toos in een tent op een kamertje in Brussel door een stel Italianen vastgehouden. Het was Joep van den Nieuwenhuyzen die de onderhandelingen met de Italianen had gevoerd en er door een onzorgvuldige overdracht voor zorgde dat Toos op een haartje na geëxecuteerd was. «Dieser fucking Joep», briesten de ontvoerders. Na toezending van een foto ten bewijze dat ze nog leefde, had Ome Gerrit zelf ook kortstondig contact met de ontvoerders: «Zorg tenminste dat ze er fatsoenlijk uitziet, geef haar wat make-up», gebood hij. De ontvoerders werden gepakt en sommigen belandden in de Scheveningse gevangenis waar Ome Gerrit later ook tijdelijk vast kwam te zitten. De straffen hadden uiteraard niet de instemming van Ome Gerrit: «De berechting van dit soort criminelen is ordinaire volksverlakkerij. Hondsdolle honden worden toch ook afgemaakt?» Woedend trok hij zich met Toos terug in «De gelukige winden», zijn chalet in de Zwitserse Alpen.

Waar was Ome Gerrit toen vorige week het parkeerdek instortte? Niet zoals beloofd rustigjes op de achtergrond maar aan het Van der Valk-front, ergens in het Oostblok inmiddels. Het Oost-Duitse Mecklenburg, om precies te zijn, waar hij in 1996 het 72.516 vierkante meter beslaande wooncomplex van voormalig DDR-leider Erich Honecker opkocht, compleet met nog intacte Stasi-officiersverblijven. Samen met onroerendgoedmagnaat René Colthof is hij er een bungalowpark omheen aan het bouwen. En of de jongste generatie het nu leuk vindt of niet, tot aan zijn dood zal Ome Gerrit onaangekondigd hun motels binnenlopen en koelkastdeurtjes opentrekken om te zien of de kaas niet kleeft en de melk niet zuur is. Dat hij die deurtjes voorzichtig moge dichtslaan.