Over de tirannie van het nu

De vooruitkijkende Samaritaan

Het kortetermijndenken voert de mensheid naar de afgrond en de generaties na ons zijn de dupe van onze kortzichtigheid. We moeten leren goede voorouders te zijn.

In de Westfjorden van IJsland worden bossen hersteld die meer dan duizend jaar geleden werden weggekapt door Viking-kolonisten © Josh Haner / The New York Times / ANP

Wij zijn de erfgenamen van schenkingen uit het verleden. Denk maar aan de immense nalatenschap van onze voorouders: zij strooiden tienduizend jaar geleden de eerste zaden uit in Mesopotamië, ze ontgonnen land, legden waterwegen aan en stichtten de steden waar wij nu in wonen, ze deden wetenschappelijke ontdekkingen, traden als winnaars uit het politieke strijdperk en schiepen grote kunstwerken die aan ons zijn overgeleverd. Desondanks staan we er maar zelden bij stil hoezeer deze erflaters ons leven hebben vormgegeven. Hun namen zijn veelal in het vergeetboek geraakt, maar een van de namen die in de herinnering zijn blijven voortleven, is die van geneeskundig onderzoeker Jonas Salk.

Na bijna tien jaar nauwgezet onderzoek hadden Salk en zijn medewerkers in 1955 het eerste werkende en veilige vaccin tegen polio ontwikkeld. Het was een bijzonder belangrijke doorbraak: polio, een ziekte die verlammingsverschijnselen veroorzaakt, niet zelden met de dood tot gevolg, maakte destijds wereldwijd een half miljoen slachtoffers per jaar. Salk werd meteen bejubeld als wonderdoener. Maar het was hem niet om roem of rijkdom te doen, hij heeft ook nooit een patent op het vaccin willen hebben. Hij wilde ‘de mensheid een dienst bewijzen’ en iets goeds nalaten voor toekomstige generaties. Daar is hij zonder twijfel in geslaagd.

Op latere leeftijd vatte Salk zijn levensfilosofie samen met de vraag: ‘Zijn wij goede voorouders?’ Hij was van mening dat wij de vele rijkdommen die ons zijn nagelaten moeten doorgeven aan onze nakomelingen. Om dat te bewerkstelligen – en om het hoofd te bieden aan wereldwijde crises als de verwoesting van de natuur door de mens en de dreiging van een kernoorlog – moest ons tijdsperspectief naar zijn volle overtuiging radicaal verschuiven naar een standpunt dat veel meer gericht was op langetermijndenken en op de gevolgen van ons handelen die tot voorbij ons eigen leven reiken. In plaats van te denken in termen van seconden, dagen en maanden, zou onze tijdshorizon decennia, eeuwen en millennia moeten omvatten. Alleen dan zouden we de toekomstige generaties echt kunnen respecteren en eren.

Die vraag van Salk zou weleens zijn grootste bijdrage aan de geschiedenis kunnen zijn. In een meer actieve vorm – ‘hoe kunnen wij goede voorouders zijn?’ – is hij naar mijn idee de belangrijkste vraag van onze tijd, een vraag die hoop biedt voor de toekomst en voor de evolutie van de menselijke beschaving. Het oude bijbelse streven om een goede Samaritaan te zijn, voldoet niet meer. Het is tijd voor een 21ste-eeuwse update: de goede Samaritaan moet plaatsmaken voor de goede voorouder.

—————

Een goede voorouder worden is een geduchte taak. Of het ons gaat lukken zal afhangen van de uitkomst van de strijd om de menselijke geest die momenteel op mondiale schaal wordt geleverd door de tegengestelde krachten van het kortetermijn- en het langetermijndenken.

Op dit moment in de geschiedenis is het duidelijk welke van deze twee krachten de overhand heeft: onze tijd wordt gekenmerkt door een ziekelijk kortetermijndenken. Politici kunnen amper verder kijken dan de volgende verkiezing of de laatste opiniepeiling of tweet. Bedrijven zijn slaven van het volgende kwartaalverslag en de voortdurende druk om de waarde van het aandeel op te krikken. Markten pieken en storten in elkaar wanneer de door supersnelle algoritmen gedreven speculatieve bubbels barsten. Landen schuiven aan bij internationale onderhandelingen en ruziën over kortetermijnbelangen terwijl de planeet in brand staat en bedreigde planten en dieren uitsterven. Onze cultuur van onmiddellijke bevrediging maakt dat we ons te buiten gaan aan fastfood, snelvuurberichten en de ‘Nu kopen’-knop. ‘De grote ironie van onze tijd’, schrijft antropologe Mary Catherine Bateson, ‘is dat we langer leven maar korter denken.’ Dit is het tijdperk van de tirannie van het nu.

Een nieuw fenomeen kunnen we het kortetermijndenken niet echt noemen. De geschiedenis biedt voorbeelden te over, van de roekeloze verwoesting van hun oerbossen door de Japanners in de zeventiende eeuw tot de op hol geslagen speculatie die resulteerde in de beurskrach van 1929. En het is ook niet altijd slecht: zoals ouders een ziek of gewond kind als de wiedeweerga naar het ziekenhuis moeten brengen, moet een overheid snel en alert reageren op crises als een aardbeving of epidemie. Maar als je het nieuws van de dag doorneemt, kom je talrijke voorbeelden tegen van kortetermijndenken dat wél schadelijk is. Overheden zetten liever meer criminelen achter de tralies dan dat ze de onderliggende sociaal-economische oorzaken van de criminaliteit aanpakken. Of gaan door met het subsidiëren van de kolenindustrie in plaats van de overgang naar duurzame energiebronnen te ondersteunen. Of kiezen bij een bankencrisis eerder voor een forse geldinjectie dan voor een structurele hervorming van het financiële stelsel. Of laten na te investeren in preventieve gezondheidszorg, het bestrijden van kinderarmoede en het bevorderen van sociale woningbouw. En ga zo maar door.

Het kortetermijndenken heeft ons inmiddels op een kritiek punt gebracht. Dit heeft in de eerste plaats te maken met de verhoogde kans op wat we ‘existentieel risico’ noemen, waarmee doorgaans wordt gedoeld op uit nieuwe technologie voortvloeiende gebeurtenissen met lage waarschijnlijkheid maar zeer ernstige gevolgen. Hoog op de lijst staan bedreigingen van de kant van kunstmatige-intelligentiesystemen, zoals dodelijke autonome wapens die niet meer door hun menselijke makers in toom zijn te houden. Een ander mogelijk risico is een genetisch gemanipuleerde pandemie, of een kernoorlog die in een tijd van toenemende geopolitieke instabiliteit door een schurkenstaat wordt veroorzaakt.

Een even serieuze mogelijkheid is de instorting van onze beschaving als gevolg van onze niet-aflatende vernietiging van de ecologische systemen waarvan ons welzijn, ja het leven zelf, afhankelijk is. ‘We staan op dit moment voor een ramp van wereldomvang die wij zelf hebben veroorzaakt, de grootste bedreiging voor de mensheid in duizenden jaren: de klimaatverandering’, zei David Attenborough op de VN-klimaattop van 2018 tegen de verzamelde wereldleiders. ‘Als we nu geen actie ondernemen, doemen de instorting van onze beschaving en de massale uitsterving van de natuur op aan de horizon’, aldus de bioloog. ‘Wat nu gebeurt, en in de paar jaar hierna, zal diepgaande gevolgen hebben voor de komende paar duizend jaar.’

Bij uitspraken als deze zouden bij ons alle alarmbellen moeten gaan rinkelen. Maar vaak is het niet duidelijk wie precies de rekening van onze temporele kortzichtigheid gepresenteerd krijgt. Dat zullen niet alleen onze kinderen en kleinkinderen zijn, maar ook de miljarden mensen die in de komende eeuwen geboren zullen worden, veel meer mensen dus dan er nu op aarde leven.

De tijd is rijp, en dan met name voor de mensen in de rijke landen, om de ogen te openen voor een verontrustende waarheid: dat we de toekomst gekoloniseerd hebben. We behandelen de toekomst als een afgelegen koloniale buitenpost waar geen ziel woont, waar we ongehinderd technologische risico’s kunnen nemen, vrijelijk kernafval kunnen dumpen, ons ongestraft te buiten kunnen gaan aan ecologische verloedering en naar hartenlust kunnen plunderen. Toen de Britten in de achttiende en negentiende eeuw Australië koloniseerden, rechtvaardigden ze hun verovering van het land en hun bejegening van de inheemse bevolking – alsof die niet bestond en geen enkel recht op het land had – met een wettelijke doctrine die we nu kennen als terra nullius, ‘niemandsland’. Onze tegenwoordige sociale houding is er een van tempus nullius: de toekomst wordt gezien als ‘niemandstijd’, een territorium waarop niemand aanspraak maakt en dat door niemand wordt bewoond. Net als destijds de verre delen van het Britse Rijk kunnen we ermee doen wat we willen. En zoals de inheemse Australiërs nog altijd vechten tegen de erfenis van terra nullius, zo zal er ook strijd moeten worden geleverd tegen de doctrine van tempus nullius.

‘De grote ironie van onze tijd is dat we langer leven maar korter denken’

Het tragische is dat de ongeboren generaties van morgen niets kunnen doen aan deze koloniale roofbouw op hun toekomst. Ze kunnen zich niet als een suffragette voor het paard van de koning werpen, als een burgerrechtenactivist een brug in Alabama bezetten of als Mahatma Gandhi met een zoutmars protesteren tegen de koloniale onderdrukkers. Ze kunnen niet kiezen of gekozen worden, ze hebben nul invloed via de stembus of in de markt. De grote zwijgende meerderheid van toekomstige generaties staat machteloos en wordt weggeretoucheerd uit onze geest.

—————

Dit is niet het slotstuk van het verhaal van de mensheid. We zijn veeleer aanbeland bij een potentieel keerpunt in de geschiedenis, waar verschillende krachten zich beginnen te verenigen tot een wereldwijde beweging die ons wil verlossen van onze verslaving aan de onvoltooid tegenwoordige tijd en een nieuw tijdperk van langetermijndenken wil smeden.

Onder de pleitbezorgers van deze beweging bevinden zich stedenbouwkundigen, klimaatwetenschappers, ziekenhuisartsen en ceo’s van techbedrijven, die stilaan erkennen dat een kortzichtige visie op de toekomst aan de basis ligt van veel problemen waar de wereld nu mee kampt – de dreigende ineenstorting van het ecosysteem, de gevaren van de automatisering, de toename van de wereldwijde massamigratie, de groeiende kloof tussen rijk en arm – en dat langetermijndenken het voor de hand liggende tegengif is. Voormalig vicepresident van de Verenigde Staten Al Gore stelt dat ‘bestuurlijke instituties zijn omgepraat door gevestigde belangengroepen die meer geïnteresseerd zijn in kortetermijnwinst dan in langetermijnduurzaamheid’. Astrofysicus Martin Rees vreest dat er ‘te weinig gepland wordt, te weinig aan horizonscanning gedaan wordt, te weinig besef is van langetermijnrisico’s’ en hij stelt voor om, wat het langetermijnbeleid aangaat, een voorbeeld te nemen aan China. Chamath Palihapitiya, voormalig topman van Facebook, heeft toegegeven dat de ‘vluchtige, door dopamine gedreven terugkoppelingslussen die wij gecreëerd hebben, onze samenleving kapotmaken’ en ook de hoofdeconoom van de Bank of England heeft openlijk kritiek geuit op de ‘golf van kortzichtigheid’ op de kapitaalmarkten en in het bedrijfsleven.

Tegelijkertijd zien we een internationale consensus ontstaan over hoe belangrijk het is om bij onze morele afwegingen of beleidsbesluiten de mensen van de toekomst niet uit het oog te verliezen. De afgelopen 25 jaar is in meer dan tweehonderd VN-resoluties uitdrukkelijk gesproken over het welzijn van ‘toekomstige generaties’, en paus Franciscus heeft benadrukt dat het bij ‘solidariteit tussen de generaties niet over een optionele houding gaat, maar over een wezenlijke kwestie van rechtvaardigheid’.

Deze groeiende publieke consensus over het belang van langetermijndenken als een van de prioriteiten van onze beschaving, is niet eerder vertoond. Maar wat nog meer indruk maakt dan deze stortvloed aan mooie woorden is de explosieve toename van projecten en initiatieven die de daad bij die mooie woorden voegen. De wereldzadenbank (Svalbard Global Seed Vault) op Spitsbergen is een ondergrondse opslagplaats waar meer dan een miljoen zaden van zesduizend soorten minstens duizend jaar bewaard kunnen worden. Er zijn nieuwe politieke instituties, zoals de Commissaris voor Toekomstige Generaties in Wales en het ministerie van Kabinetszaken en de Toekomst van de Verenigde Arabische Emiraten. Daarnaast zien we activistische jongeren zoals de toen negenjarige Duitser Felix Finkbeiner die in 2007 de campagne Plant-for-the-Planet startte, met als resultaat dat er verspreid over 130 landen tientallen miljoenen bomen zijn geplant. En in de kunstwereld is er musicus Jem Finer, wiens compositie Longplayer begon te spelen om middernacht op 31 december 1999 in een vuurtoren in Londen en zonder herhaling duizend jaar lang te horen zal zijn.

Langetermijndenken lijkt aan aantrekkingskracht te winnen, maar er is een probleem. Hoewel het zich manifesteert in de wereld van kunst en wetenschap en bij bedrijven en politieke activisten met een vooruitziende blik, is het nog altijd een marginaal verschijnsel; niet alleen in Europa en Noord-Amerika, maar ook bij de opkomende economische grootmachten. Tot dusver heeft het nog niet diep kunnen doordringen tot de mentale structuren van de moderne geest, die vooralsnog vastzit in het keurslijf van het kortetermijndenken.

Bovendien is het langetermijndenken als concept opvallend onontwikkeld. Ik heb er talloze malen over gesproken met mensen die het zagen als medicijn voor onze zieke planeet, maar niemand heeft mij kunnen uitleggen wat het precies is. Als zoekterm mag het dan bijna een miljoen hits opleveren, maar die bieden zelden een heldere beschrijving van wat het betekent, hoe het werkt, om welke tijdshorizonnen het gaat en wat we moeten doen om er de norm van te maken. Publieke figuren als Al Gore geven er hoog van op, maar het blijft abstract, vormloos, een wondermiddel zonder beginsel of programma. Dit intellectuele vacuüm komt neer op niets minder dan een conceptuele noodsituatie. Als we goede voorouders willen zijn, zullen we eerst en vooral dit vacuüm moeten vullen.

—————
De aanplant van jonge mangrovebomen moet de kustlijn van het eiland Kiribati in Oceanië beschermen tegen erosie veroorzaakt door zeespiegelstijging © Jocelyn Carlin / Panos / ANP

Net als H.G. Wells – misschien wel de invloedrijkste van alle toekomstdenkers – vind ik dat ‘de geschiedenis van de mens in wezen een geschiedenis van ideeën is’. De heersende cultuur van ideeën bepaalt in welke richting een samenleving beweegt, wat denkbaar en ondenkbaar is, wat mogelijk en onmogelijk. Factoren als economische structuren, politieke systemen en technologie spelen alle een cruciale rol, dat is waar, maar onderschat nooit de kracht van ideeën.

Laat ik er een paar noemen die zeer invloedrijk zijn geweest: dat de aarde het middelpunt is van het heelal, dat we voornamelijk gedreven worden door eigenbelang, dat mensen apart staan van de natuur, dat mannen superieur zijn aan vrouwen, dat het pad naar verlossing God of het kapitalisme of het communisme is. Of je ze nu wereldbeelden, denkkaders, paradigma’s of mindsets noemt, ze hebben stuk voor stuk de koers van beschavingen bepaald. En op dit moment in de geschiedenis is het kortetermijndenken – een geloof in het primaat van het nu – een idee dat oppermachtig is en dringend in twijfel moet worden getrokken.

Muzikant en cultuurdenker Brian Eno zag al in de jaren zeventig van de vorige eeuw het belang van deze kwestie in toen hij het concept van het ‘lange nu’ muntte. Het was Eno opgevallen hoeveel mensen zich de mentaliteit van het ‘korte nu’ hadden aangemeten, een ‘nu’ dat enkele seconden, minuten of hooguit een paar dagen duurde. Het gevolg van deze supersnelle kortetermijncultuur was een gebrek aan bekommernis om toekomstige generaties, die geconfronteerd zouden worden met talloze gevaren, van kolossale milieurampen tot de verbreiding van wapens. ‘Onze empathie reikt niet ver naar voren in de tijd’, schreef hij. Het tegengif was een langer nu-gevoel, waarbij ons idee van wat ‘nu’ is zich honderden zo niet duizenden jaren naar achteren en naar voren uitstrekt, en een morele visie die zich in gelijke mate uitstrekt.

Hoe kunnen wij een persoonlijke, empathische verbinding maken met toekomstige generaties?

Meer dan tien jaar lang zijn mijn eigen onderzoek en publicaties over empathie gericht geweest op de vraag hoe wij ons kunnen verplaatsen in mensen met verschillende sociale achtergronden en begrip kunnen opbrengen voor hun gevoelens en standpunten (wat met een technische term ‘cognitieve empathie’ of ‘perspectiefovername’ wordt genoemd). Maar ik worstel al heel lang met een nóg grotere uitdaging: hoe kunnen wij een persoonlijke, empathische verbinding maken met toekomstige generaties, met mensen dus die we nooit zullen ontmoeten en van wier leven we ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken? Anders gezegd: hoe kunnen we ons niet alleen door de ruimte heen maar ook door de tijd heen in de gevoelens en standpunten van anderen inleven?

—————

De nationale vrijheidsoorlogen van de twintigste eeuw werden gevoerd met wapens. De intergenerationele vrijheidsoorlog van de 21ste eeuw is een ideeënstrijd die de vorm aanneemt van een slepende titanenstrijd om de tijd. Aan de ene kant dreigen aanjagers van het korte-termijndenken ons naar het ravijn van een ineenstortende beschaving te drijven. Aan de andere kant trekken manieren van langetermijndenken ons naar een cultuur van langere tijds-horizonnen en verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst van de mensheid.

Deze vormen van langetermijndenken zijn de belangrijkste cognitieve vaardigheden die je nodig hebt om een goede voorouder te worden: een verzameling fundamentele houdingen, overtuigingen en idealen. We kunnen ze indelen in drie groepen. Het verbeelden van de toekomst berust op een nederigheid tegenover de ‘diepe tijd’ (de uitgestrekte geologische tijd) en de ontwikkeling van een transcendent doel voor de mensheid. Het je bekommeren om de toekomst vereist een erflatersmentaliteit en een gevoel van intergenerationele rechtvaardigheid. Het maken van plannen voor een toekomst die tot voorbij ons eigen leven reikt, is een vaardigheid die voortvloeit uit kathedraaldenken en holistisch voorspellen. Geen enkele groep kan in zijn eentje een langetermijnrevolutie van de menselijke geest bewerkstelligen. Maar in goede onderlinge samenwerking – en indien beoefend door een kritieke massa mensen en organisaties – zou uit hun synergie een nieuw tijdperk van langetermijndenken kunnen ontstaan.

Hoewel de aanjagers van het kortetermijndenken een formidabele kracht vertegenwoordigen, zijn ze bij het touwtrekken om de tijd allerminst verzekerd van de overwinning. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, behoort het langetermijndenken misschien wel tot de grootste onbezongen talenten van onze soort. Zoals de Israëlische psycholoog en econoom Daniel Kahneman ons heeft geleerd, denken we niet alleen snel én langzaam maar ook kort én lang. Onze hersenen zijn zo ingericht dat we ver vooruit kunnen denken en plannen, wat ons tot monumentale prestaties heeft gebracht, zoals de aanleg van het Londense rioolstelsel na de Great Stink van 1858, de sociaal-economische hervormingen van de New Deal van Roosevelt en de tomeloze inzet van de strijders tegen de slavernij en de voorvechters van de vrouwenrechten.

—————

Een groep grensverleggende ‘tijdrebellen’ bindt de strijd aan tegen het woekerende korte-termijndenken van de moderne wereld en wil het langetermijn-denken in praktijk brengen. Daartoe behoren onder meer de wereldwijde klimaatstakingsbeweging onder leiding van de Zweedse tiener Greta Thunberg en organisaties als Extinction Rebellion in het Verenigd Koninkrijk en Our Children’s Trust in de Verenigde Staten. Andere rebellen vinden we overal om ons heen, van Spanje tot Japan, onder de radicale voorvechters van de regeneratieve economie en de voorstanders van burgerberaden.

Ze moeten het opnemen tegen geduchte tegenstanders, onder anderen degenen die proberen het langetermijndenken te kapen en voor hun eigen belangen in te zetten, met name in de financiële sector. Zoals Gus Levy, oud-topman van Goldman Sachs, ooit trots verkondigde: ‘We zijn hebzuchtig, maar wel op de lange termijn, niet op de korte.’ Bovendien zien de tijdrebellen zich gesteld voor de grimmige realiteit dat enkele van de basisvormen waarin wij onze samenleving hebben gegoten – natiestaat, parlementaire democratie, consumptiecultuur, kapitalisme – niet langer geschikt zijn voor de huidige tijd. Ze werden eeuwen geleden uitgevonden, in het geologische tijdperk dat we het Holoceen noemen, de tienduizend jaar waarin het klimaat stabiel was en de menselijke beschaving opbloeide, een tijd waarin onze planeet de ecologische gevolgen van de materiële vooruitgang, de kosten en risico’s van nieuwe technologieën en de druk van de bevolkingsgroei grotendeels kon verwerken. Dat is verleden tijd, want we hebben inmiddels het Antropoceen betreden, het nieuwe tijdperk waarin de mens van de aarde een onstabiel systeem heeft gemaakt dat wordt bedreigd door ecologische ineenstorting.

Dit is het klassieke qwerty-probleem, maar dan met hoofdletters geschreven. De inefficiënte indeling van de qwerty-toetsenborden, met veelgebruikte letters ver van elkaar geplaatst, werd rond 1860 ontworpen om te voorkomen dat de toetsen van de typmachine vastliepen. Op eenzelfde manier zitten wij nu opgescheept met instituties die ontworpen zijn voor de problemen van een ander tijdperk. Het is vrijwel onmogelijk om níet tot de conclusie te komen dat als we een wereld willen creëren die geschikt is voor zowel de huidige als de toekomstige generaties, we de kernaspecten van de samenleving – hoe onze economie functioneert, hoe ons politiek bestel werkt, hoe onze steden eruitzien – grondig moeten heroverwegen en herinrichten, en moeten onderbouwen met nieuwe waarden en doelstellingen, willen we het welzijn van de mensheid op de lange termijn veiligstellen. En de tijd dringt.

Is er een ideale tijdshorizon waarnaar we in de strijd tegen het kortetermijndenken moeten streven? Ik stel voor om honderd jaar als drempelwaarde voor het langetermijndenken te nemen. Dit is de huidige duur van een lang mensenleven, zodat we voorbij de egogrens van onze eigen sterfelijkheid treden en ons een beeld moeten vormen van een toekomst die we kunnen beïnvloeden maar waarvan we geen deel kunnen uitmaken. Dit reikt veel verder dan de hooguit vijf of tien jaar die bedrijven vooruitkijken, tot aan de tijdshorizon van acties zoals het planten van een eik die lang na ons overlijden tot wasdom zal komen.

We kunnen ook leren van degenen die nog verder vooruitblikken. De zevende-generatiebesluitvorming van veel inheemse bevolkingsgroepen beslaat een tijdspanne van bijna twee eeuwen. De Long Now Foundation in Californië is nóg ambitieuzer en zet de tijdshorizon op tienduizend jaar, op grond van het feit dat de eerste menselijke beschavingen tien millennia geleden ontstonden, aan het einde van de laatste ijstijd, en we dus ook tien millennia vooruit moeten kijken. We moeten onze temporele verbeelding avontuurlijk invullen. Als je op de lange termijn wilt gaan denken, haal dan even diep adem en denk minimaal honderd jaar vooruit.

—————

De literatuurcriticus Terry Eagleton maakt een nuttig onderscheid tussen optimisme en hoop. Optimisme kan worden gezien als een vrolijke gezindheid; de optimist ziet altijd de zonnige kant van het leven, ook als er aantoonbaar reden is om dat niet te doen. Het is een houding die gemakkelijk zelfgenoegzaamheid en laksheid in de hand werkt. Hoop daarentegen is radicaler en actiever; wie hoopvol is beseft heel goed dat het kan misgaan, maar blijft tegelijkertijd, uit geestdrift voor een uitkomst die hij of zij graag zou zien, vasthouden aan het vooruitzicht van succes.

Er is een reële kans dat de mensheid pas ontwaakt uit haar kortetermijnslaap als ze getroffen wordt door een kolossale ramp, en tegen die tijd is het misschien al te laat om onze koers nog te verleggen en niet, zoals de Romeinen en de Maya’s, recht op onze vernietiging af te stevenen. Maar het beeld van een ineenstortende beschaving is verre van onvermijdelijk, vooral als we de handen ineenslaan en ons gezamenlijk inzetten voor een radicale verandering. De eerste les die de geschiedenis ons leert, is dat niets onvermijdelijk is tot het gebeurt. Dat er een einde kwam aan het kolonialisme en de slavernij zou ons hoopvol moeten stemmen. Het transformatieve potentieel van langetermijndenken en het feit dat tijdrebellen nu de strijd aanbinden met het kortetermijndenken zouden ons hoopvol moeten stemmen. We moeten ons daarbij ook realiseren dat toekomstige generaties het ons nooit zouden vergeven als we de strijd hadden opgegeven terwijl we nog iets hadden kunnen doen, hoe groot of klein de kans van slagen ook was geweest. We moeten hun stemmen horen in onze dromen en laten meewegen bij onze beslissingen.

Het pad van de goede voorouder ligt voor ons. Het is aan ons het al dan niet op te gaan.

Roman Krznaric

De Australische filosoof Roman Krznaric (1970) is medeoprichter van The School of Life en auteur van onder andere de internationale bestseller Empathie: Een revolutionair boek (2014). In zijn nieuwste boek De goede voorouder, dat deze week verschijnt bij Ten Have (vertaling Henk Moerdijk), onderzoekt Krznaric hoe we het langetermijndenken kunnen cultiveren om een goede toekomst voor onze nazaten veilig te stellen. Dit artikel is een ingekorte en bewerkte voorpublicatie van het eerste hoofdstuk.

Op vrijdag 22 januari is Krznaric hoofdspreker op het online event WeMakethe.City-Reset van Pakhuis de Zwijger in Amsterdam, dezwijger.nl. Hij wordt dan tevens geïnterviewd door Denker des Vaderlands Daan Roovers.