De volksverrader

FLARDEN UIT EEN korte dialoog in één van de eerste scènes van Shakespeares Coriolanus in de bewerking van Koos Terpstra. Moeder: ‘Mensen willen van onze rijkdom mee-eten, en ze willen er niets voor terug geven.

Iedereen mag meedoen.’ Zoon: ‘Hoe herken je mensen die tegen vrijheid zijn.’ Moeder: 'Die zijn altijd herkenbaar. Ze hebben pijn in hun ogen, de pijn die ze ons willen doen. Ze haten ons, ze verachten ons, omdat ze zich vast moeten houden aan kleine waarden, kleine fanatismen, want ze hebben niet wat wij hebben, de kracht onszelf te zijn.’ Zoon: 'En dat is altijd herkenbaar?’ Moeder: 'Ja.’ Zoon: 'Ben je bang voor ze?’ Moeder: 'Ja. Ze willen onze kracht inruilen voor hun kleine waandenkbeelden. Onze grootheid is voor hen vergif.’
De zoon (Caius Martius) zal in de vier uur die de voorstelling duurt overtuigend demonstreren dat hij een waar kind van zijn moeder (Volumnia) is. Hij valt niet te modelleren naar welk beeld of welke gelijkenis dan ook. Hij wil alleen op zichzelf lijken, hij houdt alleen van zichzelf. Caius Martius sluit geen compromissen, hij is - zoals de Britten zeggen at odds with the world. En toch is deze Caius Martius van Koos Terpstra uit ander hout gesneden dan het raadselachtige, hoekige personage van Shakespeares origineel, de Coriolanus uit 1608.
DE STOF VOOR Shakespeares stuk komt uit de geschiedenis van het Romeinse rijk. In het jaar 493 voor onze jaartelling werd Italië bevolkt door een veelheid aan onafhankelijke stammen, de stad Rome was nog maar een vage vlek op de landkaart van de geschiedenis. De Romein Caius Martius - afkomstig uit een familie van grootgrondbezitters - voerde in dat jaar oorlog tegen de Volsken (één van de onafhankelijke volken in Italië) en hij veroverde hun hoofdstad Corioli. Sindsdien droeg hij de bijnaam 'Coriolanus’. Hij werd kandidaat voor de post van consul, de hoogste bestuursfunctie in Rome. Daartoe moesten, volgens de regels van de stad, de plebejers worden geraadpleegd; een maatschappelijke klasse bestaande uit kleine boeren, kooplui, bedienden en bedelaars. De plebejers waren zeer verbitterd over het maatschappelijk gedrag van de patriciërs, die ten eigen bate graan zouden hebben achtergehouden, en over de lakse houding van de stadsbestuurders in de senaat, die daar niet tegen optraden. De feitelijke vertegenwoordigers van de plebejers, de tribunen in de zogeheten 'volksraad’, hitsten het Romeinse volk op tegen de arrogante patriciër Caius Martius, de oorlogsheld met de legendarische bijnaam Coriolanus. Hij werd niet tot consul gekozen, werd daarna zelfs voor eeuwig uit Rome verbannen. Uit wraak sloot Caius Martius Coriolanus zich aan bij zijn oude vijand, de Volsken. In 488 voor Christus trok hij samen met hun leider Attius Tulles, die bij Shakespeare Aufidius heet, op tegen Rome. Zijn moeder en zijn vrouw hebben geprobeerd hem over te halen de vaderstad niet te bezetten. Coriolanus ging overstag.
Shakespeare raadpleegde voor Coriolanus twee geschiedschrijvers: Livius en Plutarchus. Livius schreef een happy end aan de legende van Caius Martius: de dankbare Romeinen richtten een tempel op voor zijn moeder en zijn vrouw, die immers met succes voor de stad hadden gepleit. De held zelf leefde nog lang en gelukkig, tot zijn natuurlijke dood, bij de oude vijand. Plutarchus vond een tragischer einde voor Coriolanus. Nadat hij was gezwicht voor zijn moeder en zijn vrouw en besloten had niet tegen Rome op te trekken, wist hij dat zijn dood nog slechts een kwestie van tijd was. Hij werd als verrader berecht en vermoord door de Volsken. Shakespeare koos voor de lijn van Plutarchus. De Engelse bard had weinig behoefte aan een happy end. Zeker niet in de tijd waarin hij Coriolanus schreef. In 1608 - Shakespeare was toen zelf een tamelijk rijk grondbezitter geworden - kwamen de Engelse boeren in opstand tegen de edelen en de rijken, die in de graafschappen van Northamptonshire en Warwickshire hekken rondom bouwrijpe grond plaatsten en die de graanprijzen kunstmatig opdreven. Er werd voorts een samenzwering tegen het Engelse parlement ontdekt. En vanwege een pestepidemie waren de theaters in Londen tijdens het seizoen 1607-1608 geruime tijd gesloten. De beroemde toneelschrijver was bitter gestemd toen hij aan Coriolanus schreef. Het is dan ook een stuk met een bittere ondertoon geworden. Shakespeare heeft zijn geloof in de monarchie verloren, hij koketteert met een vorm van 'verlichte dictatuur’. Voor zover we weten is het stuk tijdens zijn leven nooit opgevoerd. In de Engelse toneelkronieken wordt voor het eerst gewag gemaakt van een voorstelling van Coriolanus in 1754, honderdveertig jaar na de dood van de schrijver.
WAAR LIGT DE TRAGIEK van de held, oftewel antiheld, Caius Martius Coriolanus? Is het zijn hoogmoed tegenover het opstandige volk van Rome? Is het zijn trots? Schrikt hij ervan dat hij na de overwinning op de Volsken plotseling een held is geworden? Kan hij niet omgaan met zijn eigen integriteit? Of is-ie 'gewoon’ een groot kind dat niet kan optornen tegen zijn alomtegenwoordige moeder, die hem heeft opgevoed als een recht-door-zee-tiran?
De meeste commentatoren van Shakespeare vonden Coriolanus 'een pakhuis van politieke platituden’. Toen het stuk in 1934 in Parijs werd gespeeld, ontstonden er heftige rellen. Zowel communisten als fascisten vonden dat hun idealen in het stuk werden aangevallen. De communisten zagen in Caius Martius Coriolanus de verheerlijking van een 'prefascistische dictator’, de fascisten zagen in de manier waarop de aanstaande consul Coriolanus reclame voor zijn absolute macht maakte een gevaarlijke karikatuur van hun eigen propaganda - populistische demagogie om gemakkelijk stemmen te winnen.
De Britse premier Winston Churchill hanteerde Shakespeares tekst iets slimmer. Toen hij in 1945 aan de kant werd geschoven als prime minister, citeerde hij de Engelse bard aldus: 'Ze zullen pas van me houden als ze me missen’, 'I shall be loved when I am lacked’, wat een letterlijk citaat uit Coriolanus is. En: 'There is a world elsewhere.’ In de bewerking van Koos Terpstra: 'Er is meer wereld dan hier.’
Al in de vijfde regel van Shakespeares tekst wordt Caius Martius 'volksvijand nummer één’ genoemd. Bij zijn eerste opkomst, nog in dezelfde scène, onderneemt de patriciër geen enkele poging om die indruk weg te nemen. Martius: 'Een vriendelijk woord voor u is net als vleien/ En dus afschuwelijk. Wat verlangt u honden/ Elke minuut verandert u van mening/ Wie gisteren edel was wordt nu gehaat/ De afgod van vandaag valt morgen neer.’ Wanneer Caius Martius ruim een acte verder geacht wordt een verkiezingstoespraak te houden, waarmee hij het volk wil verleiden hem tot consul te kiezen, neemt hij opnieuw geen blad voor de mond: 'Liever verhonger ik of val hier dood/ Dan braaf te bedelen om genadebrood/ Ik vraag aan Piet en Klaas en wie al niet/ Een zinloos “ja” - zo gaat dat hier/ Maar als wij alles wat gewoon is doen/ Vegen we nooit het stof van tijden weg/ Een dwaling als een berg zo hoog wordt/ Tot begraven waarheid. Liever dan voor nar te spelen/ Laat ik mij een baan en waardigheid ontstelen.’ Caius Martius verspeelt zijn kansen waar hij bij staat. Coriolanus wil de hem met jubel verleende eretitel helemaal niet, hij wil ook niet kruipen voor een baantje, hij wil ook geen verrader zijn. Hij loopt al die dingen tegen het lijf. Shakespeare-kenner Jan Kott schrijft in zijn boek Shakespeare tijdgenoot: 'De geschiedenis was sterker dan Coriolanus, zij heeft hem overmand en in het slop gedreven, hem tot een dubbele verrader gemaakt. (…) Shakespeare was niet alleen geboeid door de verandering van een goede heerser in een tiran. Hij was geboeid door de geschiedenis. Hij vroeg zich af: waar en wanneer beslist de geschiedenis en wie bepaalt dat? Heeft zij een menselijk gezicht, heeft zij de naam en de hartstochten van een heerser, is zij de som van toevalligheden, is zij een in beweging gezet mechanisme? (…) Pas op het ogenblik waarop Coriolanus verrader wordt van Rome, verliest de wereld haar eenzijdigheid en houdt zij op geordend te zijn volgens een principe. De tegenstellingen van de wereld worden het nieuwe onderwerp van de tragedie.’
DE GROOTSTE POLITIEKE toneelschrijver van deze eeuw, Bertolt Brecht, was gefascineerd door Coriolanus. Hij maakte in de jaren vijftig een onvoltooid gebleven bewerking van de tekst. Hij had het moeilijk met het stuk. De plebejers in zijn bewerking zijn net zo klassebewust en net zo woedend als Caius Martius Coriolanus, het zijn geen lafbekken, ze zijn bijna net zo moedig als hun verguisde held. Meer moeite had Brecht met de gekwetste trots van Shakespeares titelfiguur, daar kon hij niks mee, dat was hem te particulier. De tragiek van Coriolanus was (aldus Brecht) dat hij zichzelf onvervangbaar was gaan vinden, dat hij een 'persoonlijkheidscultus’ om hem heen had gecreëerd. Een toneelpersonage kan zoiets nooit over zichzelf zeggen. Daarom bewerkte Brecht nogal drastisch de monoloog waarin Coriolanus’ moeder, Volumnia, in de vijfde acte ten overstaan van haar zoon pleit voor het behoud van Rome.
Bij Shakespeare klinkt dat zo. Volumnia: 'Wanneer je Rome slacht oogst je als loon/ Een naam die telkens als hij wordt genoemd/ Gevolgd zal zijn door vloeken. In kronieken/ Zal dít staan opgeschreven: de man was edel/ Maar wiste zelf zijn edelheid weer uit/ Hij heeft zijn land verwoest, afschuwelijk klinkt/ Zijn naam in het oor van ieder nageslacht.’
Voor Brecht waren dat geen steekhoudende argumenten. Hij legde Volumnia de volgende tekst in de mond. Volumnia: 'Weet dat je naar een ánder Rome optrekt/ Dan dat wat je verliet/ Weet dat je niet meer overvangbaar bent/ Je bent nog slechts een dodelijk gevaar voor velen/ Die nu het zwaard tegen je heffen/ Dezelfden die hun voet hebben gezet/ Bovenop de nek van jouw eigen volk/ Proberen nu hun vijand - dat ben jij/ Te onderwerpen.’ Stalin leefde nog toen Brecht dit schreef (1951) en toen Stalin stierf (1953) worstelde Brecht nog altijd voort met zijn bewerking van Coriolanus. Toen Brecht voor het laatst aan zijn adaptatie schaafde, hield de nieuwe Russische partijleider Chroesjtsjov zijn beruchte redevoering voor het twintigste partijcongres in Moskou, waarin de persoonsverheerlijking van Stalin frontaal werd aangevallen (1956). Brecht stierf in datzelfde jaar.
De toneelproduktie van Brechts Coriolanus-versie ging in 1962 bij het Oostberlijnse Berliner Ensemble in première, zes jaar na zijn dood, één jaar na de bouw van de Muur. De voorstelling werd een ongelooflijk succes, binnen de DDR en ver daarbuiten.
Vier jaar later schreef Günter Grass een toneelstuk óver deze toneelbewerking, Die Plebejer proben den Aufstand (1966). Het stuk handelt over de repetities van Coriolanus in Oost-Berlijn, ten tijde van de arbeidersopstand in juni 1953, toen in het oostelijke stadsdeel van Berlijn fel tegen loonkortingen werd geprotesteerd - een opstand die met Russische tanks werd neergeslagen. Brecht schreef in die dagen de beroemde regels: 'Misschien is het een idee/ Dat de regering het volk afzet/ En zich een nieuw volk kiest.’ Arbeiders vragen aan de regisseur van Coriolanus (die in Grass’ stuk 'Chef’ heet en duidelijke trekken van Brecht vertoont) stelling te nemen tegen het overheidsoptreden van de DDR-top. De Chef wil de contesterende arbeiders slechts ter wille zijn voor zover het zijn enscenering van Coriolanus ten goede komt. De actrice die Coriolanus’ moeder Volumnia speelt (bij Brechts ensemble was dat overigens zijn weduwe Helene Weigel) bitst in Grass’ tekst richting de Chef: 'Wees niet kinderachtig/ Je houdt er rekening mee dat in je tekst geschrapt wordt.’ Alle commentaren die Brecht in juni 1953 schreef over de neergeslagen arbeidersopstand verschenen zwaar gecensureerd in de officiële partij-organen van de Deutsche Demokratische Republik. Enkele jaren later ontving (en accepteerde) Brecht de Stalinprijs voor literatuur. Hij werd de 'literaire consul’ van de DDR - het 'foute broertje’ van Coriolanus.
OP DE GROTE PODIA wordt Shakespeares Coriolanus nog maar zelden gespeeld. Ik tel in de naoorlogse Nederlandse toneelgeschiedenis welgeteld twee versies. Eén traditionele, bij de Nederlandse Comedie (met Ko van Dijk in de titelrol) in 1960. En een politiek correcte versie bij de Haagse Comedie (uit 1978) met het Romeinse volk als oliedomme luiaards, die langs de lijn toekijken hoe de boven hen geplaatsten elkaar uitmoorden. Een paar jaar geleden waagden enkele kleine groepen zich aan de tekst. Er verscheen een snelle zip-zap-bewerking door een troep jonge acteurs en een versie die zich geheel toespitste op de verhouding tussen Coriolanus en zijn moeder. En bij die ingewikkelde verhouding begint de bewerking die Koos Terpstra voor het RO Theater maakte.
Caius Martius bekent in zijn openingsscène: 'Al mijn kracht komt van haar/ Al mijn spieren zijn haar spieren/ Nooit hoef ik aan mezelf te twijfelen want deze vrouw/ Is mijn moeder.’ Caius vraagt in de openingssène of het pijn deed toen hij uit haar kwam. Volumnia: 'Ik was een meisje toen, wist ik veel. Jij hebt van mij een moeder gemaakt.’ Martius: 'Heb je daar spijt van?’ Volumnia: 'Nee. Meisjes worden moeder.’ Martius: 'Je ziet er nog uit als een meisje.’ Volumnia: 'Nee. Dan kijk je niet goed.’
Vier bedrijven later probeert de moeder haar zoon te overtuigen. Volumnia: 'Kijk naar me/ Je ziet toch dat ik een meisje was/ Kijk naar dit meisje/ Dat meisje zegt dat je gelijk hebt.’
Even verderop spreekt de moeder het ultieme argument uit, waarmee de zoon zichzelf terug kan vinden. Verzoening! Volumnia: 'Jij wilde mensen die je kon vertrouwen en je bent bij je vijand uitgekomen. Als vriendschap en vijandschap zo weinig betekent kun je dan misschien dáár wat aan doen, dat hele begrip in één beweging aan de kant vegen. Verzoen ze.’
Wellicht lag de controversiële tekst van Shakespeare hier al drie eeuwen op te wachten. Dat Coriolanus iets te maken krijgt met verzoening.
De krijgsheer Comenius, zijn oude vriend en strijdmakker, laat daarover in de slotscène iets los. Comenius: 'Er zijn een paar manieren van huilen./ Je huilt omdat je medelijden met jezelf hebt./ Omdat je alleen gelaten bent, omdat je bang bent./ Omdat het ook jou kan gebeuren./ Je huilt omdat je niet weet wat je moet doen zonder hem./ Ik huilde niet./ Maar het moment dat zijn zoon naar me toekwam en vroeg:/ Waar is mijn vader? Toen huilde ik./ Waarom? Omdat ik dacht: Waar is mijn vriend.’