OLIE EN OORLOG

De vloek van olie

De wereld staat aan de vooravond van een structureel olietekort. Dat heeft grote gevolgen voor welvaart, machtsverhoudingen en democratie. Slot van een tweeluik: de binnenlandse gevolgen in olielanden.

TOEN DIT VOORJAAR het upperclass-huwelijk werd voltrokken tussen Sir Mark Thatcher, zoon van de voormalige Britse premier, en zijn maîtresse werd rond dezelfde tijd huurling Simon Mann veroordeeld tot 34 jaar cel in de beruchte Black Beach-gevangenis in Equatoriaal Guinee. Mann en Thatcher waren vrienden en hadden samen deelgenomen aan een boud plan voor een staatsgreep in het kleine landje aan de Afrikaanse westkust. Een en ander was echter uitgelekt. In Malabo, de hoofdstad van Equatoriaal Guinee, werd de voorhoede opgepakt die het vliegveld had moeten bezetten, en werd een Duitse huurling in Black Beach doodgemarteld.
Tijdens zijn proces vertelde Mann dat een Britse olietycoon alles met goedkeuring van Spanje en Zuid-Afrika had opgezet om de olie van Equatoriaal Guinee in handen te krijgen. Sinds oliegigant Mobil er in 1995 olie vond, wordt er in het landje van een half miljoen inwoners per dag een slordige vijftien miljoen dollar aan olie opgepompt. Het bouwt een tweede hoofdstad (‘Malabo 2’), heeft een rechtstreekse vliegverbinding met Texas en kent een fantastische economische groei, die het gemiddelde inkomen op zo’n dertigduizend dollar per jaar heeft gebracht.
Maar het overgrote deel van de bevolking leeft in grote armoede. Equatoriaal Guinee staat wat kindersterfte betreft in de toptien van de wereld, en het is een van de weinige landen ter wereld waar sinds de jaren negentig de kindersterfte steeg. Maar omdat er nu iets te halen valt, kan Equatoriaal Guinee de dreiging van geweld en oorlog aan zijn lijstje treurigheden toevoegen, zoals uit de mislukte staatsgreep bleek. De politieke en burgerlijke vrijheid in het land nemen steeds verder af.
Met deze recente geschiedenis is Equatoriaal Guinee een klassiek slachtoffer van wat onder politicologen de ‘Vloek van Olie’ heet. In theorie is het een groot geluk als een ontwikkelingsland olie of een andere waardevolle grondstof bezit: het heeft dan opeens een berg geld om te investeren in onderwijs, infrastructuur, gezondheidszorg, staatsinstituties en allerlei andere zaken die een zonnige toekomst mogelijk maken. In de praktijk is dat nog nooit gebeurd.
Het economische deel van die vloek staat internationaal bekend als de ‘Nederlandse ziekte’, naar het eerste slachtoffer. Nadat in 1959 onder het veld van de Groningse boer K. Boon een reusachtige gasbel was gevonden, gebruikte Nederland het binnenvloeiende geld onder meer voor grote bouwprojecten, het staatsbudget en sociale fondsen. De gulden steeg snel in waarde, waardoor de industrie, landbouw en andere exportsectoren in problemen kwamen. De economie als geheel verzwakte en bleek kwetsbaarder voor economische schokken.
Nu was Nederland een ontwikkelde economie en kon het zich vrij makkelijk herstellen. Maar in ontwikkelingslanden had dit mechanisme soms catastrofale langetermijngevolgen. In Nigeria, bijvoorbeeld, stortte de landbouwsector in als gevolg van een olie-boom rond 1970: in 1968 maakten landbouwexporten nog ruim elf procent uit van de nationale economie, in 1972 vier maal zo weinig. De Nigeriaanse landbouw heeft zich nooit meer hersteld. Industrie is een ander bekend slachtoffer van olie-export en omdat juist in landbouw en industrie veel banen zijn, kennen olieproducenten vaak massawerkloosheid – en daarmee grootschalige armoede.
Olielanden beschikken zelden of nooit over de fiscale en politieke discipline om de olie-inkomsten te gebruiken om die armoede te bestrijden, of om structureel in welvaart, groei en volksgezondheid te investeren. Paradoxaal genoeg helpt olieweelde een land daarom economisch niet vooruit, maar vaak juist achteruit. ‘Het is een verschijnsel dat je ziet bij alle olie-exporteurs’, zegt de Amerikaanse politicoloog Michael Ross, de meest geciteerde wetenschapper op dit gebied, in een telefonisch interview. ‘In meer dan de helft van de Opec-landen lag in 2005 het gemiddelde inkomen lager dan dertig jaar eerder. In drie ging het inkomen tussen 1980 en 2000 zelfs met driekwart of meer achteruit. Zelfs in het op papier steenrijke Saoedi-Arabië daalde het gemiddelde inkomen met veertig procent.’
Van de zes landen die het meest van olie-export afhankelijk zijn, worden er drie door de Wereldbank geclassificeerd als ‘arme landen met zware schuldenlast’ – de meest problematische categorie. En niet alleen het inkomen is een probleem: burgers in olielanden hebben zelden toegang tot adequate ziekenzorg en opleiding, waardoor in oliegeld badende landen toch vaak in de lagere regionen bungelen van statistieken die de kwaliteit van leven in landen aangeven (zie tabel). Er is zelfs een statistisch verband aangetoond tussen olie-export en kindersterfte.
Het politieke deel van de olievloek is even zorgwekkend: grote olie-inkomsten hebben een negatieve invloed op vrede, integriteit en politieke vrijheid. ‘Olieweelde pakt op twee manieren slecht uit voor democratie’, zegt Ross. ‘Ten eerste hoeft een regering die veel geld ophaalt via olie geen belasting te heffen. Ze is dus onafhankelijk van haar burgers en maatschappij en hoeft zich niets aan te trekken van zaken als openheid of verantwoording afleggen. Olielanden zijn in de regel dan ook erg onvrij.’
‘Ten tweede kan een regering zich met oliegeld beschermen tegen interne oppositie’, vervolgt Ross. ‘Dat gebeurt enerzijds door politie en geheime diensten op te pompen, anderzijds door patronage en het afkopen van tegenstanders. Dat laatste voedt weer de corruptie, die onvermijdelijk is als er in een arm land opeens grote bedragen beginnen rond te zweven. Van bovenaf druppelt corruptie alle niveaus van de staat in. Alleen als een land al sterke instituties heeft vóórdat er oliegeld binnenvloeit, ontsnapt het aan die gevolgen. De enige vrije staten die veel olie produceren zijn de Verenigde Staten en Noorwegen, en beide waren al een democratie voordat er olie gevonden werd.’ Nog zo’n pijnlijk anekdotisch bewijs: het enige Arabische land zonder olie, Libanon, is ook de enige democratie.
Uiteraard kan de regering van een olieland zich beter tegen oppositie beschermen als de olieprijs hoog is. Er zijn legio voorbeelden van landen waar recentelijk de politieke vrijheid afnam toen de olieprijs steeg en vice versa, zoals Iran, Venezuela en Rusland. Het verband is zo sterk dat het door de invloedrijke columnist Thomas Friedman ‘De eerste wet van de petropolitiek’ is genoemd: de prijs van olie en de mate van vrijheid bewegen zich altijd tegengesteld aan elkaar.

Dit alles is relevant omdat de wereld volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) aan de vooravond staat van een structureel olietekort. Dat betekent niet dat de olie plotseling op zal zijn, maar wel dat de competitie om olie zal toenemen en de prijs ervan blijvend omhoog zal gaan. Het IEA verwacht het olietekort vanaf 2010, maar door de financiële crisis zijn de scenario’s onzekerder geworden. Enerzijds stagneert door de crisis de vraag naar olie, maar daar staat tegenover dat geplande investeringen in olieproductie zijn geschrapt – en die zijn nodig omdat de huidige olievelden elk jaar zeven procent minder olie opleveren. Volgens het IEA komt het olietekort daarom door de financiële crisis straks harder aan.
Sinds 2006 wordt er wereldwijd al minder olie geproduceerd dan er wordt gebruikt. Omdat er veel brandstofvoorraden zijn, heeft zich dat nog niet vertaald in een tekort op de markt; de prijsstijging van afgelopen zomer was niet het gevolg van een tekort, maar van speculatie. Toch beginnen olieanalisten zich onderhand af te vragen of de wereld aan haar productieplafond zit. Saoedi-Arabië, ’s werelds grootste olieproducent, wuift alle zorgen weg en zegt elk tekort weg te kunnen pompen. Maar het lukte Saoedi-Arabië en andere Opec-landen deze zomer niet hun productie te verhogen om daarmee de prijsexplosie te stoppen. Als de olieproductie werkelijk niet omhoog kan, komt het moment van structureel olietekort snel op ons af. En alle internationale en binnenlandse problemen die aantoonbaar samenhangen met een hoge olieprijs kunnen we dan in alle hevigheid verwachten.
Wat hevigheid betreft lopen de economische en politieke gevolgen van de Vloek van Olie niet meteen in het oog. Een ander negatief gevolg van olierijkdom doet dat des te meer: oorlog. De vermaarde Oxford-econoom Paul Collier onderzocht in 2006 de structurele oorzaken van burgeroorlog. Hij stelde vast dat tussen 1965 en 2000 een willekeurig land veertien procent kans liep om in burgeroorlog verwikkeld te zijn. Maar landen die nauwelijks grondstoffen exporteerden, bleken maar een half procent kans op oorlog te hebben, terwijl landen waarvan de economie in hoge mate dreef op grondstofexport 22 procent kans liepen. Als die belangrijkste grondstof olie was, was de oorlogskans zelfs dertig procent. ‘Verbijsterend genoeg hebben sociale grieven, zoals sociale ongelijkheid, gebrek aan democratie en etnische en religieuze verdeeldheid, nauwelijks systematische invloed op het oorlogsrisico’, concludeerde Collier. ‘Het risico van burgeroorlog blijkt systematisch gerelateerd te zijn aan economische factoren, zoals afhankelijkheid van grondstofexport en laag inkomen.’
Wat in Colliers studie niet te zien was, was dat het voor olielanden nog slechter werd aan het einde van de door hem bestudeerde periode. De wereld werd veel vreedzamer in de afgelopen vijftien jaar: er zijn nu maar vijf grote burgeroorlogen in de wereld, vergeleken met zeventien aan het einde van de Koude Oorlog. Maar Michael Ross wees erop dat die ontwikkeling volledig voorbijging aan olielanden. ‘Terwijl oorlogsgeweld over de hele linie genomen afneemt, nemen olie producerende landen een steeds groter aandeel van ’s werelds burgeroorlogen voor hun rekening. Een derde van alle burgeroorlogen ter wereld vindt in olielanden plaats, tegen een vijfde in 1992’, concludeerde hij afgelopen zomer in Blood Barrels: Why Oil Wealth Fuels Conflict.
De val van de Sovjet-Unie is niet een toevallig ijkpunt. Tijdens de Koude Oorlog werden rebellenbewegingen over de hele wereld bewapend en betaald door de VS en de Sovjet-Unie, om daarmee regeringen in het nauw te brengen die met de tegenstander bevriend waren. Na de Koude Oorlog moesten die rebellen zichzelf bedruipen en velen deden dat met drugssmokkel of de verkoop van grondstoffen. Olie is daarin niet uniek, maar olie is wel de meest gewilde grondstof ter wereld en er is veel meer geld mee gemoeid dan met enige andere grondstof.
Uit academische studies blijkt dat verschillende grondstoffen verschillende invloed hebben op oorlog. ‘Roofbare’ grondstoffen, zoals diamanten, blijken burgeroorlogen te verergeren en te verlengen, maar ze niet vaak te veroorzaken. Olie doet dat juist wél, en werkt ook een bloedig type conflict in de hand: afscheidingsoorlogen. Voor olieproductie zijn grote staatsbedrijven of multinationals nodig die eigen mensen invliegen en direct aan de machthebbers betalen. Inwoners van olieregio’s zien wel vaak vervuiling en grote aantallen soldaten in hun gebied, maar geen banen en welvaart. En dat voedt burgeroorlog. Inzicht in dat mechanisme heeft al een variant op de term ‘bloeddiamanten’ opgeleverd: ‘Blood Oil’.

Bij een structureel olietekort zal de Vloek van Olie zich niet alleen versterken in huidige olielanden, maar zich ook verspreiden naar nieuwe staten. Sinds 1998 stijgt de olieprijs bijna continu. Oliebedrijven, sommige westerse landen en de grote groeilanden als China en India schuimen de wereld af op zoek naar nieuwe olieleveranciers. In afgelegen gebieden worden proefboringen gedaan, kleine olievelden worden ontwikkeld en oude olievelden wordt nieuw leven ingeblazen. Dat heeft ertoe geleid dat er binnen korte tijd een dozijn nieuwe olie-exporteurs bij zijn gekomen, en dat worden er in de nabije toekomst nog meer. Jammer genoeg voldoen al die nieuwe landen precies aan de criteria om nieuwe slachtoffers van de Vloek te worden.
‘Die landen liggen in bekende probleemgebieden in Afrika, rond de Kaspische Zee en in Zuidoost-Azië. Eigenlijk zijn het allemaal landen met zwakke instituties en slecht bestuur. Die gaan dus te maken krijgen met veel oliegeld dat binnenstroomt en de economische teruggang die daarbij hoort. Ik zie dat nergens goed gaan’, zegt Michael Ross. ‘Veel van die landen hebben ook een geschiedenis van intern geweld, zoals Oeganda, of liggen tegen oorlogsgebieden aan, zoals Tsjaad. De kans op nieuw geweld is daar levensgroot.’
De meeste zorgen maakt Ross zich om Zuidoost-Azië: ‘Als het om olie gaat, kent iedereen de effecten op het Midden-Oosten. Afrika krijgt nu meer aandacht, omdat de VS er zo veel olie vandaan halen – en we daarmee trouwens regeringen steunen die net zo repressief zijn als die van Soedan, terwijl we China om hun steun aan Soedan de les lezen, maar dat terzijde. Bij olie denken maar weinig mensen aan Zuidoost-Azië, maar daar zijn een paar zeer problematische landen olie-exporteur geworden: Birma, Cambodja, Oost-Timor, Vietnam en Papoea Nieuw-Guinea. Allemaal heel onstabiele of onvrije landen, die te maken gaan krijgen met de economische terugslag en corruptie. Ik vind het nogal luguber om een gokje te wagen op waar we geweld mogen verwachten. Maar bij die landen hou ik mijn hart wel vast.’
Ross tracht nog optimistisch af te sluiten. ‘Er is wel een sterk verband tussen oorlog en olie-export, maar tegenover elk land dat in oorlog vervalt staan er twee die dat niet doen. En of de olieprijs stijgt weten we ook niet zeker – het enige wat we zeker weten, is dat de meerderheid van de olieprijsvoorspellers er doorgaans naast zit. Maar als er inderdaad een olietekort komt, dan lijkt het effect me onontkoombaar: meer oorlog, minder vrijheid, minder democratie.’
……………………………………………………………………………………………………
OLIE IN AFRIKA

De ‘Vloek van Olie’ houdt steeds meer delen van Afrika in zijn greep. Oliemaatschappijen, de Verenigde Staten en China schuimen de wereld af op zoek naar nieuwe olievondsten, en met name Afrika is in: de VS importeren meer olie uit Afrika dan uit Saoedi-Arabië, en China haalt er een derde van zijn olieverbruik vandaan. De impact die dat heeft op Afrikaanse landen en gemeenschappen is door de Amerikaanse journalist John Ghazvinian beschreven in Untapped: The Scramble for Africa’s Oil.
Ghazvinian tekent niet alleen het grote verhaal op van Afrika’s olie – hoe het makkelijke geld dictators, democraten en bureaucraten corrumpeert, hoe het lokale economieën wegdrukt en hoe het burgeroorlogen aanwakkert – hij beschrijft ook hoe Afrika’s oil boom er in de praktijk uitziet. De ‘kleine’ verhalen zijn vaak even onthutsend als de grote.
‘Een recent voorbeeld is Tsjaad, dat sinds een paar jaar olie-exporteur is’, zegt Ghazvinian. ‘De regio waar ExxonMobil olie vond, was werkelijk de middle of nowhere, met alleen wat herdersgemeenschappen in de buurt. Exxon zette er een zeer geavanceerd boorcentrum op waarvoor letterlijk alles werd ingevlogen, van de boorapparatuur tot de werknemers. Die werknemers komen alleen als ze er op westers niveau kunnen leven, dus werd een compleet mobiel dorp neergeplant met airco-restaurants, zwembad, basketbalveld, enzovoort. Met natuurlijk een hoog hek met prikkeldraad en bewakers eromheen – een afgesloten enclave van weelde met een pre-industriële samenleving aan de andere kant van het hek. Het gerucht dat er werk was, trok duizenden mannen aan: eerst uit de regio, toen uit heel Tsjaad, daarna uit heel Afrika. En al die mannen wachtten maar bij het hek of in de hutten die ze er bouwden, dag in dag uit. “Quartier Attend” begonnen ze het maar spottend te noemen, en het groeide uit tot zo’n zeventienduizend man, met moskeeën en bars, zonder stromend water, elektriciteit of infrastructuur. Quartier Attend staat nu officieel op de kaart als “Atan” – een poging om de pijnlijke bijsmaak van de naam weg te poetsen.’
‘De enige economische activiteit die buiten het hek van Exxon bloeide, was de prostitutie’, vervolgt Ghazvinian. ‘In de oliebusiness werken bijna alleen maar mannen, velen ongetrouwd, en allemaal zitten ze maanden achtereen in een saaie compound met voor lokale maatstaven een enorme berg geld te besteden – het gevolg laat zich raden. Naast de buitenlanders zijn er nog de duizenden wachtende mannen die soms een klusje kunnen doen voor wat geld en het ook nogal eens uitgeven aan seks. Quartier Attend trekt uit de hele regio vrouwen aan en maakt prostitutie de voornaamste inkomstenbron in een regio waar het niet bestond.’
De regio waar Exxon de olie vandaan haalt ziet niet alleen niets terug van de olie-inkomsten, maar ook niets van de olie. ‘Die wordt direct via een pijpleiding naar een haven in Kameroen gevoerd en daar in supertankers gepompt’, zegt Ghazvinian. ‘In heel Tsjaad is niet één tankstation. Alle benzine die er is, wordt vanuit Nigeria gebracht en verkocht in glazen potten.’ Het is een van de vele pijnlijke tegenstellingen in het olieverhaal van Tsjaad. Zo heeft het land, een van de armste en meest achtergestelde ter wereld, een elektriciteitsnet dat op z’n best twintig megawatt produceert. De basis van Exxon loopt op 120 megawatt – evenveel als de hele Sahel bij elkaar. Terwijl het de olieverslaving van industriële landen voedt, heeft Tsjaad – zo groot als tweemaal Frankrijk – niet meer dan een paar honderd kilometer verharde weg. Waar in heel Tsjaad vrijwel geen straatverlichting is, is Exxons basis ’s nachts zichtbaar vanuit de ruimte.

‘Zoals Tsjaad heeft elk Afrikaans land zijn eigen, unieke verhaal’, zegt Ghazvinian. ‘Angola heeft bijvoorbeeld een zeer efficiënt staatsbedrijf dat de olie wint, maar een totaal gebrek aan politieke verantwoording. Het geld stroomde lang rechtstreeks de burgeroorlog in, net als in de Republiek Congo. Gabon was juist weer relatief stabiel en democratisch, maar werd door de olie-inkomsten politiek en economisch uit het lood geslagen. In andere landen, zoals Equatoriaal Guinee, hebben ze geen enkel idee wat er gebeurt. Een oliebedrijf komt aan en zegt: “Jullie hebben olie, jullie kunnen het er niet uithalen, maar wij doen dat wel. Eerst verdienen we alle kosten terug, daarna krijgen jullie twintig procent van wat overblijft.” Een doorsnee dictator of regering vindt dat prima. En er zijn natuurlijk vele shady deals. Zoals bij Sao Tomé, dat zijn volledige olievoorraad verkocht aan een onbekend bedrijf in Colorado dat geen enkele ervaring had in olieboren.’
Als Ghazvinian één Afrikaans land moet noemen dat bij uitstek hard geraakt is door de ‘olievloek’ is dat Nigeria: ‘Als je het hebt over een worst case scenario, dan komt dat toch het meest dichtbij. Er is door de hele Niger-delta endemisch geweld, enorme vervuiling, grote desillusie en wrok bij de bevolking. De regio ziet niets terug van al het geld dat er verdiend wordt, in de eerste plaats door Shell. Overal zijn bendes aan het werk die Shell-werknemers ontvoeren en olie stelen. Met het geld kopen ze wapens om milities te beginnen en nog meer olie te kunnen stelen. Onder steeds wisselende coalities en namen strijden ze ook voor politieke rechten. Het is een zeer ingewikkeld conflict en de laatste jaren werd het steeds erger. Gek genoeg lees je er juist steeds minder over.’

John Ghazvinian, Untapped: The Scramble for Africa’s Oil. Harcourt, 320 blz., $ 25.00.

Links:

De artikelen van Michael Ross

Olie in Afrika

Corruptie en olie

Het Wereldbank-rapport van Collier

Over olie en oorlog

Rapport Clingendael

Over olie in Afrika