Nederland voelde nooit als thuis

De vlucht van de sneeuwmensen

Toen Ardahan achter de bergen verdween, slaakten de inwoners een zucht van verlichting. Ze verlangden naar het oord waar lucht was, waar licht was, waar misschien zelfs God bestond. Twintig jaar later verlangen de migranten terug naar Turkije.

DE ZANGER zong vanuit de cassettespeler zijn nummer dat door de autoriteiten verboden was: ‘Hier in de mijn is er geen lucht, geen eten, geen licht… Hier in de mijn ben je niet met je vrouw en je zoon… Hier in de mijn is ook Allah ver te zoeken…’ Nergens was dit liedje populairder dan in Ardahan. Terwijl er gezongen werd viel de sneeuw zonder oponthoud. Dag in dag uit, maand in maand uit sneeuwde het. Het leek erop dat de sneeuw van plan was om zelfs in de zomer niet weg te gaan.
De mensen die elke nacht ingesneeuwd raakten en zich elke ochtend door de sneeuw naar buiten moesten worstelen deden eigenlijk al jaren niet anders dan wachten. Wachten op de brieven van de mannen die al weg waren uit Ardahan. Brieven met de blijde boodschap van vertrek. Zinnen op het papier als: 'Ik kom jullie over drie maanden halen, dan gaan we met zijn allen in Zaltbommel wonen.’
De brieven kwamen een voor een. Toen de sneeuwmensen eindelijk hun huizen achterlieten en dolgelukkig waren toen ze vanuit de bussen die hen redden uit hun eigen 'witte mijn’ naar hun geboorteplaats keken en constateerden dat Ardahan achter de bergen was verdwenen, slaakten ze een zucht van verlichting. De huizen met de platte daken van aarde, de kou die enkel gebroken kon worden dankzij de warmte van het vee dat in de kamer ernaast sliep, de dode gezichten van kinderen die in de sneeuwstormen doodgingen en pas teruggevonden werden als de sneeuw in mei wegsmolt, de schaarste aan brood en vlees, de afwezigheid van groente en het dromen van het eten van sinaasappels… Dat alles was net als de stad ook achter de bergen verdwenen.
De sneeuwmensen die door hun mannen en vaders gered werden uit Ardahan hebben voor hun vertrek niet eens de moeite genomen om voor de laatste keer naar de gebarsten muren van hun huizen te kijken. Of naar de vloer van hun huizen die niet meer was dan platgedrukte aarde. Het vuur in hun haarden hebben ze met het laatste water dat ze in emmers hebben gedragen gedoofd en ze zijn weggegaan uit Ardahan. Ze gingen naar oorden waar lucht was, waar licht was, waar vrouw en zoon niet afwezig waren en waar misschien zelfs God bestond.
Het moet twintig jaar na deze migratie zijn, waarbij Ardahan voor het grootste deel leeggelopen was, dat ik in de ogen van Seref de geheime wens zag om weer terug te gaan naar 'huis’. We praatten er niet over, maar ik voelde dat hij terugwilde naar Ardahan.
Samen met Seref, wiens vrouw in verwachting was, wandelden we op een zonnige zaterdag doelloos door de straten van Utrecht. Van zijn Van Nelle draaide hij elke keer ook een shag voor mij. Misschien hadden we zo'n uur gelopen toen hij voorstelde om in het koffiehuis van ome Mikail thee te drinken. Het was nog te vroeg in de middag om een drukte aan te treffen in het koffiehuis van ome Mikail. Het was zaterdagmiddag, de klanten van ome Mikail moesten eerst met hun vrouwen naar de markt om van diezelfde vrouwen de vrijheid voor koffiehuisbezoek te krijgen. Derhalve was het rustig in het koffiehuis. We hoorden de kapper van het koffiehuis achter in zijn kleine kamertje een klant knippen, aan een van de tafels zaten drie mannen die niet uit Ardahan kwamen en er was ome Mikail met zijn korte armen en zijn dikke benen. Een man die nooit met zijn vrouw naar de markt zou gaan. Een rokkenjager waarover het gerucht de ronde deed dat hij ook bij een Nederlandse vrouw een zoon had. Ome Mikail kwam bij mij en Seref zitten en vroeg hoe het met ons was. Toen hij die vraag stelde zag ik ook in zijn blik de wens om terug te gaan naar 'huis’.
Ik weet dat ik toen dacht: kan het door het meest schaamtevolle afscheid aller tijden komen dat deze mensen zelfs twintig jaar na hun redding geen rust hebben? Hoe ver reikt de geur van de grond van Ardahan? Zouden deze zielen die in het westen van Europa verteerd worden door die geur ook aan Ardahan denken als ze naar Amerika waren gegaan?
In het koffiehuis van ome Mikail hebben we het niet over heimwee gehad, wel vertelde ome Mikail dat toen hij een puber was hij met zijn vader naar het bos ging, daar bomen kapte, die op de ossenwagen laadde, en dat niemand beter was dan hij en zijn vader als het ging om het laden van de ossenwagen. 'Iedereen was zo jaloers op ons als ze zagen dat we twee keer zo veel hout meenamen naar huis als zij’, zei hij en lachte heerlijk. Wanneer hij lachte ging zijn dikke buik op en neer en werden zijn gezonde wangen roder dan ze al waren.
'Jullie hebben vast gehoord dat de vrouw van die sukkelige Mustafa ervandoor is gegaan. Ik praatte met hem en zei dat ik kan regelen dat ik die pooier die zijn vrouw heeft verleid kan laten omleggen. Het is zo gedaan. Die sukkel is tenslotte mijn neef, de eer van de familie moet hooggehouden worden. Maar die eikel is bang.’ Ome Mikail rookte ook shag, maar wel zijn eigen merk. We bevonden ons in een tijd waarin het roken in een koffiehuis niet verboden was en we met zijn allen paften. En ik zweer dat ik aanvoelde dat ome Mikail en Seref, ook al repten ze er met geen woord over, naar 'thuis’ verlangden.
We dronken de thee op, ome Mikail wilde uiteraard geen geld voor de thee. Per slot van rekening kwamen Seref en ik bijna nooit in zijn koffiehuis en beschouwde hij ons als zijn gasten. Het was nog steeds middag in Utrecht. De stad die, hoe goed zij ook haar best deed, geen 'thuis’ kon worden voor de sneeuwmensen uit Ardahan. Utrecht had hun geen moedertaal gegeven, hun geloof niet gevormd, hen niet meegemaakt als onstuimige kinderen, hen niet geleerd dat de verleider van je vrouw het verdient om dood te gaan… Misschien sneeuwde het ook simpelweg te weinig in Utrecht of de sneeuwmensen wilden het niet toegeven, maar ze waren zonder dat ze het doorhadden gewend geraakt aan een oord zonder God.

SEREF EN IK wandelden onder het viaduct, bereikten de Amsterdamsestraatweg en kwamen aan bij de Azaleastraat. Daar zagen we een vriend die voor zijn huisdeur stond en volhield dat we naar binnen moesten komen. 'Hoe lang hebben jullie mijn moeder niet gezien en haar handen niet gekust? Ze zal zo blij zijn als jullie het doen. Kom, laten we naar binnen gaan. Maak die oude vrouw blij, ze is al zo ziek…’
Seref en ik liepen de trap op, deden onze schoenen uit, liepen de woonkamer in, hoorden op weg naar oma Nazik dat haar schoondochter in de keuken aan het snikken was en kusten de handen van de oude vrouw, zoals wij volgens haar zoon moesten doen. Oma Nazik zag er niet zo ziek uit als haar zoon had doen voorkomen. Haar schoondochter die de hele dag blootstond aan het pesten en klagen van oma Nazik zag er een stuk ongezonder uit met haar door het huilen rood aangeslagen ogen. Oma Nazik heette ons welkom en legde ons, zonder er te veel woorden aan vuil te maken, uit dat haar schoondochter voor geen meter deugde. Oma Nazik verhaalde: 'Ik zei tegen die stomme zoon van me dat hij niet met een vrouw moest trouwen die niet uit Ardahan komt. De hele ochtend heeft ze gezeurd dat ze naar de markt wil. Een schoondochter uit Ardahan zou nooit aandringen als haar schoonmoeder haar iets had afgeraden.’
Niet in de dikke ogen van de schoondochter en ook niet in de felgroene ogen van de zoon van oma Nazik heb ik die dag de wens gezien om terug te gaan naar huis, maar wel in de ogen van oma Nazik. Haar ogen, die iets minder groen waren dan die van haar zoon, vertelden me dat het niet lang zou duren eer ze terug zou gaan naar het door haar bewoners verraden Ardahan.
'Zo, wat hebben jullie zoal gedaan op deze mooie dag?’ vroeg oma Nazik na een korte stilte. Voor deze stilte had ze uitvoerig verteld hoe ze wijlen haar man had gedwongen om het gezin te redden uit Ardahan: ’“Wat zit jij nog hier je tijd te verdoen. Ga ook naar Europa”, zei ik tegen hem. Hij mompelde de hele tijd dat hij te oud was voor zo'n avontuur. Een keer werd ik echt kwaad en schreeuwde naar hem dat ik hem niet meer wilde zien in ons huis. Je gaat zo snel mogelijk naar Europa. Zorg ervoor dat je ons uit dit gebied krijgt, zei ik tegen hem. Om een lang verhaal kort te maken: die kinderen van mij hebben het aan mij te danken dat ze gered zijn uit Ardahan.’ Op de vraag van oma Nazik wat we die dag hadden gedaan antwoordde Seref dat we naar het koffiehuis van ome Mikail waren gegaan. 'O, Mikail’, riep oma Nazik uit, 'hoe is het met hem? Er wordt gefluisterd dat hij ook bij een Nederlandse vrouw een zoon heeft. Zou die Nederlandse zoon hem al hebben bezocht?’
Seref was een timide, verlegen jongen. Hij bloosde licht. We kusten nog een keer de handen van oma Nazik en gingen weg. Buiten draaide hij voor de laatste keer een shag voor mij, we gingen op een bank zitten met het uitzicht op een park. Seref luchtte toen zijn hart. 'Ik weet niet of ik het aan kan, vriend. Ik ben bang dat het allemaal te veel wordt voor mij. Ik heb geen vaste baan, we wonen nog steeds bij de ouders van mijn vrouw, over vier maanden gaat mijn vrouw bevallen. Ik mis de tijd in Ardahan dat we de hele dag niets anders deden dan glijden met onze sleeën. Wat waren we onbezorgd. Ik wou dat ik weer kind was.’

ANDERHALF JAAR later. Twaalf uur na de landing staan de drie zonen van oma Nazik in de hal van het vliegveld van Ankara voor het bord met vertrektijden. Ze hebben alleen nog maar aandacht voor vertrekkende vliegtuigen. De ene vlucht na de andere naar de oostelijke steden wordt wegens weersomstandigheden geannuleerd.
De vlucht naar Kars, het dichtstbijzijnde vliegveld bij Ardahan, is met vijftig minuten vertraagd. Even later is de vertraging opgelopen tot anderhalf uur. Een dag eerder is deze vlucht geannuleerd. En het is zeer de vraag of het vliegtuig vandaag wel in Kars kan landen. De drie zonen vragen de medewerkers van het vliegveld hoe groot de kans is dat de vlucht geannuleerd wordt. Iedereen haalt de schouders op. De oudste zoon wordt kwaad en begint te schreeuwen tegen een jonge medewerker. 'Kijk mij aan als ik je een vraag stel. Ik verwacht enig respect van jou. Je zegt dat je niet weet of de vlucht doorgaat en kijkt de andere kant op.’ De jongen zegt dat hij wel respect heeft voor iedereen en kijkt weer naar het scherm van de computer.
Wat nu? De drie zonen zitten met een dilemma. Ze zouden naar het wat westelijker Erzurum kunnen vliegen. Maar ook die vlucht kan eventueel niet doorgaan. Een andere optie is om een busje te huren en heel Anatolië door te kruisen. Als alles meezit en de wegen niet afgesloten zijn vanwege sneeuw, is dit een reis van een dag.
De jongste zoon, de jongen die op die zonnige zaterdag voor de huisdeur stond en vond dat we de handen van zijn zieke moeder moesten kussen, oppert het idee om nog op bericht te wachten over de vlucht naar Kars. De oudste zoon wordt weer kwaad. 'Je moeder ligt daar in het vrachtgedeelte van een vliegtuig. En jij zegt dat we moeten wachten. Onderhand wordt het donker en moeten we nog een dag doorbrengen in Ankara.’ Ondanks de woede van de oudste zoon wordt er nog even gewacht. Een uur later krijgen de passagiers naar Kars te horen dat ze naar het vliegtuig kunnen lopen. Een grote zucht.
Het vliegtuig stijgt op. De piloot haast zich om voor het donker Kars te bereiken, want de landingsbaan daar is niet verlicht. We landen voor de schemer over het gebied valt. Er is een busje gehuurd. De doodskist met oma Nazik erin wordt op het busje gezet en met een dik touw vastgebonden. Vijftien man in de bus, de burgemeester van het dorp achter het stuur en drie hongerige honden die in de sneeuw blaffend achter het busje aan rennen. De burgemeester zegt dat het mooi weer is en dat we zonder moeite naar Ardahan zullen rijden.
Na een kwartier blijkt zijn ongelijk. Een sterke sneeuwstorm heeft de al besneeuwde wegen bijna onbegaanbaar gemaakt. Het is koud, de weg is glad, langs de weg zien we vrachtwagens en auto’s die van de weg gegleden zijn en niet meer vooruit komen. En oma Nazik moet zo snel mogelijk naar haar dorp Cincorop. Haar graf, door vijftien boeren om de beurt gegraven vanwege de vorst die tot een halve meter in de grond zat, wacht op haar. De burgemeester wil wel hard rijden, maar hij moet ook aan zijn busje denken.
Er gaat een hand de lucht in. We moeten stoppen. Militairen versperren de weg en verplichten alle bestuurders sneeuwkettingen om de banden te monteren. 'Daar beneden ga je geheid van de weg af als je geen kettingen hebt’, zegt de militair. Als de burgemeester mompelend onder het busje gaat liggen en aan het werk gaat, vertellen de jonge dienstplichtigen aan de passagiers hoe weinig geluk ze hebben, omdat ze uitgerekend Ardahan hebben geloot. De vrachtwagens komen helemaal niet vooruit. Ze parkeren langs de weg, doen hun lichten uit en gaan slapend op de volgende dag wachten.
Een half uur later rijden we Ardahan in. De volgende dag zijn we tegen de middag in het dorp. De doodskist wordt op een tafel gezet. Oma Nazik wordt uit de kist gehaald en naar het graf gebracht. De zonen leggen haar aan de rand van het graf, zodat zij zo dicht mogelijk tegen hun vader ligt. Het lijk wordt met planken beschermd, zodat de wolven, die in deze maanden van schaarste in de nachten de dorpen bestormen voor eten, niet bij het lijk kunnen komen.
Boeren met verweerde koppen, wier gezichten en handen door de vrieskou zijn beschadigd, gaan in de rij staan om de zonen te condoleren met de dood van hun moeder. Een imam zingt passages uit de koran. Voor de verandering sneeuwt het even niet. De zon schijnt zelfs zwakjes, 'thuis’ bij oma Nazik, ome Mikail en Seref. De door een hartinfarct gevelde ome Mikail ligt twintig meter ten westen van oma Nazik. En Seref, Seref is met zijn auto het kanaal ingereden. Een maand voor de geboorte van zijn dochter. De koude wind van Ardahan waait ook over het graf van Seref. Ik fluister in de wind van dit 'vreselijke oord’. Misschien dat deze wind mijn woorden naar de Nederlandse zoon van ome Mikail brengt: 'Nederlandse zoon, in Ardahan is er geen God, maar wel het graf van je vader. Je vader is weer thuis.’