Nieuwe steden

De vorige vinex

Nieuwegein investeerde bijna een miljard euro in het centrumplan van architect Ben van Berkel, inclusief muziek van Spinvis, de beroemdste inwoner. Nieuwegein staat niet alleen. Geld en aandacht moeten voorkomen dat de huidige suburbane wijken afglijden.

Rob Geurts mikte op politieagenten, verplegers en andere mensen die ’s nachts werken toen hij besloot zijn fitnesscentrum in Nieuwegein 365 dagen per jaar 24 uur per dag open te gooien. Maar er bleken meer groepen geïnteresseerd te zijn in deze mogelijkheid: de mannen uit de logistieke centra aan het kanaal bijvoorbeeld, die ’s nachts de vrachtwagens laden die om vijf uur de weg op gaan, en die na hun werk nog wat met gewichten willen trainen. En forensen die vóór de files uit naar de Randstad rijden en vervolgens zo vroeg in Nieuwegein zijn dat ze de tijd moeten zien te overbruggen tot hun kantoor opengaat.

Vijf jaar geleden was Geurts de enige in Nederland, inmiddels zijn er meer fitnesscentra die dag en nacht open zijn. Opvallend is dat je ze niet in de grote steden vindt, maar in de randgemeenten. Inwoners van Almere, Zaanstad en Zoetermeer kunnen inmiddels ook de klok rond trainen. Het zijn de steden waar de noeste werkers wonen, de lagere middenklasse die Nederland draaiend houdt. ‘Netwerkstedelingen tegen wil en dank’, noemt hoogleraar Arnold Reijndorp hen in de Atlas Nieuwe steden die eind september verscheen, ‘want wonen, werken en andere activiteiten op loop- en fietsafstand is slechts een enkeling gegeven’.

Hoewel de Atlas en het daarnaast gepubliceerde onderzoek Nieuwe steden in de Randstad van het Planbureau voor de Leefomgeving in de eerste plaats gaan over de groeikernen die in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn gebouwd, gaan ze ten diepste over suburbaniteit. En dat is uitzonderlijk, want alle ogen en oren zijn gericht op stad, stedelijkheid en stadsbewoners. Om te beginnen die van stedenbouwers, planologen, onderzoekers, beleidsmakers en journalisten, het suburbane nemen zij ternauwernood waar. Sinds de jaren tachtig is de stad in de mode, maar ondertussen woont nog steeds het grootste deel van de Nederlanders in een suburb.

Toen in 1958 de eerste stappen voor de nationale ruimtelijke ordening werden gezet met het rapport De ontwikkeling van het Westen des lands heerste er een verrassend modern idee over stedelijkheid. ‘Als levenskader is “stad” geen scherp omlijnd begrip meer’, schreef planoloog G.J. van den Berg in die tijd. Volgens hem hadden suburbane bewoners ‘een hoog ontwikkeld vermogen tot selectie van indrukken, contacten en betrekkingen en een grote beweeglijkheid van geest en lichaam’. De Tweede Nota Ruimtelijke Ordening, die in 1966 verscheen, verwoordde het zo: ‘De voordelen van het wonen in de randgebieden van de steden, waar het pulserend stedelijk leven nog wel aanwezig is, maar waar men ook het eengezinshuis, de woonrust en de mogelijkheid om te wonen in een sociaal homogene omgeving kan vinden, gaan steeds zwaarder wegen.’

Het suburbane verlangen werd als een positieve kracht gezien, een legitieme wens van de zich ontwikkelende stedelijke bevolking. De enige angst was dat mensen zich als een olievlek over het land zouden verspreiden, daarom werd het idee van de ‘gebundelde deconcentratie’ gelanceerd: de trek uit de stad zou worden opgevangen in een bepekt aantal groeikernen, zoals Nieuwegein, Purmerend en Spijkenisse. Meestal ging het om dorpen die fors moesten uitbreiden, alleen Lelystad en Almere waren echt compleet nieuw. Toch worden de groeikernen meestal aangeduid met de term ‘nieuwe steden’, omdat ze, anders dan de vinexwijken uit de jaren negentig, op flinke afstand van ‘donorsteden’ als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht werden gelegd. Het waren dus nadrukkelijk geen wijken die aan de bestaande, oude steden werden vastgeplakt.

Hoe deze nieuwe steden eruit moesten gaan zien, daarvan had niemand een duidelijke voorstelling. De ideeën beperkten zich tot vlekkenplannen en aantallen woningen, tot dichtheden en bereikbaarheid. In Nieuwegein, dat op het grondgebied van de dorpen Vreeswijk en Jutphaas 55.000 mensen moest gaan huisvesten, botsten aanvankelijk twee stedenbouwkundige visies op elkaar: flats in de wijk Wijkersloot, laagbouw in Zandveld. Verantwoordelijk voor die laatste wijk was stedenbouwkundige Kuiper, die onomwonden zei: ‘Ik houd niet van flats.’ Zijn visie won het uiteindelijk en Nieuwegein werd verder een laagbouwstad. Ook de andere nieuwe steden zwoeren de flats af: de jaren zeventig waren begonnen en kleinschaligheid deed haar intrede, met woonerven en laagbouw, herkenbare buurtjes en gezellige hofjes.

Minder zichtbaar was dat tegelijk ook het idee achter het suburbane wonen kantelde: de nieuwe steden moesten de bewoners van de verkrotte buurten in de grote steden gaan opvangen. De vrijwillige trek uit de stad maakte plaats voor de overloop uit de stads­vernieuwingsgebieden. Over de doelgroepen voor Almere zei Han Lammers, de landdrost van Flevoland, tegen de Rijksdienst IJsselmeerpolders: ‘Hoor ’s u bouwt woningen om de woningnood op te lossen.’ En om die reden verbood hij persoonlijk de aanleg van een golfbaan, waarmee de planners de stad een ‘Goois karakter’ wilden geven.

Stedenbouwers en architecten speelden slechts een ondergeschikte rol bij het ontwerp van de nieuwe steden. Het was de tijd van de anti-esthetiek en inspraak, en wijken werden in partjes van honderd tot tweehonderd woningen gehakt, waarvoor toekomstige bewoners vervolgens een architect mochten kiezen. Dat zorgde voor naar binnen gekeerde buurtjes, gescheiden door infrastructuur en ongedefinieerde groenzones.

Om het nog erger te maken brak tegen de tijd dat de plannen klaar waren en de bouw kon beginnen de economische crisis in volle hevigheid los. De hypotheekrente steeg begin jaren tachtig boven de tien procent en dus waren de geplande koopwoningen onverkoopbaar. Socia­le huurwoningen werden de norm en voor de bouw daarvan was nauwelijks geld. Vooral Nieuwegein, dat tot de eerste groeikernen behoort, werd hard door deze crisis geraakt.

Ondertussen wendde de intellectuele goegemeente zich af van de suburbaniteit. Vanaf de jaren zeventig kreeg het een steeds negatievere klank, het was immers de vlucht van de burgerman naar een veilige omgeving. Halverwege de jaren tachtig werd de idee van de compacte stad omarmd, bouwen in de stad werd de norm en als dat niet ging, dan toch op z’n minst vlak bij de stad in de vorm van vinexwijken. De groeikernen verdwenen met stille trom uit het beleid, maar de nieuwe steden zelf natuurlijk niet.

Ze zijn niet onder een gelukkig gesternte geboren, de nieuwe steden. Maar zijn ze daarmee ook mislukt? Als je kijkt naar de top-vijftig van aantrekkelijke steden die economisch-geograaf Geard Marlet elk jaar maakt, zou je dat wel geloven. De top bestaat uit de klassiekers, dit jaar waren de eerste drie plaatsen voor Amsterdam, Utrecht en Den Bosch. De nieuwe steden bungelen onderaan, waarbij Zoetermeer het er met een 23ste plaats nog relatief goed vanaf brengt. Omdat het te klein is, staat Nieuwegein overigens niet op deze lijst. Ook Jos Gadet, die vorig jaar het boek Terug naar de stad publiceerde, maakt korte metten met de functionalistische planners van de jaren zestig en later: ‘Anti­stedelijkheid is remmend en reactionair.’

Stadssocioloog Reijndorp verzet zich tegen het dedain voor het suburbane wonen: ‘Veel mensen willen helemaal niet in de stad wonen, die willen een huis met een tuin in een rustige buurt. Een metropool heeft die plekken net zo hard nodig als hippe wijken zoals de Amsterdamse Pijp en het Utrechtse Lombok.’ Hij vindt het daarom onzinnig de groeikernen te vergelijken met gewone middelgrote steden als Leeuwarden, Middelburg en Roermond, ze moeten op hun eigen waarde worden geschat. En dat is nog niet zo makkelijk, want de suburbs missen de vanzelfsprekende vorm van de stad.

Een stad kun je lopend verkennen, het is een aaneengesloten weefsel met vloeiende overgangen, een continuüm dat zich gemakkelijk laat lezen. Suburbs zijn, anders dan je op het eerste gezicht zou verwachten, juist helemaal niet geschikt om te wandelen. Hier pak je de auto of de fiets om te gaan wandelen in een recreatiegebied, winkelen in het centrum, of sporten in een fitnesscentrum. Suburbs zijn aaneenschakelingen van plekken, ze hebben zeker voor de buitenstaander weinig samenhang en logica.

Bezoek Nieuwegein en je ziet aanvankelijk alleen maar de infrastructuur die de stad als een mes doorsnijdt: vierbaanswegen, kanalen en een sneltram. En verder springen bedrijven­terreinen, kantoorpanden en breed uit­gesmeerde wijken met rijtjeshuizen in het oog. Het is, na Veenendaal, de groenste stad van de provincie Utrecht, maar daar zie je niets van, want het groen bevindt zich aan de achterkant van de huizen en aan de randen van de stad.

Zo uniform als de buurten voor de ongeoefende stedelijke blik lijken, zo verschillend zijn ze als je de moeite neemt uit te stappen. In Fokkesteeg staan de houten huizen uit de vroege jaren zeventig dicht opeen en zijn bewoners druk bezig hun bezit te schilderen en te vertimmeren, terwijl de vrolijke huizen van Nieuw Vreeswijk glanzen alsof ze zo uit de catalogus van Ikea komen. Een buurtje als De Zwaluw blijkt een jaren-zeventig-remake van de Amsterdamse School met steile rode pannendaken, terwijl de wijk Edge, waaraan nog druk gebouwd wordt, vooral jaren-dertigwoningen herbergt.

Makkelijk te ontdekken is het niet, want wie bij de plaatselijke boekhandel vraagt om een gids van de stad, kan kiezen uit twee boekjes over de historische plekken in de gemeente; van alles wat na de oorlog gebouwd is ontbreekt elk spoor. En dat geldt voor bijna alle groeikernen, met Lelystad als uitzondering. Lelystad, het portret dat Joris van Casteren schreef over de stad waar hij opgroeide, is echter eerder een afrekening dan een poging de stad te laten zien waar inmiddels 75.000 mensen wonen. ‘Het is buitengewoon herkenbaar, maar tegelijk is het bijna een persiflage’, zegt onderzoekster Like Bijlsma van het Ruimtelijk Planbureau, die meewerkte aan beide studies over de nieuwe steden.

Zelf is Bijlsma geboren en getogen in Zoetermeer, een stad die ze ‘ontvluchtte’ toen ze de kans kreeg. Het kostte haar aanvankelijk dan ook grote moeite de groeikernen open en objectief tegemoet te treden. ‘Arnold Reijndorp moest in het begin vaak tegen me zeggen: “Kijk nou eens gewoon naar wat het is, niet naar wat het niet is.”’ Hij kreeg steun uit onverwachte hoek: Bijlsma’s oudste dochter ging een keer mee op excursie naar Almere en was diep onder de indruk van alle kinderen die ze alleen rond zag fietsen, terwijl zij zelf in Rotterdam altijd gehaald en gebracht werd.

Bijlsma: ‘Suburbs zijn in functionele zin uiterst comfortabel, ze bieden maximaal comfort tegen minimale kosten.’ Een goed onderhouden groene omgeving hoort daarbij, net als stabiele sociale verhoudingen. Je hoeft je buren niet te kennen – het leven van de suburbianen speelt zich hoofdzakelijk buiten de eigen wijk af – maar de afbrokkeling van vertrouwde patronen kan er hier diep inhakken. Een paar verwaarloosde voortuinen, een asociaal gezin dat voor geluidsoverlast zorgt en een pand waar de gordijnen altijd dicht zijn leiden er in suburbs al snel toe dat mensen het gevoel hebben dat ze de grip op hun buurt verliezen.

Veertig jaar na hun officiële start vertonen de groeikernen duidelijk tekenen van slijtage. De woningen verouderen, de vele collectieve openbare ruimten worden armetierig, de bevolking kampt met ‘pre-vergrijzing’: de groep 45- tot zestigjarigen is sterk gegroeid, de kinderen zijn de deur uit en krimp ligt in het verschiet. Bovendien ondervinden ze van twee kanten concurrentie bij het aantrekken van nieuwe bewoners: de steden trekken hoogopgeleide, goed verdienende stadsaficionado’s naar zich toe, de vinexlocaties hun evenknieën die een huis met tuin willen. Zowel de koop- als de huurwoningen zijn relatief goedkoop, waardoor juist armere stedelingen naar de oude nieuwe steden trekken.

Volgens de grote steden gaat dat nog niet hard genoeg, zij vinden dat de suburbs een evenredig deel van de grotestadsproblemen als werklozen, allochtonen en woonwagenbewoners moeten opnemen. Zo is in de Prestatieafspraken volkshuisvesting regio Utrecht 2005-2015 vastgelegd dat minstens een kwart van de nieuwbouw in elke gemeente uit sociale huurwoningen moet bestaan. Dat geldt ook voor Nieuwegein, dat door de economische crisis van de jaren tachtig al relatief veel goedkope huur heeft. Reijndorp vindt dit een heilloze weg: ‘We moeten stoppen met het huidige regionale beleid om de armoede of de ellende te verdelen. Het moet toch mogelijk zijn om, zonder voor politiek reactionair te worden uitgemaakt, te pleiten voor handhaving van suburbane woonmilieus?’

Maar de druk komt niet alleen van buiten, ook de gemeentebesturen van de nieuwe steden zelf schatten hun suburbane karakter niet erg op waarde. Ze blijven ernaar streven om een complete stad te worden, met een stadshart dat bruist. Nieuwegein investeerde bijna een miljard euro in het centrumplan dat architect Ben van Berkel ontwierp: 28.000 vierkante meter winkels erbij, een nieuw stadhuis, een winkelplein met amfitheater, een theater- en kunstcentrum en een parkeergarage met muurschilderingen en muziek van Spinvis, de beroemdste inwoner van de stad.

In die upgrading van het centrum staat Nieuwegein niet alleen: Almere schakelde Rem Koolhaas in, Lelystad koos voor Adriaan Geuze. Natuurlijk waarderen mensen extra voorzieningen en spectaculaire architectuur, maar ze kunnen volgens de Atlas Nieuwe steden ook heel goed zonder. Mensen trekken namelijk niet weg vanwege het ontbreken van stedelijkheid, maar vanwege ‘de veranderende samenstelling van de bevolking en de geringere vertrouwdheid en veranderende omgangsvormen die daarvan het gevolg zijn’. Daarbij komt nog de ‘verwaarlozing van de fysieke suburbane kwaliteiten van de woonomgeving’.

Herwaardering van de suburbaniteit is hard nodig. Dat is niet alleen het belang van de voormalige groeikernen zelf, maar ook van de metropoolregio’s die moeten voorzien in de behoefte aan huizen met tuinen voor de middenklasse. ‘Specialisatie en ruimtelijke uitsortering op basis van potenties kunnen de regio als geheel versterken’, noemt het Ruimtelijk Planbureau dat.

Geld en aandacht zijn nodig om te voor­komen dat de huidige suburbane wijken afglijden: beheer en onderhoud moeten op orde zijn. Maar ze moeten ook aangepast worden aan de eisen van de tijd en de nieuwe steden hebben daarvoor in principe goede papieren: ze zijn veel ruimer van opzet dan de vinexwijken die hen opvolgden. Het grote gevaar volgens beide studies is juist dat gekozen wordt voor verdichting: planologen, stedenbouwers en architecten hebben veel te weinig idee van suburbaniteit en grijpen dus al snel terug op stedelijke beelden.

De eenzijdige aandacht voor de creatie van een eigen stadscentrum getuigt van die stadsblik. Het is de vraag of dat streven zinvol is, want in de suburbs zijn mensen al lang gewend de auto of sneltram te pakken om elders te gaan winkelen of naar de film te gaan. Uit onderzoek in Zoetermeer blijkt dat ze juist veel meer belang hechten aan het buurtwinkelcentrum waar ze hun dagelijkse boodschappen kunnen doen en waar ze nog gekend worden door de winkelier. Een ander voorbeeld is de aanpak van de grote wegen die door de groeikernen lopen. Volgens de huidige stedenbouwkundige opvattingen zijn dat barrières en die moeten geslecht worden. Dus moeten ze versmallen tot stadsstraten met een gemengd programma. Dat klinkt goed, maar wie willen daar wonen? En welke ontbrekende functies moeten daar komen?

Het is een bij voorbaat verloren strijd om van de suburbs een klassiek stedelijk weefsel te willen maken. Beter is het te kijken naar de kwaliteiten die ze wél hebben en die te versterken. En dat vereist maatwerk, geen generieke concepten. En juist dat is nog niet zo eenvoudig, want voor de buitenstaanders die architecten en stedenbouwkundigen nu eenmaal per definitie zijn, is er juist weinig specifieks te zien.

‘Bewoners hebben een mentale kaart van plekken in hun hoofd, die samen de stad vormen’, zegt Ivan Nio, de derde auteur van de beide studies, ‘die moet je leren kennen om erbij aan te kunnen sluiten.’ Hij ervoer zelf hoeveel tijd en moeite dat kost: pas toen de boeken al naar de drukker waren, realiseerde hij zich dat hem tijdens de vierenhalf jaar onderzoek een wezenlijke plek in Nieuwegein ontgaan was: watersportcentrum Down Under, dat net tussen Nieuwegein en Houten in ligt en waar wakeboarders, bodyboarders en wavesurfers elkaar treffen. ‘Doordat we zo gewend zijn in termen van de klassieke stad te denken, zagen we het over het hoofd dat een stedelijke hangout ook buiten de stadsgrenzen kan liggen.’