Essay: John Gray relativeert de Verlichting; de tijden zijn te gevaarlijk

De Vooruitgang is een mythe

We moeten afstand doen van het moderne geloof in de vooruitgang. De tijden zijn te gevaarlijk om onze ogen te sluiten voor de gebreken.

In tijden van onzekerheid en conflicten is het normaal te zoeken naar een eenvoudig credo waar we op kunnen terugvallen en dat als gids kan dienen. Tegenwoordig zien we dan ook wijdverbreide pogingen om terug te grijpen naar de flets geworden zekerheden van de Verlichting. Aan het begin van de 21ste eeuw is het verloren geloof niet het christendom. Het is het geloof in de mensheid: het geloof dat de mensheid door gebruik te maken van de toenemende kennis die de wetenschap ons levert, voor zichzelf een toekomst kan creëren die beter zal zijn dan wat er in het verleden ooit is geweest. Dit was het geloof – want het is een geloof, niet de conclusie van rationeel onderzoek – dat de denkers van de Verlichting inspireerde, dat het marxisme en het liberalisme bezielde, dat op de een of andere manier de grote oorlogen en tirannieën van de twintigste eeuw overleefde en dat nu uiteindelijk begint te wankelen. <…>

Dit wankelen wordt ontkend door liberale humanisten, wanneer zij, ondanks alle bewijzen van het tegendeel, blijven volhouden dat wetenschappelijke vooruitgang en ethische progressie hand in hand gaan. Gedurende de twintigste eeuw was dit niet het geval, en er is geen enkele aanwijzing dat het in de 21ste eeuw wel zo zal zijn. Toenemende kennis is gebruikt om de destructieve intensiteit van de oorlog te verhogen; zij heeft dictaturen in staat gesteld meer allesomvattend te zijn dan ooit tevoren, en zij heeft ervoor gezorgd dat er op een ongekende schaal genocide gepleegd kan worden. Europa is eeuwenlang ontsierd door pogroms, maar de holocaust kon alleen worden uitgevoerd door een staat die beschikte over moderne technologieën op het terrein van bewaking, communicatie en transport. Er zijn altijd tirannen geweest, maar alleen in de moderne tijd hebben zij de middelen om de enorme Goelags van sovjet-Rusland of maoïstisch China te creëren. Wetenschappelijke vooruitgang en ethische ineenstorting zijn hand in hand gegaan.

Deze ineenstorting bleef niet beperkt tot de totalitaire regimes. Zij was ook manifest in het gedrag van liberale democratieën – in het gebruik van kernwapens tegen de burgerbevolking van Hiroshima en Nagasaki, het volkomen platbombarderen van Dresden en Hamburg, de gecreëerde vuurstorm van Tokio en de zelfs nog intensievere bombardementen op en de afschuwelijke ontbladering van Vietnam, Laos en Cambodja. Aan het begin van de 21ste eeuw is foltering opnieuw geïntroduceerd als integraal onderdeel van de oorlogvoering en het gerechtelijke proces – niet door een van de overgebleven dictaturen, maar onder auspiciën van het machtigste liberale regime. De progressie in de wetenschap is een feit, maar dat geldt evenzeer voor de regressie in ethiek en politiek. <…>

Het is tegenwoordig mode te spreken over «de liberale Verlichting» – alsof de Verlichting een in wezen liberale beweging was. In werkelijkheid onderschreven de meeste Verlichtingsdenkers de liberale waarden niet en velen van hen waren overtuigde vijanden van het liberalisme. Het liberalisme vormt beslist één stroming binnen het Verlichtingsdenken, maar dat bevatte tevens antiliberale elementen die voortleefden in het nazisme.

De Franse positivisten beschouwden de liberale beschaving als een voorbijgaand stadium in de menselijke ontwikkeling en keken vol verlangen uit naar de tijd waarin liberale waarden overbodig zouden zijn, een visie die werd gedeeld door Marx. Nietzsche verwierp de liberale waarden in hun geheel. Niettemin bleef hij zijn leven lang een bewonderaar van Voltaire en was hij van mening dat hij zelf het werk van de Verlichting voltooide. Nietzsche deelde het Verlichtingsgeloof dat de mensheid (of een klein deel daarvan) een nieuwe wereld kon bouwen – een wereld waarin sommige groepen tot slaaf zouden worden gemaakt en waarin andere zouden worden uitgeroeid, maar die op de een of andere manier toch beter zou zijn dan alles wat er in het verleden was geweest. De nazi’s mogen Nietzsches ideeën dan hebben gevulgariseerd door ze te verbinden met het racisme, ze bleven wel trouw aan zijn visie op de vooruitgang.

De kern van het vooruitgangsgeloof van de Verlichting wordt niet gevormd door het geloof dat mensen van nature goed zijn, noch door een of andere theorie van historische noodzakelijkheid. Het is het geloof dat de mensheid door het aanwenden van wetenschappelijke kennis een nieuwe toekomst kan scheppen – en zelfs zichzelf kan herscheppen. Op hun meest radicale momenten geloofden Verlichtingsdenkers dat de wetenschap kon worden gebruikt om een nieuwe mensheid te telen, die niet gebukt zou gaan onder de gebreken van de oude. Het is op dit punt, meer dan ergens anders, dat de Verlichting verschilt van het christendom, en het is hier waar we de intellectuele wortels vinden van de ergste vormen van moderne terreur. <…>

Het geloof dat de wetenschap de mensheid de middelen heeft gegeven om de wereld te herscheppen ging niet ten onder met de totalitaire regimes van de twintigste eeuw. Het leeft voort in het neoliberalisme en het neoconservatisme – politieke bewegingen die het Verlichtings project van de transformatie van de samenleving op basis van veronderstelde wetenschappelijke kennis voortzetten. Tegenwoordig wordt het fundament niet gevormd door «wetenschappelijk socialisme» of «wetenschappelijk racisme». Het is de economische wetenschap, gebaseerd op een aan de Verlichting ontleende interpretatie van de geschiedenis.

De wetenschappelijke pretenties van deze bewegingen zijn uiteraard vals. Er is geen enkele reden om meer geloof te hechten aan Francis Fukuyama’s aankondiging van het einde van de geschiedenis dan aan de uitspraak van Sidney en Beatrice Webb uit de jaren dertig dat er in de Sovjet-Unie een nieuwe beschaving was ontstaan. De kennis die deze seculiere zieners pretenderen te bezitten over toekomstige ontwikkeling van de menselijke soort is helemaal geen kennis. Hun visies op de toekomst zijn eschatologische fantasieën, uitgeholde versies van de christelijke overtuiging dat de verlossing van de mens een historisch fenomeen is.

Comte en Marx, Hayek en Fukuyama twijfelen er geen moment aan dat de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling slechts één uitkomst kan hebben. Wel verschillen ze radicaal van mening over de vraag wat die uitkomst zal zijn. Voor Comte is dat een hiërarchisch georganiseerde technocratische samenleving. Voor Marx kan het niets anders zijn dan egalitair communisme. Voor Hayek is het ondenkbaar dat er iets anders ontstaat dan een universele vrije markt. Voor Fukuyama is het een «mondiaal democratisch kapitalisme». Ondanks hun verschillen hebben deze visies één ding gemeen. Alle vier gingen ervan uit dat de verwachting van een nieuwe wereld was gebaseerd op een wetenschappelijke analyse van de samenleving. In feite ging het om een seculiere versie van een christelijke geschiedbeschouwing.

Het christendom verschilt van andere religies doordat het de geschiedenis ziet als locatie waar de menselijke verlossing zal plaatsvinden. In het hindoeïsme en het boeddhisme, en in de filosofieën en mysterie godsdiensten uit de Europese oudheid, heeft de geschiedenis geen zin; verlossing betekent bevrijding uit de tijd. De politieke religies van de Verlichting – marxisme, positivisme en liberalisme – zijn seculiere incarnaties van het christelijke verlossingsverhaal.

De politieke geloven van de Verlichting beweren allemaal dat ze rus ten op het fundament van de wetenschap, maar in werkelijkheid zijn het splinterreligies, gedegenereerde vormen van de christelijke verwachting van het einde der tijden. Zoals te verwachten was zijn ze onjuist gebleken. De geschiedenis is niet geëindigd maar eenvoudig doorgegaan.

Het communistische experiment is volkomen mislukt. De opbouw van een mondiale vrije markt wordt opgehouden door oorlog. De secularisatie – waarvan Verlichtingsdenkers van alle richtingen dachten dat zij het universele gevolg zou zijn van de opkomst van de moderne wetenschap – bleek een lokaal fenomeen, dat beperkt blijft tot sommige delen van Europa. Op mondiaal niveau heeft de wetenschap niet geleid tot een consensus met betrekking tot geloof en waarden. Zij heeft eenvoudig de macht van mensen vergroot om hun conflicterende waarden en overtuigingen de wereld in te slingeren.

De door de neoliberalen verwachte vrede is niet gekomen. Het korte neoliberale tijdperk was een tijdperk van oorlog – in de Perzische Golf, op de Balkan, en in veel andere delen van de wereld. Het is gevolgd door een neoconservatief tijdperk van bloed en ijzer, dat naar het zich laat aanzien langer zal gaan duren.

De oorlog in Irak werd om een aantal redenen begonnen. Deels is het een grondstoffenoorlog, met als doel het beheersen van de Iraakse olievoorraad; maar een centrale rol werd gespeeld door de ideologie. De neoconservatieve factie in de regering-Bush zorgde ervoor dat de invasie werd ontketend, en het afschuwelijke fiasco dat hierop is gevolgd komt rechtstreeks voort uit de tekortkomingen van de neoconservatieve ideologie. Nog voordat er een schot was gelost kon men voorzien dat de invasie zou resulteren in een mislukte staat. Het was duidelijk dat een snelle overwinning op Saddams conventionele strijdmacht gevolgd zou worden door een hardnekkige guerrillaopstand, die in veel opzichten lijkt op de oorlog die al een decennium in Tsjetsjenië woedt. Ook was het duidelijk dat op lange termijn deze oorlog tot gevolg zou hebben dat de radicale islam verreweg de belangrijkste macht in het land zou worden. De neoconservatieven geloofden dat wanneer Irak gedwongen werd van regime te veranderen, het land zou moderniseren, en dat ze op die manier een model hadden gecreëerd voor andere landen in de regio. Wat ze niet begrepen, was dat Irak al een moderne staat was – een seculiere dictatuur die deels was gemodelleerd naar de voormalige Sovjet-Unie en deels naar nationaal-socialistisch Duitsland.

In de ogen van neoconservatieven ziet de moderniteit er overal hetzelfde uit, en is zij altijd goed. De geschiedenis laat een ander beeld zien, waarin duidelijk wordt dat terreur een integraal onderdeel van de moderne wereld is. Het Derde Rijk was een moderne staat, geen poging om terug te keren naar een eerdere periode in de geschiedenis. Het sovjet- en maoïstisch communisme vormden niet de belichaming van respectievelijk Russische en Chinese tradities, maar waren regimes die hun land op radicale wijze verwesterden, en wier oorsprong terugging tot het hart van de Europese Verlichting.

Radicale islamisten zien zichzelf als vijanden van de westerse moderniteit, en worden ook in «het Westen» zo gezien. Niettemin bestaat de radicale islam uit een stelsel van ideeën die voor een groot deel zijn ontleend aan moderne westerse ideologieën als het leninisme en het nationaal-socialisme. Het geloof dat de wereld door middel van spectaculaire gewelddaden kan worden herschapen, kent geen precedent in islamitische tradities. Al-Qaeda heeft dan ook meer gemeen met de Rote Armee Fraktion dan met de middeleeuwse Assassijnen. Wanneer de radicale islamisten spreken over het door middel van terreur herscheppen van de wereld, dan spreken ze met een moderne, westerse tong.

De opkomst van het neoconservatisme laat zien dat de ironie van de geschiedenis zich ook voordoet in de intellectuele geschiedenis van de twintigste eeuw: het door «rechts» overnemen van een revolutionaire ideologie. Toen het communisme ineenstortte, gingen veel mensen ervan uit dat de revolutionaire ideologie dood was. In plaats daarvan tekende ze weer voor een paar jaar bij. Eerst dook zij op in de neoliberale fantasie van een wereldwijde vrije markt, en vervolgens in het neoconservatieve project dat gericht was op het met militaire macht exporteren van de liberale democratie naar het Midden-Oosten en de rest van de wereld.

Ondanks zijn naam heeft het neoconservatisme meer gemeen met het jakobinisme en het leninisme dan met het conservatisme zoals dat in Europa wordt begrepen. Gezien hun afkeer van alles wat met Europa te maken heeft, is het pure ironie dat de Amerikaanse neoconservatieven propaganda maken voor een rechtse variant van een afgeschreven radicale Europese ideologie – Trotski’s theorie van de permanente revolutie. Momenteel wordt dit Europese exportartikel opnieuw in Europa geïmporteerd, door gedesillusioneerde Europese intellectuelen die op zoek zijn naar een nieuw seculier geloof. Het neoconservatisme zal echter in Europa nooit zo machtig zijn als het in Amerika is.

Eén reden hiervoor is het verschil in historische ervaring. Als gevolg van hun twintigste-eeuwse geschiedenis zijn de Europeanen gaan begrijpen welke gevaren er aan revoluties kleven, en heeft het geloof in de vooruitgang hier de vorm aangenomen van een voorzichtige cultus van stapsgewijze hervormingen. Catastrofes met een omvang zoals Europa die in de twintigste eeuw onderging, moet Amerika nog meemaken, en hierdoor kan het vooruitgangsgeloof er nog militant en bijbels blijven. <…>

Een andere reden is het verschil in religieuze tradities. In Europa gaat het christendom nog steeds uit van het augustijnse inzicht in de menselijke onvolmaaktheid. Volgens Augustinus was het onmogelijk dat het goede zou triomferen in de geschiedenis. De zonde bevindt zich in elk menselijk hart, en de wereld der mensen zal altijd vergeven zijn van het kwaad. In tegenstelling hiermee heeft het christelijk geloof in Amerika sterk apocalyptische trekken, wat tegenwoordig tot uitdrukking komt in het fundamentalisme. Evenals de middeleeuwse Europese millenniaristen leven Amerikaanse christelijke fundamentalisten in de verwachting van Armageddon – de enorme strijd die er uiteindelijk in zal resulteren dat het kwaad in de wereld wordt geëlimineerd.

In een uiterst merkwaardige symbiose hebben deze moderne christelijke millenniaristen een strategisch bondgenootschap gesloten met neoconservatieven die een even apocalyptische transformatie van het menselijk leven verwachten. Het christelijk fundamentalisme en het Verlichtingsfundamentalisme hebben de krachten gebundeld, en de macht van de Verenigde Staten vormt nu een voertuig voor een nieuwe poging de wereld te herscheppen. Evenals de revolutionairen van de twintigste eeuw zullen de gewapende missionarissen van de regering-Bush door de geschiedenis worden uitgefloten, aangezien hun apocalyptische fantasieën botsen met de hardnekkige realiteit van de menselijke natuur. Maar voor het zover is zal de wereld opnieuw een periode van enorme conflicten hebben doorgemaakt.

Er bestaat een eerbiedwaardig academisch cliché dat luidt dat de Amerikaanse politiek gebukt gaat onder een manicheïstisch wereldbeeld, en velen hebben beweerd dat de regering-Bush wordt gedreven door een manicheïstisch visioen van een kosmische strijd tussen goed en kwaad. Naar mijn mening is dit een belediging van de manicheeërs. De volgelingen van Mani waren genuanceerde en realistische denkers die erkenden dat de uitkomst van de kosmische strijd onzeker was: hoe resoluut we het goede ook verdedigen, het kwade kan toch de overhand krijgen. In tegenstelling hiermee kan volgens Bush, en zijn trouwe discipel Blair, het kwade alleen zegevieren omdat de goede mensen dat toelaten. Deze neoconservatieve leiders hangen een moderne versie van de pelagiaanse ketterij aan, die ervan uitging dat het kwaad niet meer is dan een nevenproduct van vergissing en onwetendheid. Wanneer ze onophoudelijk over het kwaad spreken, is dat alleen omdat ze er niet werkelijk in geloven.

Het is hetzelfde geloof als dat waardoor de revolutionaire bewegingen van de twintigste eeuw werden gevoed. Lenin, Stalin en Mao geloofden dat zij wisten welke loop de geschiedenis noodzakelijkerwijs moest nemen, en zij waren bereid om deze door middel van terreur te versnellen. Zij werden verdedigd door generaties westerse intellectuelen, die het menselijk leed dat de terreur met zich meebracht zagen als de onvermijdelijke prijs die voor de vooruitgang moest worden betaald. De steun van westerse intellectuelen voor het communisme was het grootst toen de terreur op zijn hoogtepunt was, en brokkelde af toen de communistische regimes milder werden. Tegenwoordig zien we dat in het neoconservatieve project om met geweld de democratie te exporteren naar het Midden-Oosten, weer de bereidheid aanwezig is om terreur te gebruiken ten dienste van de vooruitgang.

Evenals in het verleden in Rusland en China het geval was, gaan ook in Irak Verlichting en terreur hand in hand. De poging om met behulp van martelingen en bombardementen een liberale democratie te vestigen, is een oefening in terreur die even vergeefs is als soortgelijke exercities uit het verleden, en de resultaten ervan zullen niet anders zijn. Talloze levens zullen voor niets verloren gaan of worden geruïneerd. Irak zal generaties lang lijden onder oorlog en anarchie, waar alleen de radicale islam van zal profiteren.

U verwacht nu wellicht dat ik met voorstellen kom waarmee dit onzalige vooruitzicht kan worden vermeden. Ik moet u teleurstellen. De vergissingen die zijn gemaakt, zijn zo groot, en de schade die is aangericht gaat zo diep, dat er geen enkele mogelijkheid is om een catastrofe te vermijden. Het beste wat kan worden gedaan, is een heroriëntatie van ons denken, zodat we met een helder hoofd kunnen reageren op de uitdagingen van het heden. Om dit te kunnen doen, moeten we bereid zijn afstand te doen van het moderne geloof in de vooruitgang.

De kern van de vooruitgangsgedachte wordt gevormd door de overtuiging dat wat in de wetenschap is bereikt, kan worden gekopieerd in de ethiek en de politiek. Evenals in de wetenschap komt de waarheid geleidelijk steeds dichterbij, zodat er in ethiek en politiek vooruitgang mogelijk is en een betere wereld onder handbereik komt. De menselijke progressie mag dan langzaam, stapsgewijs gaan, en nooit helemaal zeker zijn – het is eerder het centimeter voor centimeter opschuiven dan een plotselinge stormloop naar de overwinning –, niettemin geloven Verlichtingsdenkers dat we kunnen leven in de hoop dat de toekomst van de menselijke soort beter zal zijn dan het verleden.

Het afstand doen van deze hoop lijkt wellicht een drastische of zelfs onmogelijk stap, en het vereist inderdaad een soberheid en bescheidenheid waarvan in onze hedendaagse cultuur zeer weinig te bemerken is. Niettemin is in onze cultuur de vooruitgangsgedachte een vrij recent geloof dat vóór de achttiende eeuw nog niet bestond en dat in alle grote wereldreligies afwezig is of wordt afgewezen. Wanneer we dit moderne geloof opgeven sluiten we ons slechts aan bij de menselijke orthodoxie.

Het afstand doen van het moderne vooruitgangsgeloof wil niet zeggen dat men een postmoderne relativist wordt. Pascal en Montaigne waren twee zeer verschillende denkers, maar ze deelden een benadering van de ethiek waar wij nog veel van kunnen leren. Zij wisten dat menselijke gewoonten sterk van elkaar verschillen, maar ze twijfelden er niet aan dat vrede beter is dan oorlog, of dat slavernij erger is dan vrijheid. De menselijke natuur is geen culturele constructie, maar iets wat vrij constant is. Het zijn de permanente behoeften en gebreken van de mensheid die de basis vormen van de ethiek.

Ondanks de grote verscheidenheid aan menselijke idealen bestaan er sommige kwaden die elke vorm van het goede leven in de weg staan. De dreiging van een gewelddadige dood is zo’n obstakel, wat ook geldt voor de systematische vernedering die kenmerkend is voor godsdienstvervolging. Het idee dat een goede samenleving vrij is van dergelijke kwaden is niet specifiek westers, modern of liberaal. Vrede en tolerantie heersten in de Moorse koninkrijken van het middeleeuwse Spanje, in boeddhistisch India, in confuciaans China en gedurende sommige periodes in het Ottomaanse en het Romeinse rijk. Onder deze premoderne regimes was het goede leven beter verwezenlijkt dan in veel moderne samenlevingen.

In de geschiedenis zijn veel van dergelijke voorbeelden aan te wijzen, maar ze duurden nooit lang. Oorlog en tirannie verstoren de fragiele verworvenheden van de beschaving. De geschiedenis als geheel is het verhaal van de voortdurende afwisseling van verworvenheden en het verlies ervan. Het is alleen in de wetenschap dat er sprake is van voortdurende vooruitgang.

De groei van kennis is een realiteit, die onder meer blijkt uit het feit dat de macht van de mens is toegenomen. Er zijn meer mensen dan ooit tevoren, en ze hebben een impact op de planeet die zonder weerga is. De mensen hebben een groot deel van de biosfeer vernietigd, en wat er nog van resteert, hebben ze grotendeels gekoloniseerd. Laten we duidelijk zijn, deze vorm van menselijke hegemonie is vrijwel niet vol te houden – zeer waarschijnlijk zal zij, misschien al heel snel, als gevolg van de door de mens veroorzaakte klimaatverandering in de problemen komen. Maar toch, dit harde feit toont aan dat scepsis over het fundament van wetenschappelijke kennis irrelevant en zinloos is.

In tegenstelling tot wat het postmoderne relativisme leert, bestaat er zoiets als waarheid, en is ethiek niet louter een kwestie van opvattingen. Maar, zoals premoderne denkers inzagen, de menselijke kennis mag dan groeien, het menselijke dier blijft grotendeels hetzelfde. Als gevolg hiervan kan er in de ethiek en politiek geen sprake zijn van een vooruitgang zoals die zich voordoet in de wetenschap.

In de wetenschap bouwt iedere generatie voort op datgene wat daarvoor is bereikt en zijn er geen grenzen aan hetgeen er kan worden ontdekt. De vooruitgangsgedachte gaat ervan uit dat dergelijke verbeteringen ook in de samenleving kunnen worden bereikt – dat, hoe langzaam en haperend ook, iedere generatie de verworvenheden van de vorige kan uitbreiden. Ethiek en politiek zijn echter geen cumulatieve activiteiten. Ze lijken meer op de kunst, waar hetgeen in een bepaalde periode is bereikt, in een volgende periode weer helemaal verloren kan gaan. De groei van kennis is onomkeerbaar – als we een mondiale catastrofe buiten beschouwing laten, is het onmogelijk dat de wetenschappelijke kennis die we nu bezitten verloren gaat. In tegenstelling hiermee zijn ethische en politieke vooruitgang niet onomkeerbaar. Zelfs verworvenheden die heel vast verankerd lijken – zoals het verbod op martelen – kunnen in een oogwenk weer verdwijnen.

De kwaden van het menselijk leven verdwijnen niet. Ze herhalen zich eenvoudig en hun wortels liggen niet in onwetendheid. Zij liggen in de menselijke natuur zelf. Het is de taak van de ethiek en de politiek om met deze weerkerende kwaden om te gaan, zonder zich te verbeelden dat ze ooit kunnen worden uitgebannen.

In de wetenschap is vooruitgang een feit, in ethiek en politiek is het een mythe. Hoewel deze mythe in het verleden misschien nuttig is geweest, maakt zij degenen die in haar geloven blind voor de gevaren waarmee we nu geconfronteerd worden. Onze beschaving wordt bedreigd door de toenemende macht van de mens die voortvloeit uit de groei van kennis.

Wellicht denken sommigen dat ik te ver ga met mijn voorstel de vooruitgangsgedachte op te geven. Ze zullen wellicht zeggen dat het verstandiger is om haar te hervormen, bijvoorbeeld door haar bescheidener te maken. In het verleden heb ik zelf geprobeerd om met een alternatief begrip van de vooruitgangsgedachte te komen, een die rekening houdt met ecologische en menselijke beperkingen, maar ik ben gaan betwijfelen of enige revisie van ons vooruitgangsbegrip kan afrekenen met de gebreken ervan. Welke vorm de vooruitgangsgedachte ook aanneemt, zij verhult altijd het centrale gegeven van onze huidige toestand. Ze belichaamt de illusie dat we vrij zijn om onze groeiende kennis te gebruiken op de wijze die wij willen, terwijl de realiteit is dat we moeten worstelen om haar gevolgen het hoofd te bieden.

De steeds snellere vooruitgang van de wetenschap kan niet tot staan worden gebracht. Bovendien is het niet zonder meer wenselijk dat zij tot staan wordt gebracht, aangezien zij ten grondslag ligt aan veel verbeteringen van het menselijk leven, zoals de toename van de levensverwachting. Tegelijkertijd vormt de steeds snellere groei van kennis de oorsprong van de belangrijkste bedreigingen waarmee de mensheid nu geconfronteerd wordt. Voorzover het door de mens is veroorzaakt, is de mondiale klimaatsverandering een gevolg van de wereldwijde industrialisatie. Dat geldt ook voor de steeds intensere strijd om de natuurlijke hulpbronnen. De wereldwijde industrialisatie is op zichzelf een nevenproduct van de groei van kennis, en de verspreiding van massavernietigingswapens is een gevolg van de verspreiding van wetenschappelijke kennis.

Anders dan het Verlichtingsgeloof pretendeert, is de vooruitgang in kennis niet de voorbode van de geboorte van een nieuwe wereld. Zij brengt niets anders dan een voorzetting en een uitbreiding van de conflicten van de oude wereld. Dit is de waarheid die voortleeft in de christelijke doctrine van de erfzonde, en die door veel van de wereld godsdiensten wordt onderschreven, en die door de denkers van de Verlichting altijd is ontkend.

De vooruitgangsgedachte is in de moderne ziel geprogrammeerd als het verlossende woord voor hen die een geloof met meer diepgang ontberen. Misschien is de laatmoderne cultuur te grof of te zwak om het zonder te stellen. In ieder geval zou een plotselinge ineenstorting van dit geloof beslist schadelijk zijn. Niettemin zijn de tijden te gevaarlijk om onze ogen af te wenden van de gebreken ervan. We zouden er beter aan doen het advies van de Verlichtingsdenkers zelf op te volgen: te leven zonder de valse troost van een irrationeel geloof.

Vertaling Rob Hartmans

Dit is een bewerking van de Thomas More-lezing die John Gray hield op 17 november in De Rode Hoed te Amsterdam. Deze week verschijnt bij Ambo zijn essaybundel Provocaties