Profiel: Noreena Hertz

De volgende onheilsprofeet

Dr. Noreena Hertz, docent aan de universiteit van Cambridge, is een mooie vrouw. Sinds ze schrijver en volgens velen «toonaangevend denker» werd, is dat een probleem. Spottend beschreven mannelijke recensenten het auteursportret op de binnenflap van haar boek The Silent Takeover. Dat is not done en in feite een omgekeerde vorm van seksisme. Ze zou haar uiterlijk gebruiken als wapen. Het boek, waarin ze stelt dat burgers zich afkeren van de politiek omdat ze voelen dat die haar macht heeft overgedragen aan het bedrijfs leven, werd daarop vaak zeer kritisch besproken.
Desalniettemin werd Noreena Hertz afgelopen maand in de New Statesman getipt als een van de jonge mensen die de toekomst vorm gaan geven. Het Engelse antwoord op Naomi Klein is ze, zo vindt deputy editor Christina Odone.
Hertz’ essay Why We Must Stay Silent No Longer is sinds april van dit jaar via webpagina’s en e-maillijsten razendsnel verspreid. Het boek The Silent Takeover, met de veelzeggende ondertitel Global Capitalism and the Death of Democracy is een bestseller — die begin volgend jaar ook in Nederlandse vertaling verschijnt. The Observer, New Statesman en Washington Post publiceren haar artikelen. Andere kranten beschrijven haar als een van de generaals van de protestbeweging. En voor Channel 4 maakte ze een reeks tv-programma’s gebaseerd op haar boek.
De kritiek op haar boek — ze chargeert, zegt niet veel nieuws en maakt de rol van de overheid te onbeduidend — lijkt niet onterecht. Maar haar succes kan niet alleen worden verklaard door haar mooie gezicht: het heeft ook te maken met de manier waarop ze in geschrift en op tv haar boodschap inzichtelijk en toegankelijk maakt voor hen die het economiekatern van de krant niet lezen. Er is net zo'n handige pocket van gemaakt als van Naomi Kleins boek NOLOGO. Ging dat over hoe bekende merken de samenleving infiltreren, Hertz’ boek betreft traditioneel saaiere kost. Toch slaagt ze erin een nieuw, jonger publiek te bereiken. Wat ongetwijfeld helpt, is dat ze in haar tv-programma Politics Isn’t Working, uitgezonden in de aanloop naar de laatste Britse verkiezingen, te zien was in verscheidene mooie, moderne outfits en haarstijlen. Het snel gemonteerde programma was opgebouwd rond een lezing en daaromheen voelde Hertz politici, onder wie Tony Blair, Sjimon Peres en Ted Turner duchtig aan de tand.
Te veel aandacht voor haar uiterlijk? Haar hippe kleren? Verontwaardiging daarover is misschien een beetje overdreven: de meeste mensen willen er goed uitzien, maar zou een jonge, succesvolle vrouw dat niet mogen? Harry Mulisch gaat voor zijn laatste boek toch ook op zijn paasbest op de foto? De lezers van zijn boeken herkennen de waardige sfeer. Het verschil met de foto van Noreena Hertz betreft slechts het paasbest van een 33-jarige. Anno 2001 is dat hippie-chic, gefotografeerd in Anton Corbijn-stijl.
In het populariserende The Silent Takeover beschrijft Noreena Hertz snel en simpel hoe de verhoudingen tussen overheid en bedrijfsleven sterk veranderen na de olie crisis in 1973. De stijgende olieprijzen zorgen in het Westen voor hogere kosten, waarop werkloosheid, prijsinflatie en recessie volgen. Tot dan had de keynesiaanse leer van overheidsinterventie door opvoeren van bestedingen (recessie ontstaat door te lage bestedingen; als de overheid niet ingrijpt, herstelt de markt niet) geholpen, maar dat gaat nu veranderen. De Britse president James Callaghan zegt op een congres van de Labourpartij: «We dachten altijd dat we ons een weg uit een recessie konden kopen en werkgelegenheid konden vergroten door… de overheidsuitgaven enorm op te voeren. Ik kan u in alle eerlijkheid zeggen dat dat niet langer een optie is.» Ook de Amerikaanse president Jimmy Carter gaat over op het «snijden in de staatsuitgaven in een poging de economie te stimuleren». Tijdens de jaren van Callaghan en Carter is de staat nog de instantie om de markt te leiden, maar in 1979 komt het nieuw-rechts van Margaret Tatcher (Hertz heeft het niet zo op de Iron Lady met de hairspray-helm op haar hoofd) en een jaar later Ronald Reagan.
Zij keren zich af van Keynes en de interveniërende staat, en luisteren naar economen als Milton Friedman en Friedrich Hayek die de markt op en neer zien gaan maar niet geloven dat de overheid positieve invloed kan uitoefenen. Ook niet altijd even goed, maar wel beter dan de overheid is de vrije markt in staat producten en diensten te verzorgen. In slechte tijden is het de markt die zichzelf corrigeert: overheidsingrijpen haalt het marktevenwicht onheus uit balans. Voortaan is het de taak van de overheid om het beste klimaat voor de markt te scheppen. Het gevolg: in 1979 zijn kool, gas, staal, elektriciteit, water, spoor, vliegen, telecommunicatie, kernenergie en scheepsbouw geheel, en olie, bankwezen, zeevaart en vervoer voor een groot deel in handen van de Britse overheid. In 1997 zijn genoemde sectoren vrijwel allemaal overgegaan in handen van het bedrijfsleven. Sindsdien, stelt Hertz, bepaalt het bedrijfsleven de hoogte van de werkloosheid, de inflatie en de kwaliteit van de meeste diensten en producten.
De westerse wereld leeft, zegt Hertz met een van haar pakkende metaforen, inmiddels in een «Benetton bubble». De reclameretoriek van Benetton bestaat uit shockerende foto’s — de verhongerende baby, de aan aids stervende Jezus-gelijkende, de doorbloede kleding van de Bosnische soldaat, de serie ter dood veroordeelden in de Verenigde Staten — waarmee het kledingconcern de aandacht poogt te trekken. Maar er gebeurt niks: het publiek doet niks. En Benetton onderneemt geen enkele actie om geld te geven, te argumenteren of iets anders te doen aan de problematiek van de derdewereldlanden, het vinden van betaalbare medicijnen tegen aids of het discussiëren over interveniëren op de Balkan en de wenselijkheid van de doodstraf. Net zo, zegt Hertz, werkt de politieke retoriek. In verkiezingstijd zijn het mooie mensen, aparte mensen en gewone mensen die op posters zeggen dat ze voor vrijheid, gelijkheid en democratie zijn. Politici bepleiten in kranten, in het parlement en op televisie hetzelfde, maar ze kunnen niet verhullen dat het niet zoveel uitmaakt wat de voorpagina’s van de kranten vertellen, het belangrijkste nieuws staat op de economiepagina’s en daar bestaat maar één waarheid: die van de laissez-faire-economie. «Ze proberen het te verkopen in verschillende tinten blauw, rood of geel, maar het blijft een systeem waarin het bedrijf koning is, de staat zijn onderdaan en de burgers consumenten.»
De politiek heeft niet zoveel meer te vertellen, zo wordt langzaam duidelijk. In de verkiezingen van 1997 stemde maar 44 procent van de Britse kiezers van 18 tot 24, en in de Verenigde Staten was, hoe spannend ook de strijd, de opkomst bij de laatste verkiezingen dramatisch. Een door Hertz genoemde enquête laat zien dat 71 procent van de Britse jongeren van zestien tot 24 niet denkt dat winst voor een van de drie belangrijke partijen verschil kan uitmaken voor hun eigen leven. De mensen voelen het, zegt ze, ze voelen dat de regering er niet is om hun belangen te beschermen, maar dat hun belangen minder tellen dan die van het bedrijfsleven. Vrije handel staat boven mensenrechten, zorg, milieu en (voedsel)veiligheid. De rol van de regeringen is beperkt tot zorgen dat het bedrijfsleven kan floreren en de vrije handel zo weinig mogelijk in de weg wordt gelegd.
Sociale rechtvaardigheid betekent volgens Hertz op dit moment vooral toegang voor iedereen tot de vrije markt, als producent en consument, als werkgever en werknemer. De overheid heeft zich daarmee klein en onbeduidend gemaakt. «De politieke staat is de staat van het bedrijfsleven geworden. Door de overname te ontkennen riskeren regeringen de vernietiging van het impliciete contract tussen staat en burger, dat aan de basis van elke democratie ligt; ze maken de afkeer van het stemhokje en het omarmen van niet-traditionele vormen van politieke expressie tot steeds aantrekkelijker alter natieven.»

Bijzonder aan Noreena Hertz is dat ze niet bepaald de stereotiepe actievoerder is. Ze studeerde economie aan top-business school Wharton in de Verenigde Staten en ging in 1991 via de universiteit op haar 23ste naar Rusland om dat land klaar te maken voor de vrije markt. Tijdens haar verblijf zag ze dat Rusland, met zijn fabrieken in the middle of nowhere waar twintigduizend man werken aan een product waar niemand behoefte aan heeft, nog lang niet klaar is om aan de vrije markt te worden overgeleverd. Maar Washington was meedogenloos. De boodschap die Hertz doorkreeg uit Washington kwam volgens haar neer op het volgende: «We moeten heel Rusland privatiseren, dan wordt de staat gedepolitiseerd, eigendom zal in privé-handen zijn en het communisme zal nooit meer terugkeren.»
Dat ze zich niet zomaar tot de tegenpartij rekent, maakt Hertz gevaarlijk voor het bedrijfsleven. Ze is geen tegenstander van het kapitalisme. Ze weerspreekt ook niet dat vrije handel ongekende economische groei voor bijna heel de wereld kan betekenen. Ook keert ze zich niet helemaal tegen het bedrijfsleven. Dat is zelfs niet amoreel, betoogt ze. Het is beter in staat dan de overheden om wereldproblemen op te lossen. Ze hoort termen als «social responsibility», «sustainable development», en «environmental impact» eerder op CEO’s dan van ministers. Na de rellen in Genua — ze was er — betreurde ze het dat de actievoerders haar boek verkochten en citeerden, haar de «It Girl of Globalization» noemden en niet onderkenden dat ze op een belangrijk punt met hen van mening verschilt: ze wil geen revolutie, want ze wil geen ander systeem. Ze wil het systeem veranderen. Zo kan ze wellicht heel wat meer bereiken dan de actievoerders die denken dat ze de stem van het volk vertolken maar in aantal verbleken bij de grootste massa: het winkelend publiek dat dag in, dag uit, tevreden en kapitalistisch tot op het bot, door de winkelcentra van de westerse steden slentert.
Want meer geld voor zorg, dat is misschien nog gewenst, maar een ander systeem met misschien wel minder etalages en minder koopjes?