Richard Powers, The Time of Our Singing

De vogel en de vis

De vogel en de vis, luidt een joods gezegde, kunnen trouwen als ze hun nest maar op het water bouwen. Richard Powers laat de lezer daarin geloven met zijn Great American Novel ‹The Time of Our Singing›.

Wat is Amerika? Uit welke onmogelijke mengsels bestaat dat «Beloofde Land» vol uitdagingen en geblokkeerde kansen? Is het de bakermat van de moderne democratie, een hardleerse schurkenstaat, een oorlogszuchtig monster, een hardnekkige apartheidsnatie, een «hunkerend schoolkind» of een republiek vol uitvindingen die het leven veraangenaamt en die zelfs een wondermiddel tegen de dood kan bieden?

De laatste twee kwalificaties komen uit de roman Profijt (1998) van Richard Powers. «Wat een dubieuze cocktails zijn we toch allemaal» — die typisch poweriaanse verzuchting in Profijt komt uit de mond van Laura Bodley, een aan kanker lijdende makelaar. Haar verhaal, dat wil zeggen haar laatste levensjaar als doodzieke patiënt, wordt afgewisseld met een historische vertelling over het uitgroeien van een zeepfabriekje tot de farmaceutische multinational Clare, gespecialiseerd in medicijnen tegen kanker en in pijnstillers. Om de vraag «Wat is Amerika?» te variëren: is Clare als gigantisch bedrijf een mondiale kannibaal of een milieubewuste multinational die de aarde dankzij recycling en een groen bewustzijn spaart?

Met andere woorden: is het een samenloop van politiek-economische omstandigheden of een strak geregisseerde samenzwering die ervoor zorgt dat Laura Bodey een terminale kankerpatiënte wordt? Het is een aloud dilemma — toeval of complot? — in de Great American Novels zoals die zijn geschreven door onder anderen Dos Passos, Ellison, Gaddis, Morrison, Doctorow, Foster Wallace, Moody en Powers. De overwinning op de pijn van oorlog en ziekte is voor een dynamische en springlevende natie «de hoogste prioriteit» (Profijt). De mens verlangt vaak naar het eeuwige leven, hoe dan ook. Want wat komt er van de mensheid terecht «wanneer die eenmaal uit haar dagelijkse nachtmerrie van besmetting en pijn zou zijn ontwaakt?» Ziet ze zichzelf dan als afval van de historie of zit het hoopgevender in elkaar?

Powers’ nieuwe roman The Time of Our Singing varieert op de uitspraak dat de mens een «dubieuze cocktail» is. Zonder enige schroom betreedt hij een terrein waarop schrijvers als James Baldwin, Ishmael Reed, John Edgar Wideman, Alice Walker en Toni Mor rison hun sporen hebben verdiend. Ultrakort geformuleerd: ras. Powers gaat verder dan Philip Roth in The Human Stain. In zijn historisch breed uitwaaierende vertelling, die meer dan een halve eeuw Amerikaanse geschiedenis vol openlijk racisme en verborgen discriminatie schildert, beschrijft Powers de ups en downs van een gemengd huwelijk, dat van de naar de VS gevluchte Duits-joodse wetenschapper David Strom («vreemde onder vreemden») en Delia Daley, telg uit een geslacht van vrijgelaten huisslaven in Jackson, Mississippi. Ze hebben elkaar bij toeval ontmoet, op paasdag 1939 in Washington. Daar zong de contra-alt Marian Anderson in de open lucht. Hun kinderen Jonah, Joseph en Ruth erven het muzikale talent van hun moeder, die haar weg naar het conservatorium versperd zag.

Het paar wil hun kinderen opvoeden volgens de in Amerika wereldvreemde stelregel «het ras voorbij». Noem het een wanhopige vlucht naar voren, naar een toekomst die het heden en het verleden hardnekkig ontkent. Omdat hun kinderen gemengd bloed hebben (Jonah is «lichter» uitgevallen dan Joseph, en Ruth is weer donkerder), proberen ze hen beschermd op te voeden, afgeschermd van het dagelijks racisme in de jaren veertig en vijftig. Joseph, pianist-begeleider van broer Jonah, de klassieke zanger, is de achteraf-verteller van The Time of Our Singing. «Wij waren zingende wezen, kleurenblinde culturele ambassadeurs. Erfgenamen van een lang verleden, dragers van een eeuwige toekomst.»

Het klassieke liederenrepertoire (Mahler, Schubert, Brahms, Purcell) leren de twee broers op kostschool, ver weg van de racistische turbulentie in de Amerikaanse steden. «Jojo» noemt hun moeder het tweetal. En inderdaad is het duo maatschappelijk gezien een jojo, een klimtol. In de argwanende samenleving moeten ze zichzelf weer opwinden om alle barrières te kunnen nemen, de vernederingen te verwerken. Zo komen ze hogerop, zo raken ze aan lager wal, zo overleven ze. Jonah neemt de geuzennaam «Moor» aan (naar Shakespeares Othello). Zijn broer, die hij zijn hele leven op sleeptouw neemt, noemt hij een «mule» (ezel), de Engelse vertaling van het Spaanse mulatto: halfbloed, mix, mengsel, cocktail. Wie zijn wij? Waar horen we bij? «Kijk naar ons. Twee helften van niks. Halverwege naar nergens.» Jojo’s zonder einddoel.

Hun klassieke muziekrepertoire is hun bastion tegen de boze buitenwereld. Die vesting van Europese cultuur — dezelfde «cultuur» die niet los staat van de holocaust — verbindt David Strom met Delia Daley. Muziek brengt harmonie, brengt verleden en toekomst bij elkaar in een eeuwig nu. «Muziek zonder joden is even onmogelijk als basketbal zonder zwarten.» Wie zingt, in het familiekoortje, is geen buitenstaander meer maar deel van een (kerkelijke) traditie. Als Jonah zong «vulde de ruimte zich met mogelijkheden».

Langzaam maar zeker — de jarenzestigrevolte barst los — kunnen de gebroeders JoJo de confrontatie niet meer uit de weg gaan. Zelfs de muziek raakt gepolitiseerd. Of, om trouw aan Powers’ thema te blijven: de muziek (soul, blues, pop, rock) wordt steeds «zwarter» en opstandiger. En is het niet zo dat alleen blanken zich de luxe kunnen permitteren «ras» te negeren als dat ze uitkomt? Jonah weigert evenwel de «Sidney Poitier van de opera» of de «Caruso van zwart Amerika» te worden, wetend dat driekwart van de Amerikaanse zwarten meer of minder druppels blank bloed heeft. «Zwart is alles wat niet blank is.»

Maar toch. «Ras troefde de liefde af», dat wil zeggen de kunstmatige familieliefde. Die liefde wordt verscheurd als de vader van Delia en zijn Duits-joodse schoonzoon David (die als wetenschapper aan de wieg van de atoombom staat) tegen elkaar op gaan bieden: wie heeft het meeste geleden, de negerslaven en hun nazaten of de joden? Was de slavernij erger dan de holocaust? Een absurde vraag, die alleen maar verwijdering teweegbrengt.

De gebroeders Strom alias JoJo willen steeds dieper onderduiken in hun klassieke muziek, al horen ze wel degelijk (muzikale) flarden van wat er in Amerika aan de hand is: racistische lynchpartijen, opstand in de steden, Vietnam. Het muzikale duo toert door de VS en scheert langs alle brandhaarden. Zus Ruth is zich bewuster van haar positie in de familie en de maatschappij. Zij stelt de familievragen waar JoJo niet aan toekomt. Was de brand waarin hun moeder omkwam een ongeluk of stak er meer achter? Ongelukkig toeval of racistisch complot? Ruth verbindt zich met de Black Panthers en kiest voor een politiek-pragmatisch bestaan. Via een omweg — hun muzikale carrière in Europa — komt ze haar afgedwaalde broers weer tegen. Want familie is groter dan de historische «schuld» die iemand op zich neemt.

De opbouw van The Time of Our Singing is fragmentarisch en a-chronologisch. Als een jojo gaat de tijd op en neer. Er bestaat een reële en een imaginaire tijd. Vroeger en later gaan zo in elkaar op. Powers verknoopt een reeks hier-en-nu’s die de halve twintigste eeuw bestrijken. «Alle muziek is hedendaags» — dat wordt een credo. Het heden in Powers’ roman is steeds een knooppunt, een scharnier tussen verleden en toekomst.

De verhaalopbouw heeft te maken met de academische preoccupatie van JoJo’s vader. Hij wijdt zijn leven aan het doorgronden van de tijd. «Als de tijd bochten maakt, kon de toekomst dan een kromming vormen richting verleden?» Die vraag raakt niet alleen aan Ein steins relativiteitstheorie maar is ook een persoonlijke vraag. Zou hij ooit nog zijn verwanten terugzien, aan wie hij na de oorlog brieven blijft schrijven? De vader meent het geheim van de tijd te kennen, maar kan er als wereldvreemde en verdwaalde jood niet in leven.

Toch spreekt hij op zijn sterfbed, als zijn gezin in alle richtingen is gevlucht, verlossende woorden: «Overal waar je je telescoop neerzet, bestaat een andere golflengte.» Het is Ruth’ kind dat die raadselachtige woorden spelenderwijs analyseert. Golflengtes lijken op kleuren, net als toonhoogten. Het gaat om het perspectief, om de blikrichting. Er ontstaan voortdurend nieuwe frequenties in het leven. «Not beyond color; into it. Not or; and.» De muziek weet dat. Jonah bereikt als zanger vele toonhoogten. Hij is Aeneas die zijn vader op zijn rug draagt, Orpheus die vooruitkijkt, de Moor die ten slotte zijn plaats vindt. Want de vogel en de vis, luidt een joods gezegde, kunnen trouwen als ze hun nest maar op het water bouwen.

En Richard Powers laat de lezer daarin geloven met zijn Great American Novel The Time of Our Singing.

Richard Powers

The Time of Our Singing

Uitg. Farrar, Straus and Giroux, 631 blz., € 31,70